Abonneer Log in

Mondialisering en verzet bij Le Monde Diplomatique

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 10 bijlage (december), pagina 32 tot 40

De andersglobaliseringsbeweging

Het verzet tegen heersende machtsstructuren is niet nieuw. In de 19de eeuw mondde het protest van uitgebuite arbeiders uit in de vorming van de eerste arbeidersbewegingen. Tegelijkertijd groepeerden mensen zich in kolonies zoals o.a. Mexico, Nicaragua en Cuba in nationale bevrijdingsbewegingen. Ook in de 20ste eeuw waren deze bewegingen nog sterk aanwezig. Na WOII en vooral vanaf 1960 kenden we een sterke opkomst van ‘nieuwe’ sociale bewegingen: de vredesbeweging, de milieubeweging, de derdewereldbeweging, de mensenrechtenbewegingen, … De meeste van deze bewegingen bestaan nu nog. Opmerkelijk is dat deze ‘nieuwe’ sociale bewegingen one-issuebewegingen zijn, die hun strijd focussen op één specifiek aspect (Arrighi, Hopkins & Wallerstein 1989: 34-40, 100-103). Met the battle of Seattle in november 1999 is een nieuwe beweging zichtbaar geworden. Een beweging die door haar sterk internationaal karakter en mozaïek aan standpunten, strekkingen en eisen heel wat mensen heeft weten te mobiliseren. Het is een jonge beweging in opbouw. Om de standpunten en positie van Ignacio Ramonet en Le Monde Diplomatique beter te vatten, is het noodzakelijk om de verschillende breuklijnen en positioneringsvragen in de huidige andersglobaliseringsbeweging in kaart te brengen. De discussie in en over deze beweging spitst zich toe op de richting en het karakter van de beweging.

Centraal gecoördineerde beweging of netwerk?

