Abonneer Log in

Vergrijzing van de samenleving: een positieve aanpak is nodig

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 8 (oktober), pagina 8 tot 16

Het overleg niet verknoeien nog voor het begonnen is

De publicatie van de vrije tribune van Frank Vandenbroucke en Johan Vande Lanotte in De Standaard van 3 januari 2004 was niet alleen een baanbrekende bijdrage in het debat over de vergrijzing, het leidde ook tot concrete afspraken over de aanpak. Later in het jaar werden er tussen de toenmalige minister van Werk en Pensioenen en de sociale gesprekspartners afspraken gemaakt over een werkmethode om het debat grondig aan te pakken. Er werd overeengekomen dat de Hoge Raad voor Werkgelegenheid, de Hoge Raad voor Financiën en de Studiecommissie voor de Vergrijzing voorbereidend studiewerk zouden verrichten. De minister gaf de sociale gesprekspartners zelfs de kans om het studieobject mee in te vullen.
Inmiddels werd deze werkmethode doorkruist door een aantal ongelukkige initiatieven. In de eerste plaats door het VBO, dat door de publicatie van een zgn. masterplan duidelijk voor zijn beurt meende te moeten spreken. In plaats van eerst na te gaan of een gemeenschappelijke evaluatie van de afgesproken studierapporten mogelijk was, verkoos het VBO de vlucht vooruit door een agressieve eisenbundel op tafel te leggen die neerkomt op een pleidooi voor een verlaging van de arbeidskosten en voor goedkoper ontslag. Toch was dit plan, zoals sommige waarnemers terecht stellen, een voltreffer op het vlak van de perceptie. Het versterkte de angst bij een deel van de bevolking over de betaalbaarheid van de toekomstige pensioenen en het moedigde een aantal commentatoren aan om, niet gehinderd door teveel dossierkennis, te pleiten voor ‘moedige’ beslissingen. Indien de rapporten van de specialisten grondig gelezen worden zal men nochtans merken dat hun visie veel genuanceerder is dan de onheilsboodschappen die op de bevolking worden losgelaten.
De voorwaarden voor een serene aanpak van het debat zijn vandaag wel ver weg. En het dreigt nog erger te worden. Als reactie op de verkiezingsuitslag van 13 juni wil de Premier aantonen dat hij wel nog de baas is van een slagvaardige federale regering. Hij wou eerst sneller dan voorzien met een beleidsverklaring naar het Parlement stappen. Maar dat is hem niet gelukt. Het grote maatschappelijke debat riskeert helemaal gehypothekeerd te worden door het aankondigen van belangrijke maatregelen die thuishoren in het vergrijzing- en eindeloopbaandebat. Het gevaar bestaat dat kortetermijnbeleid (uitwerking moeilijke begroting 2005 en herstel evenwicht in de sociale zekerheid) en langetermijnbeleid (vergrijzing en eindeloopbaan) elkaar doorkruisen en zo de kansen op constructief sociaal overleg definitief verknallen. Als men hervormingen wenst door te voeren die een trendbreuk inzetten, zal dat pas redelijke kansen op slagen hebben als ze op een voldoende sociaal draagvlak kunnen steunen. Om hierin te slagen is niet alleen de inhoud maar ook de aanpak belangrijk.

