Abonneer Log in

Kroniek van een aangekondigde beweging

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 4 (april), pagina 32 tot 42

Er wordt wel eens beweerd dat de loop der geschiedenis zoiets als stroomversnellingen kent. Periodes waarin een bepaalde evolutie of beweging zich versneld ontwikkelt of toch aan een tempo evolueert, dat hoger ligt dan men even daarvoor nog had kunnen denken. De Val van de Berlijnse Muur en het Oostblok dat erachter schuilde, is wellicht het meest indrukwekkend en recent voorbeeld. Wie had in 1986 durven voorspellen dat de communistische regimes drie jaar later zouden verdwenen zijn? Sommigen verwijzen als verklaring zelfs naar de zogenaamde chaostheorie uit de fysica: kleine op het eerste zicht onbeduidende veranderingen - de fladderslag van een vlinder - leiden onverwacht tot stormachtige structuurwijzingen - een orkaan duizenden kilometer verder. Of dat een interessante metafoor is om maatschappelijke veranderingen te begrijpen, blijft voor mij een vraag. Ik stel alleen vast dat je toch altijd weer probeert naar oorzaken te zoeken die iets diepgaander zijn dan een vlinderslag.

Een ander verschijnsel dat een soort stroomversnelling lijkt door te maken, is de zogenaamde antiglobaliseringsbeweging. Al geloof ik dat je hier niet meteen naar vlinder-slagen en chaostheorieën moet grijpen om de opgang ervan te verklaren. Het is immers duidelijk dat deze beweging niet uit het niets komt. De beweging klaagt - heel simpel gezegd - de toenemende ongelijkheid en de onophoudelijke milieuvernietiging in de wereld aan, die blijkbaar samengaat met het huidige ‘neoliberale’ project. Die twee basiskritieken zijn niet nieuw. Ze komen er eigenlijk op neer dat de duurzame ontwikkeling waarover iedereen het eens was op de milieuconferentie van Rio in 1992 helemaal nog niet bezig is. Ze leven al tien tot vijftien jaren in de schoot van talloze ngo’s, bewegingen en onderzoeksinstellingen. Hebben het World Watch Institute en Greenpeace de voorbije tien jaar ooit anders gedaan dan globale en locale milieuverloedering aan de kaak te stellen? Hebben 11.11.11 en de noord-zuidbeweging ooit opgehouden te wijzen op de toenemende kloof tussen arm en rijk? Neen. Het nieuwe is dat die kritiek tot voor enkele jaren versplinterd gebeurde, niet onder één noemer. Hij werd ook niet geprojecteerd op een regime, de globalisering, of beter de neoliberale globalisering. Dat is nu veranderd: om de zoveel maanden, of zelfs weken en dagen, komen mensen, waar ook ter wereld, op straat om te protesteren tegen de neoliberale globalisering. Meestal is de aanleiding een bijeenkomst van een van de internationale organisaties die symbool staan voor de globalisering. Dat ritme en die systematiek wijzen op een vooruitgang in de coördinatie van voorheen in verspreide slagorde werkende actoren.
Je kan dus wel de vraag stellen waarom die sterkere samenhang zich nu voordoet, maar de inhoud, de kritiek komt niet uit het niets maar wordt al jaren van onderuit opgebouwd.
Als slot van deze inleiding nog dit. Omdat ‘antiglobaliseringsbeweging’ een zeer slechte naam is voor een beweging die juist een voorbeeld van globalisering is - omdat ze precies opvalt door haar globale samenwerking - is het beter te spreken over de beweging tegen de neoliberale globalisering. Al bekt dat ook al niet goed.