Sociale bewegingen streven naar veranderingen in de samenleving. Ze ‘ageren voor een eigen project, voor hun alternatieven, voor hun ideeën over hoe sommige maatschappelijke vraagstukken het best worden aangepakt en opgelost.’ De civil society of het maatschappelijk middenveld is het geheel van vrije organisaties, verenigingen en groepen tussen de staat en het individu (Barrez 2001: 195). De civil society bemiddelt tussen onze specifieke individualiteit en ons abstract lidmaatschap van een soevereine natie. Het is het domein waar individuen hun verbondenheid inzien en benadrukken (Barber 1998: 4-7). De civil society is dus op zichzelf geen sociale beweging met een eigen veranderingsproject. Het is dus ‘vooral een analytisch begrip dat ons doet begrijpen dat er tussen individu en staat geen leegte is. Het begrip maakt ook duidelijk dat er tussen of naast de economische wereld van de bedrijven en de politieke, regulerende wereld van de overheid nog een derde wereld bestaat: die van de samenleving. De civiele samenleving is een wereld waar de relaties tussen mensen niet zijn gebaseerd op de economische krachten van de markt of op de wettelijke normen van de overheid, maar waar mensen zich op vrije basis kunnen associëren’ (Barrez 2001: 196). Er bestaat dus wel degelijk een verschil tussen de begrippen ‘sociale beweging’ en ‘civil society’. Toch blijkt er tussen de twee begrippen ‘sociale beweging’ en ‘civil society’ een verband te bestaan. Want precies in die civiele samenleving krijgen de sociale bewegingen enige gestalte. Hoe meer bewegingsruimte de civiele samenleving heeft, hoe groter de kansen zijn om een krachtige sociale beweging uit te bouwen. Opmerkelijk is dat na de liberaliseringsgolf, die gestart is met de val van Bretton Woods in 1971, natiestaten heel wat aan macht hebben ingeboet. Het verlies aan macht op nationaal vlak bracht een sterke toename van sub- en internationale belangengroepen met zich mee. Enerzijds van bedrijven en supranationale instellingen (de corporate society) en anderzijds van vakbonden, sociale bewegingen en allerlei niet-gouvernementele organisaties (de civil society). Ook nieuwe massacommunicatiemiddelen spelen hierin een belangrijke rol. Zo blijkt het internet een cruciaal medium voor zowel de mondiale kapitaalcirculatie en accumulatie van de corporate society als voor de organisatie van een mondiale civil society (Went 1996: 49-60; zie ook Sassen). Er ontstonden internationale milieubewegingen, internationale vrouwenbewegingen, internationale mensenrechtenorganisaties, internationale campagnes tegen de schuldenlast, voor het behoud van biodiversiteit,… ‘Al die fenomenen samen - de volle rijkdom van een bruisende civiele samenleving, de internationalisering van de civiele samenleving, de groeiende waaier van sociale bewegingen die de wereld als hun actieterrein beschouwen - zijn een vruchtbare voedingsbodem voor het opbloeien van één grote, mondiale sociale beweging’ (Barrez 2001: 197). Een mondiale heterogene sociale beweging die voor het eerst massaal op straat kwam in Seattle in 1999.
Het boek No Logo van Naomi Klein (2001) toont aan dat het protest in Seattle niet uit de lucht is gevallen. Verschillende protestbewegingen zoals o.a. hacktivisten, adbusters en Reclaim The Streets met hun grote ludieke demonstraties, waren begin de jaren 90 al volop actief. Verscheidene actiegroepen mobiliseerden maanden op voorhand via e-mailnetwerken en internetsites tegen de WTO-top in Seattle. De beweging in Seattle bestond dan ook uit diverse groepen. Het was een samengaan van eigentijdse actiegroepen met zowel ‘klassieke’ (vakbonden, boerenbewegingen,…) als ‘nieuwe sociale bewegingen’ (milieubewegingen, derdewereldbewegingen, vredesbewegingen, feministen,…). Naomi Klein is een grote voorstandster van het behoud van de diversiteit in deze beweging. Zij pleit er dan ook voor om de andersglobaliseringsbeweging niet hiërarchisch te organiseren, want deze beweging draait volgens haar ‘om zelfbeschikking en dan moet je je niet hiërarchisch gaan organiseren en een eenheidsideologie formuleren’ (Barrez 2001: 224). Verder schrijft ze in haar boek dat dankzij het internet de mensen vrijwel zonder bureaucratie en met minimale hiërarchie kunnen worden gemobiliseerd, waardoor ‘afgedwongen consensus en doorwrochte manifesten verdwijnen naar de achtergrond en worden vervangen door een cultuur van voortdurende, losjes gestructureerde en soms gedreven uitwisseling van informatie’ (Klein 2001: 500). Ze komt openlijk uit voor een gedecentraliseerde werking van de beweging en een netwerk van autonome groepen, waarvan de ‘internationale coördinatie getuigt van vindingrijkheid’ met ‘vaak een vernietigende uitwerking’ op hun tegenstanders (Klein 2001: 502). Volgens haar leidt dit niet ‘tot incoherentie en fragmentatie. Het is eerder een rationele, zelfs vindingrijke aanpassing aan de al eerder bestaande fragmentatie binnen progressieve netwerken en aan cultuurveranderingen in ruimere zin. Het gaat zonder uitzondering bergafwaarts met de traditionele instellingen die mensen ooit in keurige, gestructureerde groepen onderbrachten, bijvoorbeeld met de vakbonden, de kerken en de politieke partijen’ (Klein 2001: 503). Eén van de sterkste punten van zo’n netwerkmodel maakt dat de andersglobaliseringsbeweging ‘niet te controleren valt, vooral omdat het zo verschilt van de organisatieprincipes en doelstellingen van de instanties en bedrijven waartegen ze zicht verzet’ (Klein 2001: 504). Klein ziet ook grote gelijkenissen tussen de andersglobaliseringsbeweging en de Zapatisten in Mexico die, volgens een militair rapport uit de Verenigde Staten, een ‘netwerkenoorlog’ voeren zonder ‘centraal leiderschap en geen commandostructuur’ kennen. De onderzoekers van RAND1 beschreven de Zapatisten als een ‘veelkoppig monster dat niet te onthoofden valt’ (Klein 2001: 505). Ook Noreena Hertz verkiest een netwerkstructuur zonder hiërarchie, leiderschap en lidmaatschap: ‘The movement has no fixed membership, so it can mobilise support around shared concerns, national or global, as and where appropriate. This lack of permanent mass membership and physical base does not weaken it, rather it makes the movement more flexible and able to tackle diverse issues, many of which may cross national boundaries. Its power is widely distributed’ (Hertz 2001: 200-201).

