Wat begint als een ambitieuze historische analyse, verliest overtuigingskracht zodra solidariteit wordt herleid tot een emotioneel principe dat steunt op gedeelde identiteit.
Er is de euvele moed van de jeugd nodig om een boek te schrijven over het sociaal contract door de eeuwen heen. In De wortels van de welvaartsstaat neemt Eric van der Ven de lezer mee op een lange historische reis, verder terug dan gebruikelijk in studies over sociale zekerheid: voorbij de industriële revolutie en de middeleeuwse armenzorg, tot bij de Romeinen. Dat resulteert in boeiende, vlot geschreven en lezenswaardige passages.
De ambitie van de auteur reikt verder dan louter geschiedschrijving als herinnering. Het boek wil verklaren waarom onze samenleving is geworden wat zij is en ook richting geven aan hedendaags beleid. Dat is op zich bewonderenswaardig, maar precies daar schiet het werk tekort.
Van der Ven vat solidariteit op als een emotioneel principe dat steunt op gedeelde identiteit. Hij interpreteert het parallelle verloop van natievorming en het ontstaan van de welvaartsstaat als een aanwijzing dat gemeenschapsvorming een noodzakelijke voorwaarde is voor solidariteit. Voor de hedendaagse Belgische context betoogt hij vervolgens dat het ontbreken van een gemeenschappelijk referentiekader het draagvlak voor solidariteit ondermijnt en dat migratie druk uitoefent op de inclusiviteit die nodig is om solidariteit te dragen.
De geschiedenis van de welvaartsstaat laat zich echter niet afdoende begrijpen vanuit een louter identitaire benadering van solidariteit. Als het boek al iets leert - maar wat de auteur zelf niet onderkent - dan is het dat de uitbouw en bestendiging van de welvaartsstaat niet het resultaat waren van gedeelde identiteit of culturele homogeniteit, maar van functionele noodzaak in complexer wordende samenlevingen. Doorheen de eeuwen zijn solidariteitscirkels groter geworden. Dat proces verliep niet lineair - zo werd de Romeinse voedselbedeling in de middeleeuwen teruggeplooid tot het particularisme van de gilden - maar de richting op lange termijn is duidelijk: van parochiale armenzorg, over stadstaten en natiestaten, tot het Europese niveau vandaag.
De natiestaat was geen identitaire voorwaarde voor solidariteit, zoals Van der Ven lijkt te veronderstellen, maar het politiek institutionele kader waarbinnen vrijheid en solidariteit konden worden uitgebouwd. Meer nog, in het Duitsland van Bismarck werd sociale zekerheid expliciet ingezet als instrument om nationale identiteit te produceren, en niet omgekeerd. In een context waarin naast het Hoogduits onder meer ook Pools, Frans en Deens werden gesproken, was sociale integratie een voorwaarde voor gemeenschapsvorming, niet als haar gevolg.
Niet identitaire, maar systemische solidariteit verklaart de ontwikkeling van de sociale verzorgingsstaat
De historische ontwikkeling van de welvaartsstaat staat dan ook op fundamentele wijze op gespannen voet met een identitaire opvatting van solidariteit. Waar Van der Ven solidariteit hoofdzakelijk fundeert in gedeelde identiteit, toont de geschiedenis aan dat solidariteit zich juist uitbreidde wanneer kleinschalige, identitair verankerde gemeenschappen structureel tekortschoten en economische productie nood had aan brede sociale correctiemechanismen. Niet identitaire, maar systemische solidariteit verklaart de ontwikkeling van de sociale verzorgingsstaat. Systemische solidariteit vormt het pendant van structurele afhankelijkheden tussen mensen, groepen, regio's en staten, evenals tussen maatschappelijke subsystemen zoals arbeid en kapitaal, markten en gezinnen.
Naarmate samenlevingen complexer werden - door verstedelijking, industrialisering en verhoogde mobiliteit - konden traditionele vormen van solidariteit, zoals familie, parochie, gilden en maatschappijen van onderlinge bijstand de nieuwe sociale risico's niet langer dragen. Arbeidsongevallen, massale werkloosheid, ouderdom zonder familiale opvang vereisten grotere, stabielere en meer gediversifieerde risicopools.