Een positieve aanpak is nodig

De grote budgettaire krijtlijnen waarbinnen het vergrijzingdebat zich zal afspelen zijn gekend. De kost van de vergrijzing zal beginnen opklimmen vanaf 2010 om 3,4% van het BBP te bereiken in 2030. Er moeten dus keuzes gemaakt worden om van deze uitdaging een succes te maken. In de eerste plaats moet dit debat dus op een positieve en correcte manier worden gevoerd. Het mag dus niet in het teken van sociale afbraak geplaatst worden en het moet zoeken naar nieuwe sociale accenten, aangepast aan de nieuwe noden. De vergrijzing is geen probleem! De langere levensverwachting is het resultaat van de inspanningen van de voorbije generaties voor betere arbeidsomstandigheden, voor betere gezondheidszorg, voor betere huisvesting, voor sterkere economische ontwikkeling… Het vooruitzicht op een langer leven mag dus geen bron van angst worden noch een middel om ongewenste maatschappelijke hervormingen door te drukken.
Laat ons kijken naar voorbeelden uit andere landen. Finland wordt meestal als voorbeeld geciteerd voor een globale aanpak van de eindeloopbaanproblematiek. Zoals in de andere Scandinavische landen, die best scoren inzake tewerkstelling én sociale zekerheid, werd daar veel aandacht besteed aan het sociaal overleg. Tussen 1990 en 2000 werd de gemiddelde leeftijd waarop men stopt met werken aldus verhoogd van 58,2 naar 59,3 jaar. Deze - beste - resultaten tonen alvast aan dat geen plotse omslag mogelijk is. Het gaat om gedegen en sociaal gedragen werk op lange termijn.
België heeft - in tegenstelling tot onze buurlanden - de vergrijzing al geruime tijd voorbereid. De aanhoudende inspanning tot afbouw van de overheidsschuld, de belangrijke pensioenhervormingen van 1991 en 1997 waardoor België vandaag al minder uitgeeft aan pensioenen dan andere landen (11,2% BBP tegen 12,8% in het Europa van de 12), de oprichting van het Zilverfonds en de wet op de aanvullende pensioenen maken dat België beter voorbereid is dan andere landen op de demografische ontwikkelingen en dat we dit tot nog toe in overleg hebben kunnen doen. De pensioenhervorming van 1997 zorgde ervoor dat alle loontrekkenden 45 jaar loopbaan moeten hebben om een volledig pensioen te krijgen.

Het eindeloopbaandossier is explosief. In onze buurlanden zijn er recent zware sociale conflicten geweest tegen wat in België al sinds jaren, en in veel verdere mate, doorgevoerd werd. Zo wordt in Italië terug gesproken van een algemene staking omdat men tegen 2008 een vereiste van 40 loopbaanjaren wil invoeren. In Frankrijk werd gestaakt omdat de ambtenaren van 37,5 naar 40 loopbaanjaren moeten tegen 2008, en omdat alle loontrekkenden tegen 2020 42 loopbaanjaren moeten hebben voor een volledig pensioen. Volgens de allerlaatste gegevens (Eurostat 8/2004) besteedt België dan ook veel minder aan pensioenuitgaven.

Dat de vroegere pensioenhervormingen in België in overleg met de sociale partners konden ingevoerd worden, moet een les zijn voor de aanpak van het najaarsdebat. Bij de uitwerking van de wet op de tweede pensioenpijler stonden we voor een moeilijke opdracht. Vóór de invoering van de nieuwe wet waren de vakbonden wantrouwig, zelfs vijandig tegenover de tweede pensioenpijler. Deze werd immers door financiële instellingen en verzekeringsmaatschappijen opgevoerd als het enige alternatief om de financiering van de toekomstige pensioenen betaalbaar te houden, waarbij overigens in één adem extra fiscale stimuli voor de uitbouw van een tweede en derde pijler gevraagd werden. De concrete organisatie van de tweede pijler werd door de werkgevers als hun actiedomein beschouwd en alle middelen werden aangewend om te verhinderen dat vakbonden hierover konden onderhandelen. Dit leidde tot toenemende ongelijkheden tussen werknemers omdat aanvullende pensioenen er vooral waren voor de best betaalden, voor de bedienden en nauwelijks voor de arbeiders, vooral voor werknemers uit grote ondernemingen en niet voor deze uit de KMO’s. Voorafgaand overleg leidde zo tot de uitwerking van een wetgeving die een trendbreuk inzette. En er ontstaan nu mogelijkheden om meer solidaire regelingen op te zetten waarbij de vakbonden volop hun rol kunnen spelen en waarbij het stelsel via sectorale CAO’s ook toegankelijker wordt voor zwakkere groepen. Er werden ook waarborgen gegeven dat de tweede pijler niet als alternatief voor het wettelijk pensioen gezien wordt maar als een aanvulling die de inkomensval na de actieve loopbaan voor een stuk moet dichten. Er werden politieke waarborgen gegeven dat het wettelijke pensioen niet alleen gewaarborgd wordt, maar in de toekomst ook blijvend moet verbeterd worden. Dit nieuwe evenwicht zorgde voor een breed maatschappelijk draagvlak voor de uitbouw van de tweede pijler, een draagvlak dat voordien niet bestond. De vakbonden ondertekenden samen met de werkgevers en met de Minister van Pensioenen een verklaring waarin de sectorale onderhandelaars opgeroepen werden om sectorale CAO’s over de aanvullende pensioenen af te sluiten.
Hoewel de uitvoeringsbesluiten van de wet op de aanvullende pensioenen pas in december 2003 gepubliceerd werden, zijn er al verschillende sectoren die er een CAO over afsloten en bij verschillende andere wordt de mogelijkheid voor een CAO bestudeerd. In het komende eindeloopbaandebat moet ook gezocht worden naar het uitwerken van zulk sociaal draagvlak.