Aan de andere kant wordt er ook gesteld dat de andersglobaliseringsbeweging een bepaalde vorm van centrale leiding nodig heeft. Voorstanders van een centraal gecoördineerde beweging wijzen vooral op de efficiënte vertegenwoordiging van één samenhangend idee door één organisatie of coalitie. Zo’n organisatie of coalitie is volgens hen herkenbaar en kan een machtsbasis uitbouwen. Waardoor ze de macht kan overnemen, onderhandelen met vertegenwoordigers van overheden en anderen of beleidsprocessen kan beïnvloeden. Vooral vakbonden en allerlei gevestigde ngo’s voelen zich aangetrokken tot deze vorm van organisatie. Vaak is het zo dat vakbonden eigen belangen hebben te verdedigen en ook omwille van hun strakke organisatiecultuur moeite hebben ‘om internationaal te denken en te werken en nog meer om open te staan voor samenwerking en allianties met andere bewegingen en organisaties’ (Barrez 2001: 214-216). Opvallend bij ngo’s is de ‘onderliggende voorkeur voor het politieke debat en het lobbywerk, meer dan voor mobilisatie, strijd en verzet’ (Barrez 2001: 222). Zo vindt Sylvia Borren, directeur van de Nederlandse ngo Novib, dat de andersglobaliseringsbeweging er wel in slaagt om kennis en ervaring uit te wisselen, maar faalt op het vlak van de organisatie. Ze betreurt dat er geen leiderschap is dat over de geografische en thematische grenzen heen gaat. Daarom pleit ze voor een ‘globaal leiderschap van ngo-leiders dat kan optreden ten aanzien van de Verenigde Naties en de multinationals’ (Barrez 2001: 223). Ook de Indonesische vakbondsleider Muchtar Pakpahan pleit ervoor om tot meer structuur en samenwerking te komen door de leiders uit de boerenbewegingen, vakbonden en ngo’s op regelmatige basis te laten samenkomen. Niet alleen om een gemeenschappelijke visie uit te werken, maar het vooral eens te worden ‘over hun opdracht en hun strategie, zo mogelijk ook hun tactiek’ (Barrez 2001: 212-213). Een meer genuanceerd standpunt vinden we terug bij Boaventura De Sousa Santos, professor in de sociologie aan de universiteit van Coimbra in Portugal. In één van zijn artikels, ‘Learning from Genoa’, pleit hij voor het behoud van een netwerkmodel dat op organisatorisch niveau een betere coördinatie moet nastreven en het democratisch karakter van de beweging moet garanderen (De Sousa Santos 2002).

Liberale of antiliberale beweging?

Nu we het multicentrisch karakter van de beweging en de verschillende meningen hierover op een rijtje hebben gezet, is het belangrijk om ook de discussie en verschillende standpunten over de richting die de beweging moet uitgaan naast mekaar te plaatsen.

In een artikel over het Wereld Sociaal Forum in Porto Alegre merkt Michael Hardt een duidelijk verschil op tussen de deelnemers. Volgens hem heb je aan de ene kant diegenen die de soevereiniteit van de natiestaat willen versterken, om zo een defensieve barrière op te bouwen tegen de huidige globalisering. Aan de andere kant zijn er deelnemers die streven naar een globale niet-natiegebonden alternatief. ‘The first poses neoliberalism as the primary analytical category, viewing the enemy as unrestricted global capitalist activity with weak state controls; the second is more clearly posed against capital itself, whether state-regulated or not’ (Hardt 2002). Verder merkt hij op dat vooral zij die in de beweging streven naar een meer centraal gecoördineerde organisatie, ook voorstander zijn van een versterking van de natiestaat. En de aanhangers van een horizontaal netwerk van onafhankelijke groepen opteren voor een globale niet-natiegebonden verzet tegen de huidige globalisering. Als verklaring geeft Michael Hardt aan dat het misschien geen verrassing is dat diegene die machtsposities ingenomen hebben eerder voorstanders zijn van een versterking van de soevereiniteit van de natiestaat dan diegene zonder macht. In zekere zin kunnen we dus stellen dat Hardt in de eerste groep eerder voorstanders ziet van een corrigerende visie en in de tweede groep eerder aanhangers van een deconstructieve visie. Waarbij de corrigerende visie streeft naar meer regulering en het aan banden leggen van de huidige vorm van globalisering, terwijl de deconstructieve visie mikt op de vervanging van het huidige wereldsysteem door een ander globaal alternatief.

