Samenleving & Politiek
ESSAY

"Jij bent er toch geraakt, hoe heb je dat voor elkaar gekregen?"

© Rob Marcelis

"Jij bent er toch geraakt, hoe heb je dat voor elkaar gekregen?" Het is een vraag die steevast terugkeert sinds mijn boek in de rekken ligt. Tijdens interviews, bij boekvoorstellingen en in panelgesprekken hangt de vraag in de lucht. Men heeft het succesverhaal nodig. Men wil dat ik het levende bewijs ben dat 'het systeem' werkt. Dat wie wil, ook kán.

Sociale mobiliteit is een onderwerp dat we in onze samenleving gretig consumeren. We houden van de _rags-to-riches_verhalen: de arme sloeber die enkel met creativiteit en doorzettingsvermogen de top bereikt.

"De wereld is geen rozengeur en maneschijn. Het is een gemene smerige plaats en hoe taai je ook bent, het zal je op de knieën brengen en daar houden als je het toelaat," roept Rocky Balboa tegen zijn zoon. "Het gaat niet om hoe hard je kan stoten, maar om hoe hard je de stoten kan verdragen en kan blijven verdergaan. Enkel zo kan je winnen!" De ogen van Balboa's zoon beginnen te tranen terwijl zijn vader een inspirerend einde breidt aan zijn emotionele toespraak. "Als je weet wat je waard bent, pak dan wat je toekomt en wees bereid om de slagen te verdragen! En niet wijzen, terwijl je zegt dat je er niet geraakt bent door hem of haar of eender wie. Dat is wat lafaards doen!" De toeschouwer in de bioscoopzaal veegt een traan weg en voelt een vlaag van bewondering voor Balboa's wilskracht. De woorden van het fictieve personage vinden we terug op Facebook-tegeltjes, in fitnessclubs en in de peptalks van dure motivatiecoaches.

We hebben deze film reeds in talloze gedaanten gezien in de cinema's, op onze televisies, in de dagbladen of regiokranten. Iedereen kan er geraken, zolang je er hard voor werkt. Het is de kern van de meritocratie. Beklim gewoon die sociale ladder! De metafoor van de 'sociale ladder' suggereert dat de klim eigenlijk simpel is. Want hoe moeilijk kan het zijn om een ladder te beklimmen? En als dat je niet lukt, wat zegt dat over jou?

De metafoor van de 'sociale ladder' suggereert dat de klim eigenlijk simpel is

Dit is waarop we onze maatschappij indelen. Niet naar onze zogenaamde waarden en normen. Niet naar hoeveel liefde we geven aan onze medemensen. Niet naar hoe behulpzaam we zijn, hoeveel vrijwilligerswerk we doen of aan hoeveel goede doelen we geven. Nee, we delen het op naargelang 'succes'. Onze idolen zijn geen daklozen, geen fabrieksarbeiders, bouwvakkers of leerkrachten. Onze idolen zijn miljonairs. Het zijn acteurs, artiesten, techentrepreneurs of filantropen. Deze hiërarchie zit verweven in onze taal. Als een vrouw er schitterend uitziet, zeggen we dat ze eruitziet als een 'prinses'. Wanneer iemand iets goed of indrukwekkend presteert, complimenteren we die persoon met 'baas'. 'Like a boss' was de meme die het internet domineerde in mijn tienerjaren. In de tijd dat in populaire hiphop de focus werd verlegd van systeemkritiek naar braggadocio, vernoemde Jay Z zijn platenlabel Roc-A-Fella naar één van de rijkste families op aarde. De boodschap is glashelder: succes is geld, macht en faam. En ook het tegendeel is waar: wie arm is, is minderwaardig, ongeciviliseerd en dom.

Zonen die vaders worden

In mijn literair debuut beschrijf ik mijn relatie met mijn vader, een dakwerker met een zwaar alcoholprobleem. Van mijn veertiende tot mijn zesentwintigste heb ik hem niet nuchter gezien. Toen ik later mijn eigen agressiestoornis en drankprobleem onder ogen kwam, ontdekte ik het patroon. Het was een erfstuk. Niemand groeit op in een vacuüm. We zijn het product van onze omgeving, gevormd door de slagen die onze voorouders incasseerden.