Het NLG-project als nieuw regime voor de wereld

Als de beweging tegen de neoliberale globalisering sterker op de voorgrond is getreden aan het einde van de jaren negentig zijn daarvoor verschillende redenen. De allereerste is dat the powers that be zelf het woord en het project globalisering hebben geïntroduceerd en wel als een nastrevenswaardig project voor alle mensen en landen van deze wereld. Wie zoiets doet, creëert als het ware een hoge boom en hoge bomen vangen nu eenmaal veel wind. De kern van dat project komt neer op wat men wel eens de Washington-consensus noemt: de overeenstemming tussen het Internationaal Muntfonds, de Wereldbank en de Amerikaanse Treasury die alle drie in Washington hun hoofdkwartier hebben, dat vrije markten van geld, goederen en diensten volstaan om een gunstige ontwikkeling teweeg te brengen in de wereld. Dit programma hield dan ook in: liberalisering van kapitaalmarkten, goederenmarkten, landbouwmarkten, dienstenmarkten plus privatisering van die (potentieel rendabele) sectoren waar overheidsmonopolies bestonden en waar dus geen markt bestond. Dat is ongetwijfeld een aanpak die multinationale ondernemingen zeer goed uitkwam: zij zijn immers de kampioenen van de internationale economische organisatie en het NLG-project heeft juist tot doel het scheppen van een groot globaal economisch speelveld met weinig nationale belemmeringen.
Even essentieel aan dat project is dat het andere vormen van globale organisatie, samenwerking en interactie - bv. het maken van afspraken of wetten op sociaal, ecologisch, cultureel of fiscaal gebied, het vrij verkeer van mensen - niet belangrijk en zelfs onwenselijk acht. Daarom is het ook gepast deze globalisering een neoliberale globalisering (NLG) te noemen. Er zijn immers heel andere globaliseringen denkbaar. Ook de Europese Unie heeft zich gedeeltelijk in het NLG-project ingeschreven: denken we maar aan de privatiseringsgolf in de telecom, de luchtvaart, de posterijen,…

Dit NLG-project ligt eigenlijk in het verlengde van het nieuwe regime dat al vanaf de Reagan- en Thatcherjaren opgang maakte in de ‘vrije wereld’ maar toen nog niet zo expliciet en zeker niet als globalisering werd opgediend. In ontwikkelingslanden deed het zijn intrede als ‘structureel aanpassingsprogramma’ dat landen met schuldenproblemen door het IMF opgelegd kregen om in aanmerking te komen voor nieuwe kredieten. In de rijke Westerse landen maakte het een einde aan het sociaaldemocratische, Keynesiaanse model dat na de Tweede Wereldoorlog op de rails was gezet. Dit model werd gekenmerkt door een, in historisch perspectief, grote rol voor de overheid (met onder meer een sterke greep op de geldwereld), een sterke herverdeling van de rijkdom via belastingen, het overwicht van tewerkstelling op financiën en een gestage uitbouw van sociale bescherming. De inflatie en de werkloosheid van de jaren zeventig en tachtig dienden als legitimatie om dat regime als onhoudbaar te bestempelen en te vervangen door het neoliberalisme, dat de overheidsrol, de herverdeling en de sociale bescherming terugdrong.

Nu is het zeker zo dat er sleet zat op de slagkracht van het Keynesiaanse model. Het klassieke recept om recessies weg te vlakken met openbare investeringen werkte almaar minder goed. Een essentiële oorzaak daarvan was - zo geloof ik - dat het rendement van productieve investeringen naar een dieptepunt was gezakt. Dat lag dan weer aan de zeer sterke positie van de vakbeweging die van jaren van zeer hoge tewerkstelling, in een algemene context van protest (mei ’68), had gebruik gemaakt om een historisch zeer groot deel van de koek voor zich op te eisen. Daardoor liepen de Keynesiaanse injecties stuk tegen de ‘muur van het geld’: het scheppen van bijkomende koopkrachtige vraag overtuigde de werkgevers niet om de investeringen of de productie aan te zwengelen omdat de winsten te laag bleven. Vergeefse publieke investeringen deden de overheidstekorten oplopen.

En die tekorten gingen plots veel zwaarder wegen toen de Amerikanen eind 1979 beslisten om - na vier decennia van ‘zacht geld’ - het geweer van schouder te veranderen door de rente sterk te laten stijgen. Zeer snel werden schulden die tot dan toe vederlicht waren, en uitgehold werden door inflatie, zwaar en duur. De Belgische staat moest voortaan concurreren met de Amerikaanse overheid om geld aan te trekken. Dat kostte stukken van mensen en maakte de situatie explosief. We schrijven 1981, België zat vast en Wilfried Martens zou zijn bocht naar het neoliberalisme maken door in zee te gaan met de liberalen van Gol en Verhofstadt. Winstmarges moesten worden hersteld door indexsprongen, het overheidstekort moest dringend teruggedrongen worden en de munt werd gedevalueerd om onze export goedkoper te maken. België moest mee in het neoliberale bad.
Het moet gezegd: het Belgische neoliberalisme was een verwaterde variant van de real stuff. Zeker op het vlak van de sociale bescherming viel het best mee. Die bleef min of meer overeind. De sterke vakbonden hebben er ongetwijfeld voor kunnen zorgen dat ons land weerstand bood tegen de niet-aflatende aanbevelingen van IMF en OESO om bijvoorbeeld de werkloosheidsuitkeringen minder royaal te maken. In de EU nam de sociale bescherming in die periode zelfs toe bij nieuwe lidstaten zoals Portugal en Griekenland.
Andere luiken van het neoliberale patroon waren echter wel duidelijk aanwezig. De rol van de overheid en de herverdeling van rijkdom werden afgebouwd in ons land en in de hele Unie. Stegen de lasten op arbeid in doorsnee nog wel, dan kan dit niet gezegd worden voor de hoogste arbeidsinkomens die hun belasting zagen afnemen. Arbeid zag trouwens zijn aandeel in de nationale koek afnemen, ook in de EU. De massale verrijking via almaar stijgende aandelenkoersen bleef geheel onbelast in ons land.