François Houtart, professor aan de UCL en nauw betrokken bij de organisatie van het Mondiaal Forum in Porto Alegre, komt in zijn artikel ‘Des alternatives crédibles au capitalisme mondialisé’ tot een andere maar toch gelijkaardige indeling. Hij vertrekt echter niet zoals Michael Hardt van de verschillende standpunten over de natiestaat, wel van de alternatieven die de verschillende groepen in die beweging voor ogen houden. Hij merkt een duidelijk verschil tussen zij die het economisch systeem willen reguleren en zij die het willen vervangen. De stroming die het economisch systeem wil reguleren noemt hij het neo-keynesiasme. De strekking die het economisch systeem wil vervangen wijst Houtart aan met de gemeenschappelijk noemer, postkapitalisme.

Onder de neokeynesianen plaatst hij verschillende groepen en individuen. Zo beschouwt hij enkele woordvoerders van het Forum international de l’Économie, die jaarlijks bijeenkomen in Davos, de beursgoeroe Georges Soros, enkele leiders van de Wereldbank en IMF, maar ook figuren als Tony Blair en Bill Clinton als neokeynesianen. De sociaaldemocratie en christendemocratie maken volgens Houtart ook deel uit van deze stroming. Dat ze de kapitalistische logica niet in vraag stellen en enkel proberen de excessen en misbruiken tegen te gaan, is wat de neokeynesianen gemeenschappelijk hebben. Ze verwerpen het wildkapitalisme ’soit parce qu’il met en danger le système lui-même, soit parce que ses coûts écologiques et sociaux sont trop élevés. Dans le premier cas, on se base sur une éthique interne au système: les règles du jeu doivent être respectées, mais pour mieux le faire fonctionner. Dans le second, le jugement, plus ou moins sévère, porte sur les effets pervers du système, attribués surtout aux comportements des agents économiques, qu’il faut pouvoir encadrer dans des normes et mieux contrôler. L’éthique consiste alors à faire appel à la conscience des acteurs en présence et à établir un cadre normatif pour le fonctionnement de l’économie’ (Houtart 2000: 3).
Onder het postkapitalisme plaatst hij iedereen die de kapitalistische logica verwerpt. Postkapitalisten keren zich af tegen een economie die op zichzelf gericht is en niet langer de materiële basis en welzijn tracht te verzekeren van alle mensen. ‘La délégitimation proposée par le post-capitalisme, avant d’être morale, s’appuie sur l’incapacité du capitalisme à répondre aux exigences minimales de l’économie, définie comme un rouage de l’ensemble social, devant assurer la sécurité matérielle de tous les individus et de tous les peuples.’ Zij zetten volgens Houtart een stap verder dan de neokeynesianen en streven naar alternatieven die zich situeren ‘dans le dépassement du capitalisme et non dans son simple aménagement’ (Houtart 2000: 5). Voor de postkapitalisten zijn de ontsporingen inherent aan het kapitalistisch systeem, een wezenlijk verschil met de neo-keynesianen voor wie de schuld ligt bij een aantal economische krachten die zich niet aan de spelregels van het systeem houden. Daarom willen de postkapitalisten volgens Houtart de spelregels radicaal veranderen door o.a. de notie winst te vervangen door behoefte, democratische controle op economische activiteiten na te streven en consumptie als middel en niet als doel te beschouwen (Houtart 2000: 8).

Volgens Houtart kan de neoliberale globalisering effectief bestreden worden door de concrete situatie te veranderen en door een tegenmacht te construeren, een mobiliserend project uit te werken. Alleen door collectieve actie kunnen de concrete alternatieven, die door beide stromingen voorgesteld worden, gerealiseerd worden. Deze alternatieven, te onderscheiden in kortetermijn- en langetermijnalternatieven, kunnen zowel corrigerend als contesterend zijn, waardoor beide stromingen deze alternatieven kunnen nastreven. Zo geeft Houtart het voorbeeld van de strijd rond de Tobintaks die de steunt krijgt van George Soros en Attac. De eerste ziet in de Tobintaks een instrument om het systeem te corrigeren. De tweede wil het systeem op termijn veranderen en ziet er een middel in om te contesteren (Houtart 2000: 8, 12).

De belangrijkste kortetermijnalternatieven zijn o.a. de invoering van een taks op speculatieve transacties (Tobintaks), afschaffing van belastingsparadijzen, belasting op grote vermogens, hervorming van internationale financiële instellingen, afschaffing van de derdewereldschuld, maatregelen voor de bescherming van de biodiversiteit, hervorming van de Verenigde Naties, etc. Alternatieven die makkelijk kunnen ingeschreven worden in politieke programma’s en eisenpakketten (Houtart 2000: 11-12).