Geen paniek maar ook geen immobilisme

De rapporten van de studiecommissie voor de vergrijzing tonen aan dat de uitdaging beheersbaar is. Toch zijn enkele kanttekeningen nodig bij de eerder geruststellende conclusies van de studiecommissie.

Welvaartsvastheid

Om te beginnen hanteert de vergrijzingcommissie voorzichtige hypothesen voor de berekening van de welvaartsvastheid van de uitkeringen (0,5%). Wij zouden hier ambitieuzer willen zijn en de vervangingsinkomens beter laten mee-evolueren met de loonontwikkeling. Hier zijn goede argumenten voor. Het gemiddelde pensioen van een werknemer bedraagt in België 607 euro per maand. Dit is weinig, ook in vergelijking met andere West-Europese landen.
Het is dus een goede zaak dat de regering beslist heeft om vanaf het najaar 2006 een onderhandelingsmechanisme op te starten over tweejaarlijkse aanpassingen van de uitkeringen en de berekeningsplafonds aan de ontwikkeling van de reële lonen. Naarmate deze welvaartsaanpassing meer aansluit bij de effectieve stijging van de lonen verhoogt dit uiteraard de kostprijs van de vergrijzing in vergelijking met de voorspellingen van de vergrijzingcommissie.

1/ Europese norm: minder dan 60% van het mediaan inkomen.
2/ Het gaat hier over het netto beschikbaar inkomen, gestandardiseerd per persoon in het gezin (eerste volwassene telt voor 1, tweede volwassene voor 0,5, kinderen voor 0,3). Er wordt geen rekening gehouden met inkomen uit vermogen of het feit dat men zijn huis bezit.
3/ Rapport conjoint de la Commission et du Conseil, EU-15.

Gezondheidszorg

Een van de meest prangende problemen is een betere beheersing van de uitgaven voor de gezondheidszorg. De studiecommissie voor de vergrijzing en het Planbureau rekenen met een jaarlijkse reële groei van 2,8% in de gezondheidszorg. Vandaag is de uitgavengroei echter 4,5%. Aangezien alle bijkomende gezondheidsuitgaven voor alle Belgen bijna uitsluitend (voor 94%) ten laste gelegd worden van de sociale bijdragen van de werknemers van de privésector, slorpt deze sector een toenemend aandeel van de uitgaven in het werknemersstelsel op (van 24,5% van de uitgaven in 1980 naar bijna 40% vandaag). Dit gaat onvermijdelijk ten koste van de sociale uitkeringen.

Het lijkt dus onvermijdelijk dat er zal moeten worden gezocht naar structurele maatregelen om misbruiken en overconsumptie in gezondheidszorg uit te schakelen, ook al om het behoud van de kwaliteit en de toegankelijkheid voor allen te kunnen waarborgen. Dit leidt wel tot een belangrijke vaststelling: terwijl in het vergrijzingdebat de nadruk vooral gelegd wordt op de betaalbaarheid van de pensioenen en brugpensioenen, moet men zich afvragen of de werkelijke uitdaging niet de beheersbaarheid van de uitgaven voor gezondheidszorg is.