Na de overwinning van het kapitalisme in de Koude Oorlog werd dit neoliberale project veel explicieter - om niet te zeggen euforischer - doorgezet als hét regime voor de hele wereld. Het naar voor schuiven van het NLG-project was uiteraard een voorwaarde voor het ontstaan van een beweging die het onder vuur neemt. Maar dat gebeurde niet meteen. Al was het maar omdat het tijd vergt vooraleer zo’n term, zo’n begrip echt doordringt tot bredere lagen van de bevolking. Het woord globalisering wekt bovendien positieve connotaties: de wereld wordt een dorp, de interacties nemen toe. Wie kan daar tegen zijn? Verder konden een aantal emerging markets, vooral in Oost-Azië, mooie groeicijfers voorleggen. In het ontstane klimaat was het bovendien - zeker voor kleine landen - niet evident om kritiek te uiten op de mantra van de globalisering. Dan riskeerde je immers een paria te worden in het internationaal verkeer. Dat willen ontwikkelingslanden niet, ook al omdat velen ervan aanvoelen dat interactie met de zogenaamd meer ontwikkelde regio’s potentieel interessant en positief kan zijn voor hun ontwikkeling. Dat is de reden waarom ze lid willen worden van de Wereldhandelsorganisatie (WHO). Maar tot nu toe slagen ze er amper in die interactie met de rijke wereld in een voor hen positieve richting te laten evolueren. Dat werd in de loop van de jaren negentig almaar duidelijker. De ontgoocheling over de tegenvallende resultaten van het Wereldhandelsakkoord van 1994, de Uruguayronde, groeide aan. Maar er was meer.

Het casino als lont

De financiële crisissen van de jaren negentig - Mexico, Thailand, Indonesië, Zuid-Korea, Rusland, Brazilië - zijn ongetwijfeld zeer belangrijk geweest voor de tegenbeweging. Niet alleen wekten deze crisissen de al zeer oude en volkse afkeer van speculatie opnieuw op, ze legden ook de kwetsbaarheid van de neoliberale globalisering bloot. Ze maakten duidelijk dat de zo geloofde liberalisering en de zogenaamde vrije markt gevaren inhielden. Iets wat onze voorouders in de jaren dertig, veertig en vijftig maar al te goed wisten, werd in de jaren negentig door de financiële crisissen opnieuw bewezen. De muntcrisissen leidden tot sociale rampen in de betrokken landen: schulden van ondernemingen verdubbelden of verdrievoudigden op enkele maanden tijd, daardoor schoten werkloosheid en armoede de hoogte in. Onder druk van het IMF werden de intresten torenhoog opgetrokken - om opnieuw het vertrouwen van de beleggers te winnen - en moest de overheid besparen. Dat verscherpte de sociale crisis omdat het alle vraag uit de economie kneep.