Tegelijkertijd moeten er ook langetermijnoplossingen naar voor geschoven worden. Zo moet er een andere maatstaf gehanteerd worden wat betreft de wereldhandel en moet het besef groeien dat bepaalde intermenselijke activiteiten niet mogen gecommercialiseerd worden. De voorgestelde pistes gaan in de richting van: het vrijwaren van cultuur, opvoeding en communicatiemiddelen tegen het marktdenken; het terugdringen en onder internationale controle plaatsen van wapenhandel; het reorganiseren van productie- en distributiemiddelen waarbij o.a. overconcentratie van het bezit van productiemiddelen wordt tegengegaan en naast o.a. rendabiliteit en competitiviteit ook andere parameters zoals welzijn en respect voor de natuur worden gebruikt; het hervormen en democratiseren van internationale instellingen; etc. Houtart acht de realisatie van deze langetermijnalternatieven afhankelijk van de mate waarin de verschillende groepen die zich verzetten tegen het kapitalisme samenwerken, afhankelijk ook van de politieke wil van de overheden en de verdere ontwikkeling van het internationaal Recht (Houtart 2000: 8-11). Het heterogeen, pluralistisch en multicentrisch karakter van de globaliseringbeweging maakt dat we, ondanks de duidelijke breuklijnen en verschillen, moeilijk van een liberale, antiliberale, systemische of antisystemische beweging kunnen spreken. Misschien kan de beweging het best aangeduid worden met het begrip multitude uit het boek Empire van Hardt en Negri. Waarin ze multitude omschrijven als het constituerende vermogen van productieve en creatieve subjecten (Negri & Hardt 2001: 60, 164), als een ‘biopolitieke zelforganisatie’ (Negri & Hardt 2001: 411). De multitude als concept dat uitgaat van een onvermijdelijke pluraliteit en leidt tot collectieve actie en verzet.

De positie van Ramonet en Le Monde Diplomatique in de andersglobaliseringsbeweging

Wanneer we de positie van Ramonet en Le Monde Diplomatique in het mondialiseringsdebat willen achterhalen, dan maken de standpunten die de verschillende auteurs innemen duidelijk waar ze zich plaatsen ten aanzien van de twee grote breuklijnen in de andersglobaliseringsbeweging. Zo maken de verschillende standpunten rond de rol van nationale, internationale en supranationale instellingen, berustend op het onderscheid corrigerende versus deconstructieve visie, duidelijk dat de profilering van Ramonet en de overgrote meerderheid van de andere auteurs in Le Monde Diplomatique geen antisystemisch karakter draagt (met uitzondering van Serge Halimi). Wel hebben ze een uitgesproken antiliberaal profiel, vooral door sterk de nadruk te leggen op de negatieve gevolgen van het financiële aspect van globalisering en hun felle kritieken op de drie basisprincipes: privatisering, liberalisering en deregulering. De economische en de financiële macht vormt volgens hen het zenuwstelsel van de huidige globaliseringsdynamieken. Liberalisering, privatisering en deregulering verhoogt volgens hen de onderlinge afhankelijkheid van natiestaten, reduceert zowat alles tot koopwaar, leidt tot een grotere accumulatie van rijkdommen en een sterkere concentratie van de economische macht. Dit alles ondermijnt de politieke macht waardoor democratische politieke beheersstructuren worden uitgehold ten voordele van economische determinanten zoals o.a. multinationale ondernemingen en speculanten. Daarom vindt Ricardo Petrella dat instellingen zoals de WTO, de Wereldbank en het IMF moeten gedemocratiseerd en versterkt worden, opdat hun macht in verhouding zou staan tot de macht van industriële en financiële conglomeraten. De meeste auteurs uit Le Monde Diplomatique waaronder Ramonet sluiten zich hierbij aan. Anderen zoals Susan George preciseren wel dat indien de functionering van deze instellingen niet gecorrigeerd kan worden, deze dan ook maar moeten verdwijnen. Deze nuance betekent niet dat ze als een antisystemische strekking kunnen beschouwd worden, juist omdat ze in eerste instantie een correctie van de reeds bestaande instellingen nastreven.