Het naoorlogse sociaal contract was het resultaat van een dubbele beweging: enerzijds de expansie van de markteconomie, anderzijds een institutionele tegenbeweging die via sociale bescherming en regulering verdere maatschappelijke ontwrichting moest voorkomen. Dit sociaal contract berust niet op gedeelde identiteit, maar op een compromis tussen arbeid en kapitaal, de maag en de ledematen bij de Romeinen. Het werd verankerd op het niveau van de natiestaat omdat die de grenzen van de markteconomie bepaalde - via munt en regelgeving - en het institutionele kader bood om sociale correcties te implementeren.
Horizontale solidariteit tussen gezonden en zieken, werkenden en niet-werkenden, jongeren en ouderen steunt primair op welbegrepen eigenbelang. Ook de meer veeleisende vorm van verticale solidariteit - tussen rijk en arm - berust uiteindelijk op een brede notie van welbegrepen eigenbelang, namelijk het waarborgen van sociale vrede, productiviteit, koopkracht en maatschappelijke stabiliteit, wat in de oude terminologie van de sociale zekerheid werd aangeduid als maatschappelijke zekerheid.
De systemische opvatting van solidariteit sluit aan bij het denken van Robert Schuman, voor wie solidariteit voortvloeit uit samenwerking. Solidariteit wordt zeker gefaciliteerd door identificatie maar het vereist geen vooraf bestaande identitaire gemeenschappen. Solidariteit vloeit voort uit samenwerking en wederzijdse afhankelijkheid. Dat mechanisme ligt vandaag aan de basis van de groeiende Europeanisering van nationale solidariteitskringen, een proces dat door de intensivering van de Europese samenwerking aanzienlijk wordt versneld en opmerkelijk genoeg geen plaats krijgt in Van der Vens geschiedschrijving.
Door zich op te sluiten in een identitaire visie op solidariteit miskent Van der Ven de mechanismen die de welvaartsstaat hebben gevormd en vandaag bepalend zijn voor de opschaling van solidariteit. De auteur hanteert bovendien een eenzijdige notie van identiteit, waardoor hij identitaire spanningen in de samenleving slechts partieel kan vatten. Hij begrijpt identiteit hoofdzakelijk in termen van taal en plaats van herkomst. Sociale klasse - vandaag sterk verbonden met scholingsgraad - is echter eveneens een cruciale dimensie van sociale herkenning en identificatie. Empirisch onderzoek leert dat scholingskansen en de blootstelling aan 'slechte' sociale risico's, zoals werkloosheid, slechte gezondheid en laagbetaalde arbeid sterk samenhangen met sociale afkomst. Door deze dimensie buiten beschouwing te laten, onderschat de analyse hoe sociaaleconomische ongelijkheid het draagvlak voor solidariteit en herverdeling minstens even sterk beïnvloeden als culturele en linguïstische verschillen.
Wie identiteiten verengt tot taal en plaats van afkomst, miskent het belang van sociaaleconomische tegenstelingen
De implicatie is duidelijk: wie de toekomst van de welvaartsstaat wil denken vanuit identitaire solidariteit, miskent niet alleen haar historische ontstaanslogica, maar ook de functionele noodzaak om solidariteit op te schalen. En wie identiteiten verengt tot taal en plaats van afkomst, miskent het belang van sociaaleconomische tegenstelingen in de samenleving. Dat levert povere hefbomen op om welvaartsstaten voor te bereiden op de grote transities van deze tijd: een vaag appel aan gemeenschapsvorming, het terugdringen van solidariteitscirkels en migratiebeheersing. Gemeenschapsvorming is belangrijk, net als een efficiënte overheid, humane migratiebeheersing en een eerlijke verdeling van verantwoordelijkheden. Maar zonder een breed en overtuigend verhaal van de noodzaak om samen te werken en solidariteit op te schalen van de vele kleine nationale welvaartsstaten in Europa naar vormen van bredere Europese solidariteit blijven deze elementen onvoldoende om de welvaartsstaat toekomstbestendig te maken.