Mijn vader groeide op in een sociale woonwijk in Wevelgem. Geld was er nooit. Als kind werd hij bij de buurtwinkel weggejaagd omdat zijn moeder nog schulden had staan. Op school was hij het mikpunt van spot vanwege zijn oude kleren; hij leerde dat zijn vuisten zijn enige verdediging waren. Wie buisde op school, ging werken. Zo stond hij op zijn veertiende al op de werkvloer. Zijn afkomst bleef hem achtervolgen. De kinderen uit zijn gezin werden niet gevraagd voor verjaardagsfeestjes; zij waren de kinderen die je beter kon mijden. Later bleven de deuren van bepaalde cafés voor hem gesloten omdat zijn kleding niet voldeed aan de dresscode. De maatschappij keek op hem neer. Wat leidde tot frustraties. "Als ze je altijd als tuig bestempelen, dan begin je er op een dag zelf in te geloven," zei hij me ooit. "Dan word je precies waar ze bang voor zijn." Het leidde tot aanvaringen met het gerecht en op zijn zeventiende werd hij opgesloten in een gesloten instelling in Brasschaat, een deprimerend gebouw achter prikkeldraad dat ze 'Vrij en Vrolijk' genoemd hadden. Hij zat er ruim een jaar opgesloten en zijn vader is hem in die hele tijd slechts één keer komen bezoeken. Dit was de man die mij later zou leren hoe ik een man moest zijn. Die mij leerde hoe ik moest overleven. In deze klasse-analyse zocht ik naar de parallellen tussen zijn harde jeugd en de opvoeding die hij aan mij doorgaf.

Mijn vader zat op zijn zeventiende in de gesloten instelling 'Vrij en Vrolijk'

Na de publicatie van mijn boek kwamen de vragen van de media vooral neer op één thema: opgroeien met een vader die door de drank veranderde in iemand die er niet was. Ze wilden weten hoe hij reageerde op een boek dat zijn donkerste kanten zo genadeloos blootlegde.

Ik had hem vooraf om toestemming gevraagd en die had hij me gegeven. Aanvankelijk zei hij me dat hij het hartverscheurend vond om te lezen wat hij ons had aangedaan. Maar toen ik hem onlangs vroeg of hij er nog steeds vrede mee had, bekende hij dat er iets was dat hem bleef steken. Het waren niet de jaren in de roes van de alcohol. Het waren niet de mensen die hij onderweg was kwijtgeraakt of de diepe wonden die hij binnen ons gezin had geslagen. Het was iets dat veel dieper zat dan ik tot dan toe had beseft.

Onderaan de ladder

In mijn boek beschrijf ik een herinnering aan wat mijn moeder me als kind altijd vertelde. Ze kwam uit de middenklasse en was zestien toen ze mijn vader ontmoette. Hij was achttien en werkte toen al vier jaar als dakwerker. Iedereen waarschuwde haar: met zo iemand moet je niet samen zijn. Daar komen problemen van. Ook in haar gezin werd mijn vader niet geaccepteerd. Haar vader weigerde twee jaar lang een woord tegen hem te zeggen. Toch hielden ze stand. Na een passionele knipperlichtrelatie trouwden ze en vormden ze het perfecte plaatje: twee knappe mensen, twee kinderen en een eigen zaak. Hij verdiende zoveel dat we twee keer per jaar op reis konden. Tot hij haar verliet toen ik vijf was en uitkwam dat hij haar talloze keren had bedrogen. Ontrouw laat diepe wonden na; het vreet aan je zelfbeeld. Waarom was zij niet goed genoeg voor hem? In mijn moeders ogen had zij alles gedaan om te bewijzen dat liefde klasse kon overstijgen en door haar te verlaten had mijn vader, volgens haar, iedereens gelijk bewezen. Ze zei me altijd: "Je moet een liefje zoeken binnen je eigen klasse. Je vader en ik kwamen uit verschillende werelden. En je ziet: toen we uit elkaar gingen, is hij teruggekeerd naar waar hij vandaan kwam."