Wat de tweede breuklijn, gedecentraliseerd netwerk versus een centraal gecoördineerde beweging, binnen de andersglobaliseringsbeweging betreft, sluiten de meeste auteurs van Le Monde Diplomatique zich aan bij Susan George, een fervente aanhangster van een gedecentraliseerd netwerk. Alleen Serge Halimi drukt zich sceptisch uit over een netwerkstructuur en wijst erop dat een minimum aan organisatie en coördinatie meer dan noodzakelijk is. Bij Halimi is een lichte voorkeur voor een centraal gecoördineerde beweging merkbaar. Ramonet tracht deze twee verschillende opinies te lijmen door te wijzen op de noodzaak van een nauwere samenwerking tussen sociale en politieke organisaties en de noodzaak om zowel op lokaal als op internationaal vlak actie te voeren. Ramonet neemt geen expliciet pro- of contrastandpunt in, impliciet is er in zijn artikels over Attac, de alternatieve wereldtop van Davos en de betogingen in Seattle, net zoals de meerderheid van de auteurs van Le Monde Diplomatique, wel een voorkeur merkbaar voor een gedecentraliseerde netwerkstructuur.

Ramonet beschouwt samen met andere auteurs zoals o.a. Halimi en Bourdieu de media als het ideologisch apparaat van de huidige globalisering, die het eenheidsdenken propageert met de ondersteuning van gerenommeerde onderzoekscentra en universiteiten. Er is volgens hen in dit eenheidsdenken geen plaats voor waarden als sociale rechtvaardigheid, algemeen welzijn, solidariteit en duurzaamheid. Daarom profileren Ramonet en Le Monde Diplomatique zich als grote voorstanders van een tegenbeweging die dit eenheidsdenken moet doorbreken. Wat de ideologische overtuiging en inspiratiebronnen betreft, vormen de verschillende auteurs van Le Monde Diplomatique een goede weerspiegeling van het bont allegaartje aan ideeën en strekkingen aanwezig in de andersglobaliseringsbeweging.

Ignacio Ramonet en Le Monde Diplomatique

Le Monde Diplomatique werd in mei 1954 gelanceerd door de oprichter van Le Monde, Hubert Beuve-Méry. In het begin lag de bedoeling van het blad enerzijds in het uitdiepen en duiden van de internationale actualiteit en anderzijds, zoals de titel van het blad al laat vermoeden, het informeren van diplomaten over internationale instellingen, organisaties en andere zaken die hen zouden interesseren zoals recepties en bijeenkomsten. Al vrij snel beperkte het blad zich niet tot de diplomatieke wereld en zocht het een breder publiek op. Ook inhoudelijk richtte het blad zich vooral op het analyseren en duiden van internationale gebeurtenissen, instellingen en organisaties. Ook kritische en opiniërende stukken kwamen aan bod, wat van Le Monde Diplomatique een eerder progressief en intellectueel maandblad maakte (Julien 1984: 15-22).

Mede door problemen bij Le Monde, kwam in 1995 Le Monde Diplomatique in financiële problemen terecht. De onafhankelijkheid van de redactie kwam daardoor ook in gevaar. Ter ondersteuning van het blad richtten enkele lezers de vereniging Les Amis du Monde Diplomatique op. In 1996 startte deze vereniging een actie op om 10 miljoen Franse frank (= 250.000 Euro) te verzamelen. Hierdoor geraakte het blad uit de financiële problemen en kon het de onafhankelijkheid van haar redactie bewaren (Ramonet 1996: 29; Le Monde Diplomatique février 1996: 3-4). Tot de doelstelling van Les Amis du Monde Diplomatique behoort meer dan het blad behoeden voor het verdwijnen. Het wil ook een lezerskring zijn die een inhoudelijk debat voert met de redactie. Het is een vereniging die een kritische opstelling nastreeft bij de lezers en van passieve consumenten actieve participanten wil maken.

De Spanjaard Ignacio Ramonet (1943) kreeg de leiding over de redactie in 1991. In maart 2001 mocht Ramonet deelnemen aan de Zapatour, de mars van de Zapatisten onder leiding van subcommandante Marcos naar Mexico-stad. Naast directeur van de redactie, wat een andere functie is dan hoofdredacteur, is hij ook voorzitter van het bestuur van de NV Le Monde Diplomatique. Verder geeft hij ook les audiovisuele communicatietheorie aan de universiteit Denis Diderot (Paris VII). Zijn boeken gaan voornamelijk over media en geopolitieke onderwerpen (Costemalle 2000: 32; Télé-Québec 1999).