Werkgelegenheidsgraad

Derde kanttekening: de commissie gaat er ook vanuit dat de werkgelegenheidsgraad zal stijgen tijdens de komende jaren waardoor de vergrijzingfactuur gemakkelijker te betalen wordt. Hier moet echter nog veel gebeuren. De vraag is alleen hoe. Het is juist dat de verhoging van de werkgelegenheidsgraad een belangrijke voorwaarde is om de sociale zekerheid in de toekomst veilig te stellen. Als we meer welvaartsvastheid willen toekennen dan vandaag, zouden zelfs ambitieuzere resultaten moeten worden geboekt dan die uit het basisscenario van de Commissie voor de Vergrijzing. We weten ook dat de werkgelegenheidsgraad vandaag laag ligt in België, zeker bij de oudere werknemers en dit terwijl het belang van deze groep binnen de actieve bevolking de komende jaren steeds maar zal toenemen. Tussen 2003 en 2010 zal de bevolking op werkende leeftijd nog toenemen met ongeveer 160.000 eenheden. Maar tegelijk zal het aandeel van de leeftijdscategorie met de hoogste werkgelegenheidsgraad (25 tot 54 jaar) dalen van 65,3% in 2003 naar 62,6% in 2010.
De groep oudere werknemers (+ 55) stijgt van 16,2% in 2003 naar 18,9% in 2010, hetzij een toename met 213.000 personen. Tegen 2030 zal de bevolking met 600.000 personen toenemen, maar die op arbeidsleeftijd zal met 200.000 eenheden dalen. Het aandeel van de 55+ in de bevolking op arbeidsleeftijd zal toenemen. Indien van deze laatste groep slechts een even groot aandeel zou blijven werken als nu zou het aantal werkenden tegen 2010 met 30.000 eenheden en tegen 2030 met 300.000 afnemen. Daarom moeten er wel échte kansen op meer werkgelegenheid worden gecreëerd.
In het vergrijzingdebat worden een aantal zaken vergeten en we willen ze graag in herinnering brengen.

Meer werkgelegenheid kan niet uitsluitend geregeld worden door arbeidsmarktbeleid

Er wordt te vlug vergeten dat de Europese doelstelling om de werkgelegenheidsgraad tegen 2010 gemiddeld op 70% te brengen, afhankelijk was van een ander streefdoel, nl. om in diezelfde periode een economische groei van gemiddeld 3% te realiseren. Behalve in 2000 is dat percentage echter altijd onder de 1% gebleven. De noodzaak om een Europese strategie voor duurzame groei op te zetten is dus zeker een noodzakelijke voorwaarde om de uitdaging van de vergrijzing succesvol aan te pakken. Het is immers een illusie te denken dat een actiever opvolgen van de werklozen volstaat voor de creatie van voldoende werkgelegenheid, net zomin als het beleid van lastenverlaging volstaat.
Het Europese beleid moet hier dringend worden bijgestuurd. Daarom moet - zoals de OESO aanbeveelt - het monetair beleid worden versoepeld. Daarom moet er een discussie komen over een intelligentere toepassing van het stabiliteitspact. Dat is mogelijk door niet alleen naar het tekort te kijken, maar het tekort in relatie te brengen met de omvang van de schuld. Europa moet de ‘gulden regel’ toepassen. Bij een verzwakkende economische groei moet meer aandacht gaan naar de kwaliteit van de uitgaven en een oplopend tekort moet kunnen op voorwaarde dat de schuld laag is. Er moet ruimte komen om meer te investeren in werkgelegenheid, in onderzoek, in onderwijs, in infrastructuur, in nieuwe duurzame en innoverende activiteiten. Investeringen die op duurzame groei gericht zijn, worden dan over meerdere jaren afgeschreven.
Als we erin slagen een hoge en duurzame groei te organiseren, dan moet men er uiteraard wel voor zorgen dat - zeker op langere termijn - de groei niet wordt afgeremd door een te laag arbeidsaanbod. Na 2010 zal het arbeidsaanbod effectief dalen door de vergrijzing van de bevolking. Het is daarom inderdaad nodig om te sleutelen aan een beleid dat aan zoveel mogelijk mensen, ook aan de allochtone bevolking, kansen geeft om zich in te schakelen in de arbeidsmarkt.

