'Over welvaart’ van Bart De Wever is geen open intellectueel essay, maar moet de systemische ingreep van Arizona legitimeren.
Eind januari 2026 had premier Bart De Wever het in een toespraak over gedeelde waarden. Hij noemde liberté en fraternité, een ondubbelzinnige allusie op de Franse Revolutie. Maar één van haar waarden verdonkeremaande hij: égalité, gelijkheid. Wie zijn nieuwe boek Over welvaart leest, zal dat niet verbazen. Voor rechts-liberale conservatieven als De Wever is gelijkheid geen absoluut streven.
Over welvaart sluit pompeus met een soort envoi: ‘Voor Vlaanderen, voor Wallonië, voor Europa, voor welvaart’. Voor hij federaal premier werd, had hij Wallonië vast niet vermeld, en Europa evenmin. Dat kan een premier zich moeilijk veroorloven. En ‘Wallonië’ kan hier dienen als pars pro toto, een fantoomwoord om België niet te moeten noemen. Maar wat met Brussel dan? Het resultaat is een verkrampt formalisme, waarin de feitelijkheid moet wijken voor nationalistische symboliek. En voor de contingentie van De Wevers persoonlijke lotgeval.
Dat geldt ook voor de ‘leeslijst’ achterin. Die – bibliografisch zeer bedenkelijke – lijst opent met de drie recentste boeken van De Wever zelf en bevat verder enkele evergreens van het liberale vooruitgangsdenken, met, uiteraard, Adam Smith, maar ook Karl Marx (Das Kapital, let wel, alleen deel 1). Liefst twee boeken van de Singaporese politicus Lee Kuan Yew staan erin en verder zowat alles wat ooit de titel Arm Vlaanderen kreeg. Met onder meer het even antikapitalistische als antiklerikale reisverslag van August De Winne, journalist bij de Waalse socialistische krant Le Peuple. Dat werd echter niet als Arm Vlaanderen vertaald, zoals De Wever beweert, maar als Door arm Vlaanderen. Het verschil is futiel, maar wel indicatief voor hoe De Wever de feitelijkheid met een foute titel ondergeschikt maakt aan de symboliek. De titels zijn ledenpoppen in een ideologische etalage.
De titels in de 'leeslijst' achterin zijn ledenpoppen in een ideologische etalage
Over welvaart is niet vrijblijvend en al zeker geen open intellectueel essay. Het moet functioneel zijn en legitimeren wat De Wevers Arizona-regering in de zin heeft, en dat is een systemische ingreep. Het uitgangspunt is simpel: eerst welvaart, dan pas welzijn. Eerst productie en groei, dan pas zorg, sociale zekerheid en eventueel herverdeling. Zoals het in de jaren 1980 klonk in rechts-patronale hoek: op een economisch kerkhof kan geen sociaal paradijs bloeien. Opzienbarend origineel is die gedachte dus niet. Ze kan zelfs herinneren aan marxistische ideeën over historisch materialisme en de samenhang van onder- en bovenbouw. Het hangt er maar van af wat de concrete praktijk ervan is. Op zijn ergst eindigt dat in de structurele ongelijkheid van trickle down economics, ook populair in de jaren 1980: hoe rijker de rijken worden, hoe groter de kruimels die ze de armen willen gunnen.
Welvaartcreatie, fase 1 dus, komt bij De Wever haast exclusief op conto van bedrijven en ondernemers (en de markt). Dat drukt werknemers en al zeker zieken, werklozen of ouderen maatschappelijk in de marge, anoniem, passief en ondergeschikt, tot verdachtmakingen van fraude en profitariaat toe. Die ongelijke posities laten zeer weinig ruimte voor sociaal overleg. Het middenveld, zeker vakbonden, krijgt in het boek dan ook geen aandacht. Tussen twee haakjes, van de klassieke trias van economische factoren – kapitaal, arbeid en natuur – blijft ook de derde component (klimaat, duurzaamheid, …) buiten beeld.