Mijn moeder was zich van geen kwaad bewust toen ze die woorden uitsprak, maar veertig jaar nadat ze elkaar hadden leren kennen, brak het mijn vader alsnog. Want hoewel ze het niet zo bedoelde, wat ze eigenlijk zei, was dit: "Je was nooit goed genoeg. Hoe hard je ook hebt gewerkt, hoeveel je ook hebt verdiend; je blijft dat kleine jongetje dat geen snoep mocht kopen omdat zijn moeder schulden had. Je blijft dat kind in die versleten kleren op het schoolplein."

Het bevestigde elke angst die hij altijd met zich had meegedragen. "Dat iemand als jij mij ziet zitten," had hij haar in hun prille jaren vol ongeloof gezegd. In het begin durfde hij haar niet mee naar huis te nemen. Hij durfde niets over zijn familie te vertellen, bang dat zijn afkomst haar zou afschrikken. De agressie die later in mijn vader naar boven kwam, kwam voort uit een bodemloze schaamte. De angst om niets waard te zijn.

Want als je uit de lagere klassen komt, is dat wat je je hele leven te horen krijgt. "Je bent het niet waard. Je bent dom. Je bent lui." Je behoort tot de mensen waar we op zijn best medelijden mee hebben. Klassediscriminatie zit verankerd in onze taal en in onze hoofden. Kijk naar de lessen die we onze kinderen onbewust voeden. We willen niet dat ze op school met 'hen' omgaan. Arme kinderen zijn steevast de "slechte vrienden"; de kinderen die roken, vechten of stelen. We waarschuwen onze kinderen ervoor dat ze niet zoals hen mogen worden. Studeer maar goed, anders moet je nog achter de vuilkar lopen of in een fabriek staan. Zo mag je niet eten, dan eet je als een boer. Die kleren mag je niet aan, dan kleed je je als het werkvolk.

Arme kinderen zijn steevast de "slechte vrienden"

We lachen met hen in onze cultuur: De helaasheid der dingen, de familie Flodder, de reality-tv-shows. We lachen met hun woordenschat en uitspraken, met hoe ze zich kleden, met hoe ze zich gedragen. We lachen met hun namen, hun kapsels en hun muzieksmaak. We lachen met hoe ver ze gaan om de geldprijs te winnen. We laten ze eens een dagje rijk zijn om eens te kijken hoe ze reageren. We kijken naar de video's van daklozen die een 'make-over' krijgen van influencers die er vooral veel likes en kijkcijfers mee genereren.

Maar de daklozen die we op straat voorbijlopen, die negeren we. Draai je hoofd de andere kant op. Straks vragen ze nog om wat kleingeld. Straks moet je met hen praten. Toen ik een dakloze vriend die mijn boek wilde lezen een exemplaar gaf, schreef ik op de eerste pagina: Bedankt voor je vriendschap en wijsheid. Hij was met verstomming geslagen. "Dat heeft nog nooit iemand tegen me gezegd." Het is de realiteit van velen onderaan de ladder. Je bent geen mens. Je bent onze aandacht zelfs niet waard.

Schaamte en zelfhaat

In 2023 schreef de Nederlandse onderzoeker Cody Hochstenbach In schaamte kun je niet wonen over de psychologische ravage van de wooncrisis. Daarin beschrijft hij hoe zijn alleenstaande vader in de jaren 2000 dakloos werd door een samenloop van omstandigheden. Twee jaar lang sliep hij op straat. Hij verloor zijn vrienden en zijn familie schaamde zich voor hem. Zelfs Hochstenbach zelf werd met deze schaamte besmet. Hij beschrijft de angst wanneer hij met zijn vader een café binnenstapt: "Ik was bang dat de barman van op een afstand mijn vaders dakloosheid kon ruiken." Volgens Hochstenbach werd de dakloosheid van zijn vader zijn enige overgebleven identiteit. Het verving alles wat hij daarvoor was geweest. En daarmee werd hij verontmenselijkt, iemand die genegeerd en minderwaardig behandeld mag worden.

Hier zie je de parallel: klassisme heeft een vergelijkbare psychologische impact als racisme, seksisme of homofobie. Het is een vorm van onderdrukking die diep onder de huid kruipt en je identiteit reduceert tot je sociale status.