Een aangepaste financiering van de sociale zekerheid

De verhoging van de werkgelegenheidsgraad kan ook gesteund worden door een tewerkstellingsvriendelijker financiering van de sociale zekerheid. Dit debat kan niet uitgesteld worden. Het is immers niet houdbaar dat sociale uitgaven die de hele bevolking dekken, bijna uitsluitend door sociale bijdragen van de werknemers uit de privésector worden gefinancierd. Dit is het geval voor bijvoorbeeld de gezondheidssector, waarvan de uitgaven sinds 1999 met 4,4 miljard euro (+37%) gestegen zijn, en waarvan de stijgende kost - die voor de hele bevolking geldt - voor liefst 94% gedragen wordt door het werknemersstelsel van de privésector. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de ten laste neming van de solidariteitskost voor de niet verzekerden: de integrale kost van de gewaarborgde kinderbijslag, de wachtuitkeringen, de minima voor invaliden die als werknemer niet verzekerd zijn, de gezondheidszorg van alle niet-verzekerden enz.
Een eerste besluit is dat de financiering van de sociale zekerheid niet langer in dezelfde mate als vandaag door de sociale bijdragen kan gedragen worden. België is het land in Europa waar de sociale uitgaven verhoudingsgewijs het meest door sociale bijdragen betaald worden. De nodige bijkomende inkomsten zullen dus elders moeten worden gezocht.

Een overheid die verder denkt dan de volgende verkiezingen

We weten van de vergrijzingscommissie dat de kost van de vergrijzing nog net financierbaar zal zijn onder drie voorwaarden: de verdere afbouw van de overheidsschuld; een groeiritme van de gezondheidsuitgaven dat op termijn lager zal moeten liggen dan het huidige groeiritme en uitkeringen die de welvaartsvastheid niet volledig volgen. Als we willen dat de effecten van de vergrijzing niet leiden tot een zekere erosie van de sociale uitkeringen dan zullen er meer middelen moeten gevonden worden om de gewenste sociale verbeteringen te financieren. Dit betekent dat men niet blijvend kan doorgaan met het verlagen van de globale belastingdruk zeker als men weet dat er ook nog andere noden zijn: voor de verbetering van de mobiliteit, voor de modernisering van de infrastructuur, voor performante overheidsbedrijven, voor de bescherming en verbetering van het milieu…
Het kan een aanmoediging zijn te beseffen dat de hoge belastingdruk in landen zoals Zweden, Denemarken en Finland geen hinderpaal vormt voor goede tewerkstellingsresulstaten. Integendeel, deze landen leveren de beste resultaten, zoals de Hoge Raad voor Werkgelegenheid terecht opmerkt.

Bron: Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, verslag 2004 blz. 217.

De verlenging van de beroepsloopbaan is geen wondermiddel

We zijn het er helemaal mee eens dat het veiligstellen van de toekomstige financiering van onze sociale zekerheid niet alleen een kwestie van schuldafbouw is en van meer en rechtvaardiger financiering, maar ook van meer jobs. Het is echter fout om alle aandacht toe te spitsen op de lage werkgelegenheidsgraad bij oudere werknemers en zo de indruk te wekken dat alle problemen opgelost worden door hun werkgelegenheidsgraad in snel tempo te verhogen. De inactiviteitsgraad bij de laaggeschoolde vrouwen, bij allochtonen en - vandaag opnieuw - bij de jongeren verdient evenveel aandacht. Het is bovendien ook fout om de oudere werknemers te culpabiliseren voor de lage werkgelegenheidsgraad in hun leeftijdsgroep. De bruggepensioneerden maken slechts 11% uit van het aantal inactieven op oudere leeftijd. Uit onderzoek blijkt overigens dat 40% van de inactieve oudere werknemers onder druk gezet of zelfs verplicht werden om te stoppen met werken. En er moeten ook lessen getrokken worden uit voorbije pogingen om oudere werknemers langer te laten werken.
Zo werd in de jaren negentig de brugpensioenleeftijd al geleidelijk opgetrokken tot 58 jaar. Het aantal bruggepensioneerden daalde dan van 137.350 in 1992 naar 108.000 vandaag. Maar het aantal ‘oudere werklozen’ ging van 64.750 naar meer dan 200.000 vandaag. De afschaffing van het brugpensioen zonder gelijktijdig aanbod van concrete werkgelegenheidskansen is helemaal geen oplossing voor een hogere werkgelegenheidsgraad.