Onder invloed van de redacteurs van Le Monde Diplomatique is in Frankrijk de ATTAC-beweging ontstaan. ATTAC-Frankrijk werd op 3 juni 1998 gesticht naar aanleiding van het hoofdartikel ‘Désarmer les marchés’ (De markten ontwapenen!) geschreven door Ignacio Ramonet in december 1997. De beweging organiseert burgers, verenigingen en vakbonden en is intussen uitgegroeid tot een mondiale sociale beweging met honderden comités en afdelingen. ATTAC is erin geslaagd om haar eerste strijdpunt, namelijk het tegengaan van internationale speculatie d.m.v. een Tobintaks, op de internationale politieke agenda te plaatsen.

De jaarlijkse alternatieve top het ‘andere Davos’ in Zwitserland werd georganiseerd op initiatief van ATTAC met de praktische ondersteuning van Le Monde Diplomatique. Daar groeide ook het idee om een Wereld Sociaal Forum in Porto Alegre te organiseren. Het Wereld Sociaal Forum is ondertussen uitgegroeid tot een internationale ontmoetingsplaats waar geanalyseerd en gediscussieerd wordt over allerlei thema’s die verband houden met de gevolgen van de globalisering (Barrez 2001: 63-67).

Besluit

Ramonet en Le Monde Diplomatique richten zich tegen de neoliberale globalisering die - via financiële markten, fiscale gunstregimes en de liberalisering van openbare nutsvoorzieningen - de rendabiliteit van het kapitaal en de winsten van de ondernemingen trachten te verhogen. Ze vestigen ook de aandacht op de negatieve gevolgen van de huidige globalisering die een verdere commodificatie van natuurlijke, biologische en culturele rijkdommen in de hand werkt en een verdere toename van de armoede, inkomenskloof en allerlei uitbuitingen bevordert. In hun aanklacht beperken ze zich niet tot het passief aanschouwen en analyseren van de verschillende ontwikkelingen, maar werken ze ook actief mee aan de uitbouw van een tegenbeweging rond initiatieven als ATTAC en het Wereld Sociaal Forum.
Ze streven, in analogie met het motto ‘een andere wereld is mogelijk’ van het eerste Wereld Sociaal Forum, naar meer rechtvaardige verhoudingen op mondiaal vlak, naar een andere en betere wereld. Dit willen ze realiseren zonder het huidige systeem af te schaffen. Ze willen het reconstrueren volgens sociale en ecologisch verantwoorde normen. Ze wensen een democratische samenleving waar de economie ondergeschikt is aan de politiek. De initiatieven die ze hebben opgestart en de standpunten die ze innemen maken duidelijk dat ze geen volledige afbraak van het politiek-economisch systeem nastreven en niet de verovering van de staatsmacht ambiëren. Zowel Ramonet als Le Monde Diplomatique vormen geen onderdeel van een antisystemische beweging.

Wat de organisatievorm van de globaliseringsbeweging betreft, profileren Ramonet en Le Monde Diplomatique zich, vooral door hun nauwe betrokkenheid bij organisaties als ATTAC en het Wereld Sociaal Forum, als voorstanders van een systemische beweging in de vorm van een gedecentraliseerd, pluralistisch en mondiaal netwerk van onderling autonome en lokaal sterk ingeplante organisaties. Net zoals de mondiaal georganiseerde handel en financiële markten moet, volgens hen, ook de verzetsbeweging mondiaal georganiseerd zijn. In zo’n netwerkstructuur zijn er geen verplichtingen en is er geen hiërarchie of leiderschap. Het libertair karakter van zo’n netwerkstructuur belet niet dat er, bijvoorbeeld tijdens de organisatie van topmanifestaties, ook een zeker compatibiliteit en complementariteit merkbaar is. Door deze eenheid in de verscheidenheid lopen ze wel makkelijk het risico om gemarginaliseerd, gerecupereerd of gecriminaliseerd te worden.
Zowel de kritieken als de manier waarop Ramonet en Le Monde Diplomatique het verzet tegen de huidige neoliberale globalisering trachten te organiseren, kaderen binnen een materialistische en dialectische traditie. Materialistisch omdat ze in hun analyse van de globale verhoudingen vertrekken vanuit het idee dat mensen de samenleving zelf vormgeven en er tegelijkertijd zelf door gevormd worden. Dialectisch omdat Ramonet en Le Monde Diplomatique tegengestelde processen en relaties in de huidige globalisering blootleggen.