In Zwarte huid, witte maskers beschrijft de Frans-Martinikaanse psychiater Frantz Fanon hoe onderdrukking - in zijn geval kolonialisme en racisme - van binnenuit bezit van je neemt. Hij schetst hoe zwarte kinderen opgroeien in een dominante, witte cultuur. Ze kijken naar films over Tarzan of cowboys. Ze identificeren zich vanzelfsprekend met de held, de witte man. Pas door de harde reacties van hun omgeving beseffen ze de bittere realiteit: zij zijn in dit verhaal niet de held. Zij zijn de 'wilde', de indiaan, de bruut. De ongeciviliseerde waar op gejaagd wordt.

Ook Amerikaans schrijver James Baldwin beschrijft in zijn werk hoe diep die onderdrukking vreet. Het resultaat is een minderwaardigheidscomplex en pure zelfhaat. Je probeert koste wat kost te assimileren; je verfoeit je eigen identiteit - in dit geval je zwart zijn - in de hoop dat de dominante cultuur je eindelijk als volwaardig mens ziet. Maar dat is een illusie. Het is onmogelijk.

Maar wat als je wel dezelfde huidskleur hebt als de rest? Is sociale mobiliteit dan niet gewoon een kwestie van aanpakken? Zorg voor wat meer geld op je rekening en je klimt naar de volgende trede. Maar ook hier is de realiteit complexer dan dat.

De zelfgemaakte mens

In zijn boeken Weg met Eddy Bellegueule en vooral Veranderen: Methode beschrijft de Franse auteur Édouard Louis de brute strijd om klassebarrières te doorbreken. Als een jongen die op jongens viel, wilde hij kost wat kost ontsnappen uit het arme gezin in Noord-Frankrijk waar hij opgroeide. Want voor minderheden is opgroeien in de lagere klasse vaak een hel; racisme, seksisme en homofobie nemen er een explicietere, rauwere vorm aan. Uiteindelijk lukt het hem om door te dringen tot de Parijse elite en een gevierd schrijver te worden. Maar de prijs was hoog: hij moest een compleet nieuwe identiteit aannemen. Louis stelt dat klasse in alles zit. Het zit in hoe je denkt, hoe je je gedraagt en hoe je spreekt. Het zit in je dialect, je kleding, wat je leest en zelfs in wat je eet. Als het je lukt om van klasse te wisselen, moet je jezelf daarvoor eerst volledig uitwissen.

Voor mij was dat ook pijnlijk herkenbaar. Toen ik op mijn negentiende naar de kunstacademie trok, belandde ik in een wereld die me op veel vlakken vreemd was. Er werd een andere taal gesproken. Fysieke kracht deed er niet meer toe; intellectuele capaciteit was de nieuwe munteenheid. Alles werd uit de kast gehaald om zo gewichtig mogelijk te klinken. Elk werk, elke sculptuur en elk schilderij was plots een 'onderzoek' dat in de meest complexe filosofische termen moest worden verantwoord. In een mum van tijd timmerde ik aan een nieuwe identiteit. Ik camoufleerde mijn West-Vlaamse tongval tot ik onherkenbaar anders sprak. Ik loog over de boeken die ik had gelezen en de films die ik had gezien. Ik deed alsof ik de kunst en de theorie begreep, terwijl ik in werkelijkheid na drie zinnen in een filosofische tekst al afhaakte.

Aan de kunstacademie timmerde ik in een mum van tijd aan een nieuwe identiteit

En impliciet én expliciet werd me dat ook voortdurend verteld. Ik was twee jaar ouder dan mijn medestudenten omdat ik 'gedubbeld' had. Ik werkte vier nachten per week in een café om mijn studiekosten te betalen. Vaak ging ik rechtstreeks van mijn shift naar de les, waar ik uitgeput in slaap viel. De docenten gaven me opnieuw het label: lui. Het bevestigde het beeld dat ik van mezelf had. Hoe hard ik ook vocht, ik bleef in hun ogen die luie, domme student die er de kantjes van afloopt. "De school kan niet met alles rekening houden," werd me verteld.