De prioriteiten liggen al van tevoren vast, groei door competitiviteit, en ze zijn niet voor discussie vatbaar want vermeend objectief
Zo neemt De Wever afscheid van de Belgische sociaaleconomische traditie, waarin de overheid haar beleid delegeert naar het paritaire beraad tussen werkgevers, werknemers en zelfstandigen. Het paritaire model neutraliseerde na de invoering van het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht (1919) het numerieke overwicht van de lagere sociale klassen in het parlement, nu duwt De Wever die helemaal uit de besluitvorming. In zijn apodictische visie zijn compromissen van het sociaal overleg irrelevant. De prioriteiten liggen al van tevoren vast, groei door competitiviteit, en ze zijn niet voor discussie vatbaar want vermeend objectief. Causa finita. Dit is de enige kans om de tanende economie, begroting en sociale zekerheid te ‘redden’. Rechts-conservatisme uit zich graag apocalyptisch om de eigen agenda op te dringen. Of zoals het neoliberalisme dat in de jaren 1990 verkocht: there is no alternative.
Enigszins paradoxaal, gezien De Wevers anti-etatisme, is dat diens model wel een aanzienlijke staatsmacht veronderstelt, als (naar een term van Hendrik De Man) commandocentrum van wat welhaast een planeconomie wordt, als organisator van wat hier welzijn heet, als regulator van de sociale verhoudingen en als bewaker van de concurrentiekracht. De staat dereguleert, legt de loonnorm of indexsprongen op, past bij met de jobbonus, financiert infrastructuur en onderzoek, subsidieert ondernemingen, verlaagt hun bijdrage aan de sociale zekerheid, en is fiscaal mild voor winsten, dividenden, huurinkomsten, erfenissen en vermogens. Want, zegt De Wever, ‘men vergeet vaak dat risico nemen ook moet lonen’. En ‘een economie zonder (…) winstprikkels verliest haar dynamiek’.
De staatsdwang krijgt reliëf in De Wevers fascinatie voor Singapore. De bloei van deze stadsstaat verleidt hem tot lyrische maar weinig accurate clichés uit het nationalistische register: ‘één van de meest indrukwekkende verhalen van nationale wederopstanding’. ‘Arm Singapore’ no more. Maar dat succes heeft een prijs: sociale discipline en politiek conformisme, afgedwongen met controle, hoge boetes, lijfstraffen en de doodstraf. Dat deert De Wever niet, ook niet dat dit model lastig te verenigen valt met West-Europese, op vrijheid gestoelde tradities. Aalst carnaval, vergeet het maar.
Het historische verhaal dat Over welvaart stut, is even eenzijdig en manipulatief. Aandacht voor de armoede waarin de bevolking verzeilde tijdens de Industriële Revolutie in de 19de eeuw wijst De Wever exclusief toe aan enkele flamingantische kleinburgers. Dat nationalistische ressentiment is historiografisch niet ernstig meer. Idem als De Wever de elite van toen veeleer haar Franstaligheid kwalijk neemt dan de sociale uitbuiting zelf. Dat verdoezelt de kern van de kapitalistische ongelijkheid door de kritiek naar de periferie te schuiven. Alsof wat de historicus Maarten Van Ginderachter zo schrijnend analyseerde in, inderdaad, Arm Vlaanderen (2025), ‘zeer lezenswaardig’ aldus De Wever, slechts pittoreske exotica betrof, een frictie van tijdelijke aard.
De Wever wist de hele arbeidersbeweging, vooral de socialistische, uit de geschiedenis
Meer nog, De Wever wist de hele arbeidersbeweging, vooral de socialistische, uit de geschiedenis. Er zouden in Duitsland alleen wat revolutionaire herrieschoppers zijn geweest, al was de electoraal sterke SPD bij uitstek reformistisch, net als de BWP in België. Sociale wetgeving zou er alleen zijn gekomen onder impuls van de encycliek Rerum novarum, de kordate kanselier Otto von Bismarck of industrieel Lieven Gevaert. Die ‘derde weg’ is het alternatief voor wat De Wever eerder beschreef, het duel Smith-Marx. En dat die laatste het voor De Wever fout had, legitimeert voor hem dat alles wat van dicht of ver iets met Marx te maken had, vergeten mag worden.
Dat belooft voor wat Arizona nog kan aanrichten in sociale regimentering en politieke bevoogding. Die donkere schaduw hangt er al van toen De Wever in zijn incoherente pamflet Over woke (2023) liet verstaan: dat sociale of culturele minderheden hun emancipatie niet in eigen hand horen te nemen, maar dat een paternalistische elite wel zal oordelen hoe dat kan en wanneer de tijd ervoor rijp is.