|

Sociale rechten afschaffen schept geen werk
Het grote misverstand: een bruggepensioneerde kost gemiddeld minder aan de sociale zekerheid dan een werkloze van dezelfde leeftijd!
- Kostprijs werkloosheidsuitkering oudere werkloze (daggemiddelde 2004): 31,55 euro/dag1 
Inkomsten: nihil. Reële kostprijs voor de sociale zekerheid: 31,55 euro per dag of 9.906,7 euro per jaar.
- Kostprijs invalide + 50 jaar: 36,04 euro/dag of 11.313 euro per jaar. Inkomsten: nihil.
- Kostprijs uitkering bruggepensioneerde (daggemiddelde 2004, RVA budget 2005): 36,31 euro/dag.
Gemiddelde heffing per bruggepensioneerde per dag: 7,88 euro.
Reële kostprijs: 28,43 euro/dag of 8.926 euro per jaar
Het brugpensioenstatuut (60% werkloosheidsuitkering + complement van de werkgever) is niet alleen het beste en meest zekere statuut voor ontslagen oudere werknemers, maar ook het enige statuut waarbij de werkgever die oudere werknemers afdankt verplicht een (klein) deel van de kost draagt.
Indien oudere werknemers die ontslagen worden voortaan in de werkloosheid terecht zouden komen, zal de ongelijkheid tussen de oudere inactieven sterk toenemen (naargelang ze werkten in syndicaal sterke of zwakke ondernemingen), en wordt de werkgever helemaal niet meer verplicht om bij te dragen tot de kost die hij afwentelt op de maatschappij.

 1/ RVA budget 2005, pagina 39 en 57.