Opnieuw faalde ik in mijn eerste jaar. Omdat de situatie onhoudbaar was, stapte ik naar het OCMW voor een leefloon. Het bracht stabiliteit, maar onderwierp me ook aan een vernederende controle door goedbedoelende, maar betuttelende sociaal werkers. "Leg eens uit: hoe arm ben jij precies?" Of vrij vertaald: "Hoe mislukt is jouw familie eigenlijk?"

Sticky Floors and Sticky Ceilings

De meritocratie leert ons dat we zelf verantwoordelijk zijn voor onze omstandigheden. Maar is dat wel zo?

In 2018 publiceerde de OESO een rapport over sociale mobiliteit dat de vinger op de zere plek legt met een treffende term: Sticky Floors and Sticky Ceilings. Het betekent simpelweg dat wie onderaan de ladder wordt geboren, daar meestal de rest van zijn leven vastgepakt blijft zitten aan een plakkerige vloer. En wie aan de top wordt geboren? Die wordt beschermd door een plakkerig plafond dat hem tegenhoudt om ooit te vallen.

Het is wat we noemen de "bescherming van privileges": een waterdicht systeem van structurele en informele mechanismen die ervoor zorgen dat de elite de elite blijft.

Een waterdicht systeem zorgt ervoor dat de elite de elite blijft

Ten eerste is er het sociaal kapitaal. De wereld van het ons-kent-ons. Kinderen uit de rijkste 20% krijgen via hun ouders niet alleen een opvoeding, maar ook een gouden sleutel tot netwerken, stageplaatsen en mentoren. Ze zijn welkom in de juiste studentenclubs en serviceclubs, waar rijke families voortdurend aan kruisbestuiving doen. Denk maar aan de zaak-Reuzegom: studenten met ouders in de politiek en advocatuur die met een lichte straf wegkwamen na een dodelijk incident. Dat is het netwerk aan het werk.

Daarnaast heb je het culturele kapitaal. De ongeschreven codes. Weten welke studie status geeft, hoe je je moet gedragen in een directiekamer, of welke toon je moet aanslaan bij een sollicitatie. Mensen uit de lagere klasse voelen zich daar altijd een buitenstaander. Het is een onzichtbare drempel; je zou kunnen zeggen dat je zelfvertrouwen simpelweg van je ouders erft.

En dan, uiteraard, het economisch kapitaal. In België heerst een diepe cultuur van schenkingen en vastgoed doorgeven. Wie uit de bovenklasse komt, hoeft vaak niet te lenen voor een huis. Hun besteedbaar inkomen is direct hoger, hun ruimte om risico's te nemen - zoals een eigen zaak starten - is vele malen groter. Ze hebben toegang tot fiscaal advies om vermogen slim buiten de erfbelasting te houden. Omdat de top zo 'plakkerig' is, ontstaat er een verdringingseffect: er zijn maar een beperkt aantal topposities, en die worden bezet door de mensen die er simpelweg geboren zijn. Zelfs met dat felbegeerde universitaire diploma op zak, sta je als arbeiderskind nog mijlenver achter op je klasgenoot wiens vader al aan de top van dat vakgebied stond.

Aan de uiteinden van de kloof

Wat me altijd opvalt: hoe rijker je bent, hoe goedkoper het leven wordt. "Er is geen geld," zeggen we over de onderkant. Aan de bovenkant klotst het tegen de plinten. Daar rijd je met een bedrijfswagen met tankkaart, ga je eten op de zaak, worden je reisjes betaald en logeer je in het buitenverblijf van een vriend. Je schuift aan bij VIP-events aan de champagnetafel zonder ooit je portefeuille te trekken, en je gaat nog naar huis met een goodiebag. Je kent de mensen op de juiste plaatsen die je een vriendendienst verlenen.

Omgekeerd kost armoede waanzinnig veel geld. Als je geen geld hebt voor een diepvries, kun je geen voorraad inslaan en mis je elke korting. Als je geen wasmachine kunt betalen, ben je 10 euro per wasbeurt kwijt in de wasserette. Je leeft in goedkopere woningen die vaak in slechtere staat zijn en dus naslag hebben op je gezondheid. Armoede dwingt je om alleen aan vandaag te denken; er is geen ruimte voor de luxe van de lange termijn.