Noten

  1. Het onderzoek werd uitgevoerd door RAND (=research and development) een wetenschappelijke instelling verbonden aan de U.S Army Air Forces sinds 1946.

Bibliografie

  • Arrighi G., Hopkins T.K. & Wallerstein I. (1989) Antisystemic movements. London, New York: Verso
  • ATTAC Vlaanderen (2002) Platformtekst internationale beweging ATTAC. 29 mei 2002 ® http://www.attac.org/belgie/basisteksten/platform.html (geraadpleegd op 30 juni 2002)
  • ATTAC Vlaanderen (2002b) 10 veel gestelde vragen over de Tobintaks. 29 mei 2002 ® http://www.attac.org/belgie/basisteksten/tobinornottobin.html (geraadpleegd op 30 juni 2002)
  • ATTAC Vlaanderen (2002c) Wat is ATTAC? 29 mei 2002 ® http://www.attac.org/belgie/basisteksten/watisattac.html (geraadpleegd op 30 juni 2002)
  • Barber, B.R. (1998) A place for us. How to make society civil and democracy strong. New York: Hill and Wang
  • Barrez, D. (2001) De antwoorden van het antiglobalisme. Van Seattle tot Porto Alegre. Roeselare, Amsterdam: Globe / Mets & Schilt, i.s.m. 11.11.11
  • Costemalle, (2000) ‘Le maître d’un monde’. In: Libération 27-3-2000, p.32
  • De Sousa Santos, B. (2002) ‘Learning from Genoa’. Folha de São Paulo, july 26th 2001: ® http://www.forumsocialmundial.org.br/bib/boaventuraeng.asp (geraadpleegd op 13 mei 2002) (http://www.eurozine.com/articles/2001-07-27-santos-en.html)
  • Gret, M. & Sintomer, Y. (2002) Porto Alegre. L’espoir d’une autre démocratie. Paris: La Découverte
  • Hardt, M. (2002) ‘Porto Alegre: Today’s Bandung?’ Forum Social Mundial: ® http://www.forumsocialmundial.org.br/eng/balanco\_Michael\_Hardt\_eng.asp (geraadpleegd op 13 mei 2002)(http://newleftreview.org/II/14/michael-hardt-porto-alegre-today-s-bandung)
  • Hertz, N. (2001) The silent takeover: global capitalism and the death of democracy. London: Heinemann
  • Houtart, F. (2000) ‘Des alternatives crédibles au capitalisme mondialisé’ : ® http://www.xminy.nl/docs/doc955446017.doc (geraadpleegd op 13 mei 2002) (http://base.socioeco.org/docs/doc-175\_fr.pdf)
  • Julien, C. (1984) ‘1954-1984, un parcours de trente ans’. In: Dossier, Manière de voir, Le Monde Diplomatique, mai 1984, p.15-22
  • Klein, N. (2001) No Logo. Rotterdam: Lemniscaat
  • Le Monde Diplomatique, ‘L’Association Gunther Holzmann’, février 1996, p.3
  • Le Monde Diplomatique, ‘Gunther Holzmann’, février 1996, p.4
  • Le Monde Diplomatique, ‘Le Monde Diplomatique sur internet’, février 1995, p.17
  • Le Monde Diplomatique, ‘Le Monde Diplomatique sur internet’, janvier 2000, p. 2
  • Negri, A. & Hardt, M. (2001) Empire. Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press
  • Ramonet, I. (1996) ‘Rejoindre les Amis du Monde Diplomatique. Pour une information libre’. In: Le Monde Diplomatique, novembre 1996, p.29
  • Riera, A. (2002) De stemmen van Porto Alegre. Tweede Wereld Sociaal Forum. 5 januari 2002 ® http://www.grenzeloos.org/artikel/viewartikel.php?id=332 (geraadpleegd op 30 juni 2002)
  • Sassen, S. ‘A new geography of power?’ Global Policy Forum : ® http://www.globalpolicy.org/nations/sassen.htm (geraadpleegd op 7 mei 2002)
  • TÉLÉ-QUÉBEC (1999) ‘Spécial Ignacio Ramonet’ Émission du 15 novembre 1999 : ® http://www.telequebec.qc.ca/idees/chasseurs\_idees\_1999/ achives/19991115/theme.html (geraadpleegd op 16 mei 2002)
  • Went, R. (1996) Grenzen aan de globalisering. Amsterdam: Het Spinhuis

andersglobalisme - Le Monde

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 10 bijlage (december), pagina 32 tot 40