|

Ook het verhogen van de pensioenleeftijd voor de vrouwen vanaf 1997 leidde niet automatisch tot een veralgemeende verlenging van de beroepsloopbaan van de vrouwen. Volgens een berekening van de RVP zijn er door de verhoging van de pensioenleeftijd 43.000 vrouwen minder op pensioen, wat een besparing van 244 miljoen euro oplevert. Maar anderzijds zitten er nu 8.000 vrouwen tussen 60 en 63 jaar in de invaliditeit (wat een kostprijs van 62,5 miljoen euro betekent) en 22.000 vallen ten laste van de RVA, hetzij via brugpensioen (7.655) hetzij via werkloosheid (13.102). Dit alles heeft een kostprijs van 265 miljoen euro.
Dit betekent dat er moet worden opgelet met algemene en lineaire maatregelen. Er moet een actief en overlegd eindeloopbaanbeleid worden gevoerd maar dit moet kaderen in een globale aanpak die oog heeft voor nieuwe ontwikkelingen. Zo zal de vervroegde uittreding structureel afnemen door een aantal trends: de industriële tewerkstelling daalt, de wens om vroeger uit te stappen zou ook kunnen afnemen omwille van financiële redenen vermits men op steeds latere leeftijd trouwt, bouwt en (studerende) kinderen krijgt of omdat men - als de democratisering van de tweede pijler lukt - steeds vaker zal genieten van aanvullende pensioenen die interessanter worden naarmate men langer werkt.
Er moet ook rekening worden gehouden met een aantal discriminaties waar oudere werknemers het slachtoffer van zijn. Landen met de beste werkgelegenheidsresultaten zijn ook deze die het best scoren inzake de toegang tot levenslang leren. België loopt hier achterop. Terwijl in Denemarken, Finland en Nederland 18% van de werknemers toegang heeft tot dergelijke vormingsprogramma’s heeft in België slechts 1 werknemer op 10 een dergelijke kans. Bovendien hebben oudere werknemers minder vormingskansen dan jongere werknemers omdat werkgevers ervan uitgaan dat hun vormingsinvestering niet lang genoeg zal renderen bij de 50-plussers. De toegang tot opleiding voor oudere werknemers in België loopt achter in vergelijking met Scandinavische landen. In België krijgt slechts 6% van de 55-plussers opleiding, tegen 30% in Zweden. Daarom pleiten we voor extra vormingskansen voor oudere werknemers om hun tewerkstellingskansen te verhogen. Dit impliceert een mentaliteitsverandering bij de werkgevers. Bovendien is de toegang tot extra vorming nog eens het moeilijkst voor diegenen die een lage basisvorming genoten. En net deze groep is meer vertegenwoordigd bij de oudere werknemers.
Onderzoek1 heeft aangetoond dat formules van loopbaanonderbrekingen en korter werken een vroege uitstap beperken. Er moet dus ook worden nagedacht over mogelijkheden om meer kansen te geven het werk over de hele loopbaan te spreiden en kansen te creëren om met aantrekkelijker financiële voorwaarden dan vandaag, rustpauzes in te bouwen voor leeftijdscategorieën (20-45 jaar) die zich dat nu moeilijker kunnen veroorloven. Zulke rustpauzes kunnen ervoor zorgen dat meer werknemers uiteindelijk tot op latere leeftijd aan de slag blijven, zodat de effectieve pensioenleeftijd stijgt. Dit betekent ook dat werkgevers zich constructiever moeten opstellen en willen praten over verbetering van formules zoals tijdskrediet.
Voor de huidige generatie oudere werknemers komen meer kansen op rustpauzes tijdens de actieve loopbaan echter te laat. Werkgevers moeten oudere werknemers die vandaag verder willen werken wel aanmoedigen. Dat kan onder meer door de werkvoorwaarden aan te passen, overgang van nacht naar dagarbeid met goede financiële voorwaarden mogelijk te maken, werktijdverkorting, tijdskrediet, peterschapsformules, recht op vorming en bijscholing… Maar ook hier zal een mentaliteitswijziging van de werkgevers nodig zijn zodat er effectief over kan worden onderhandeld en zal er meer dan vandaag in de bedrijven moeten worden gewerkt aan een aangepast human-resourcebeleid gericht op de oudere werknemers. Er zijn in België meer afwezigheden wegens gezondheidsproblemen dan in andere EU-landen en dat pleit voor aangepaste werkomstandigheden.
Daarnaast moet er ook respect zijn en moeten sociale oplossingen mogelijk blijven voor mensen die niet meer mee kunnen door de snelle evoluties in productiemethoden en -technieken of door het steeds hogere arbeidsritme of door zwaar fysisch of stresserend werk. En hier vragen wij dat de beleidsvoerders zich zouden inleven in de situatie van mensen die sinds hun zestiende aan het werk zijn of die 20 jaar lang in een nachtploeg werken. Wij willen ook vragen om rekening te houden met de verschillen in levensverwachting tussen werknemers en dan vooral tussen laaggeschoolde en hooggeschoolde werknemers. Wij willen er tenslotte de aandacht op vestigen dat laaggeschoolde werknemers dikwijls niet alleen een harder beroepsleven achter de rug hebben, maar ook minder verdiend hebben en een kleiner pensioen zullen trekken. Het eindeloopbaandebat moet dus op een positieve en sociale manier aangepakt worden, zodat het resultaat niet ervaren wordt als sociale afbraak, maar als een sociale meerwaarde.

Jef Maes
Adviseur studiedienst ABVV
Luc Voets
Directeur federale studiedienst ABVV

Noot
1/ Elchardus,M & Cohen,J. Gedrag en verwachtingen in verband met het einde van de loopbaan. TOR, VUB.

vergrijzing - sociale bescherming - pensioen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 8 (oktober), pagina 8 tot 16