Maar het gaat verder dan de bankrekening. Publicist Tim 'S Jongers haalt in zijn boek Armoede uitgelegd aan mensen met geld studies aan over hoe armoede, honger en stress je gezondheid - en die van je nageslacht - tekenen. In Zweden werd aangetoond dat als je grootvader honger leed, jij een grotere kans hebt om te sterven aan kanker. Kinderen van arme moeders hebben als volwassene twee keer zoveel kans op een plots overlijden. Uit onderzoek naar de Nederlandse Hongerwinter (1944-1945) bleek dat ondervoeding tijdens de zwangerschap blijvende schade aanricht aan het hart, de bloedvaten en zelfs de hersenen. Deze mensen kampten later vaker met depressies, verslavingen en werkloosheid.

Wie opgroeit in de lagere klasse, groeit vaker op met chronische stress, huiselijk geweld en de rauwe nabijheid van verslaving. Het is een ongelijkheid die zich tot in onze cellen nestelt. In België is de kloof hallucinant: wie een laag opleidingsniveau heeft, leeft gemiddeld 18 tot 20 jaar minder in goede gezondheid dan wie een hoog diploma bezit. Twintig jaar. Dat is een vijfde van een mensenleven dat simpelweg verdampt door de plek waar je wieg stond. Het is geen toeval dat de lichamen van de werkende klasse sneller opgeven; ze zijn decennialang opgebrand door het fysieke werk en de overlevingsmodus die wij 'flexibiliteit' noemen. In België duurt het gemiddeld vier tot vijf generaties - dat is 100 tot 150 jaar - voordat een kind uit de onderste 10% het gemiddelde nationale inkomen bereikt.

Predikers van de eigen verantwoordelijkheid

Dit is geen sociale ladder maar een sociale klif. De marxistische filosoof Mark Fisher noemt dit de "privatisering van stress". In onze kapitalistische maatschappij kijken we niet langer naar de structurele fouten of politieke keuzes, maar wijzen we met de vinger naar het individu. Faal je? Dan is dat jouw schuld.

Dit is geen sociale ladder maar een sociale klif

Het hele concept van 'sociale mobiliteit' is de lijm die dit systeem legitimeert. Als er ook maar een fractie van een kans bestaat dat één iemand uit de goot miljonair wordt, dan wordt dat succesverhaal ons door de strot geduwd als het ultieme bewijs dat het systeem werkt. Als je maar braaf leeft volgens de regels van God de Vader, mag je naar de hemel.

Zelfs de rijksten ter wereld laten ons graag geloven dat ze het product zijn van sociale mobiliteit. Steve Jobs en Bill Gates die in de garage van hun ouders aan computers sleutelden; Elon Musk beweert dat hij zijn eerste jaren als ondernemer op zijn kantoor sliep. Ze danken het aan hun 'doorzettingsvermogen', zeggen ze. Maar ze vertellen er niet bij hoe groot die garages waren, hoe diep de zakken en hoe uitgebreid de netwerken van hun families waren. Ze vertellen niet dat Gates' moeder een prominente zakenvrouw was die in de raad van bestuur zat van de First Interstate Bank in Los Angeles en het hoofd was van United Way, een non-profit fondsenwervingorganisatie waar ze direct contact had met de CEO van IBM. Het bedrijf dat later Microsoft zou lanceren. Ze vertellen je niet dat Elon Musks vader investeringen had in Emeraldmijnen in Zambia en wat dat dan betekende in de jaren 1970 in Apartheid Zuid-Afrika. Ik herinner me nog een artikel niet zo lang geleden waarin Musks moeder, Maye Musk, geïnterviewd werd over hoe ze erin geslaagd was om drie succesvolle kinderen op de wereld te zetten. Kan jij het raden?

Maar ook dichter bij huis wordt het riedeltje vaak herhaald. Het is je eigen verantwoordelijkheid, hoor je bij partijen als N-VA en Anders. Zelfs Conner Rousseau van Vooruit sprak rond het uitbrengen van zijn autobiografie dat hij het van afwasser naar partijvoorzitter geschopt heeft omdat hij ooit eens afgewassen had bij een studentenjob. Alsof het hem niet geholpen heeft dat zijn moeder een prominente politica was binnen de socialistische partij. "Het is niet je afkomst die belangrijk is, wel je talent en toekomstplannen," tweette Jan Jambon in 2022 bij de aankondiging van de Fayat Beurzen, die het mogelijk maken voor toekomstige Vlaamse 'captains of society' die reeds een master hebben behaald om een extra opleiding te volgen aan een dure gerenommeerde buitenlandse universiteit. Het is veelzeggend in wie onze politieke elite investeert, terwijl de sociale voorzieningen voor de mensen onderaan de piramide genadeloos worden wegbezuinigd.

Waarom besparen onze regeringen keer op keer op de onderste lagen uit onze maatschappij?

Maar waarom besparen onze regeringen keer op keer op de onderste lagen uit onze maatschappij? Wouter Jambon, de zoon van Jan, was daar tien jaar geleden pijnlijk eerlijk over. Toen de Vlaamse regering in 2014 het inschrijvingsgeld voor het hoger onderwijs verhoogde, zei hij: "Als dat voor meer kwaliteit en een zekere elitevorming kan zorgen, dan lijkt me dat goed." Hij voegde er nog snel aan toe dat andere jobs "niet minderwaardig" zijn. Gelukkig voor Wouter zal hij nooit 'andere jobs' moeten doen want het geluk wil dat hij in het nest van de elite geboren werd.

Waarom haal ik de politiek erbij? Omdat ik niet geloof dat de oplossing ligt bij het individu dat maar harder moet klimmen om te ontsnappen aan een leven van rauwe miserie. Édouard Louis eindigt zijn boek Ze hebben mijn vader vermoord met een frontale aanval op de Franse overheid. Hij stelt dat zijn vader niet vroegtijdig stierf door individuele keuzes, maar dat hij het slachtoffer was van een bewust systeem waarin een kleine elite de vruchten plukt op de lijken van de armen.

We hebben een maatschappij nodig waarin ongelijkheid niet langer dit gewicht heeft. Een plek waar we onze kinderen niet langer waarschuwen dat ze 'achter de vuilniskar' eindigen als ze niet studeren. Weet je wat er gebeurt als vuilnismannen stoppen met werken? In 1968 legden de vuilnismannen van New York negen dagen het werk neer. De noodtoestand werd uitgeroepen; 100.000 ton vuilnis stapelde zich op in de straten. Dát is het werk van de mensen op wie we neerkijken. Zonder de verpleegkundigen, de kassiers, de bouwvakkers en de treinbestuurders stort deze hele maatschappij in elkaar.

"Jij bent toch ontsnapt?"

Mijn vader is vandaag zestig jaar. De meeste van zijn vrienden zijn ondertussen gereduceerd tot doodskaartjes op zijn kast. Elke dag sleept hij zijn gebroken lichaam naar zijn werk bij een dakwerkersbedrijf dat gespecialiseerd is in de recuperatie van oude dakmaterialen en wiens klanten veelal mensen zijn die diep in de buidel kunnen tasten. Daar beklimt hij de sociale ladder naar de daken van de kastelen van miljonairs die even oud zijn als zijn zoon. Mensen die een leger aan personeel hebben om hun leven te regelen, maar die naar mensen als mijn vader wijzen en zeggen dat ze "zelfredzaam" moeten zijn.

"Jij bent toch ontsnapt?", vragen mensen me dan. Een denker wist me ooit te zeggen dat ik uit mijn klasse gesublimeerd ben. Ja, ik heb hard gewerkt. Maar was het niet van de honderdenduizenden mensen, wier namen en gezichten ik nooit zal kennen, die tegen alle verwachtingen in met alle angst en moed van gewone mensen gestreden hebben voor de rechten die ik nu vandaag heb, dan was er geen onderwijs voor mij geweest. Dan was er geen cultuur voor mij geweest. Dan had ik hier nooit gestaan.

 

SAMPOL ONLINE

40€/jaar

  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
Meest gekozen 

SAMPOL COMPLEET

50€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
 

SAMPOL STEUN

100€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
  • Je krijgt een SamPol draagtas*
 

SAMPOL SPONSOR

500€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
  • Je krijgt een SamPol draagtas*