De kritiek op de liberalisering van het geldverkeer kan trouwens nog dieper gaan. Sinds de jaren zeventig, werd het geldverkeer voortdurend vrijer gemaakt. Parallel daarmee nam het aantal financiële crisissen toe. Halverwege de jaren zeventig konden de Westerse banken voor het eerst weer met geld naar het zuiden. En nog geen tien jaar later begon de grote schuldencrisis van de ontwikkelingslanden. Die was heel duidelijk een gezamenlijke verantwoordelijkheid van noordelijke bankiers en onverantwoordelijke, maar ook niet verkozen, politici in het Zuiden. De schuldenlanden zouden de grootste prijs betalen want zij kreunen nog altijd onder de schulden. In de jaren tachtig stevenden de Amerikaanse spaarbanken na hun vrijmaking op een gigantische ramp af: de belastingbetaler zou het gelag betalen.
In de jaren negentig werd het een heus patroon: eerst maken de geldmarkten een land bloedheet om het even later te laten vallen als een baksteen. Gevolg: het land kan zijn schulden niet meer betalen omdat die door de scherpe muntontwaarding plots zoveel zwaarder wegen. Dan komt telkens het IMF met grote sommen belastinggeld over de brug voor het getroffen land. In ruil voor een besparingsprogramma moet het met dat geld de noordelijke banken betalen zodat die niet in de problemen komen met hun roekeloze beleggingen. Die publieke tussenkomsten waren de antipode van de vrije markt. Ze bevoordeelden echter vooral die groepen die traditioneel het sterkst pleiten voor een wilde vrijmaking van de geldmarkten in het zuiden: de internationale beleggers en speculanten, de grote banken uit het noorden. Door de schuldenlanden miljarden publiek geld - het IMF is ten slotte een intergouvernementele organisatie - ter beschikking te stellen, werden beleggers beschermd tegen de risico’s waartoe de hebzucht hen had gedreven. De oude kapitalistische droom die werkelijkheid werd: de winsten voor de private ‘ondernemers’, de lasten voor de publieke autoriteiten. Kevin Philips doopte dit in de International Herald Tribune het ‘kreeftensaladesocialisme’: tegenwoordig zijn het de beter gestelden die met overheidsgeld gesteund worden. Een bijkomend probleem was dat zoiets zelfversterkend werkt: als de beleggers eenmaal weten dat het IMF hen toch niet laat vallen, moedigt hen dat enkel aan tot nieuwe risico’s, de zogenaamde moral hazard.
De gevolgen van onvoorzichtigheid in financiële zaken worden je dus niet of weinig aangerekend als je too big to fail bent en voldoende relaties hebt in Washington. Ben je echter een arm derdewereldland, dan moet je wel afdokken als je onvoorzichtig bent geweest met het aangaan van krediet. Soms twintig jaar lang. Vanuit een individueel standpunt is het nog schrijnender. De verantwoordelijkheid van de individuele burger in het zuiden in deze financiële drama’s is klein - ook al omdat er dikwijls geen democratie was of is - maar hij moet wel de rekening betalen in de vorm van bv. minder sociale bescherming.

Dat is de vreselijke onrechtvaardigheid van de schuldenproblematiek die aan het eind van het millennium aanleiding gaf tot een zeer brede en krachtige internationale beweging, Jubilee 2000, die schuldverlichting wilde voor de armste landen. Dat is maar gedeeltelijk gelukt. En een financiële architectuur die nieuwe ontsporingen voorkomt, is er al helemaal niet gekomen. Evenmin als een Tobintaks op speculatie.
Toch hebben de financiële crisissen - vooral die in Azië en Rusland - het imago van het IMF gehavend. Bovendien maakte het debacle van de Russische overgang naar het kapitalisme duidelijk dat markten zelfs niet naar behoren kunnen werken zonder goed functionerende instellingen en overheden. De marktmantra die al twintig jaar over de wereld werd uitgegoten, bleek van een dodelijke - letterlijk, want de gemiddelde levensverwachting van de Russische man bedraagt nog 58 jaar - eenvoud te zijn.
En dan weten we nog niet hoe het zal aflopen op de beurzen van de VS en Europa. Wat zullen de gevolgen zijn als de beurskoersen op Wall Street blijven zakken ? Het succes van de huidige Chinese politiek hangt af van de Amerikaanse koopkracht: als China zijn export niet kwijt kan, is de ramp niet te overzien.

Ongelijkheid

Fundamenteler is wellicht nog dat de neoliberale globalisering kennelijk de ongelijkheden in de wereld doet toenemen. In de jaren negentig publiceerde de UNDP, het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties, hierover verontrustende statistieken. De 20% rijkste mensen verdienden in 1960 nog 30 maal meer dan de 20% armsten, en nu al 82 maal meer. Een tiental miljardairs bezitten meer dan hetgeen 1 miljard mensen op een jaar verdienen. Of hoe 4% van het vermogen van de 225 rijkste mensen zou volstaan om de hele wereld basisonderwijs- en gezondheidszorg en drinkbaar water te geven. Wat eigenlijk een verborgen pleidooi voor een globale vermogensbelasting is. Of hoe binnenin de landen, ook de rijke, de verschillen toenemen en het beleid daar feitelijk niks aan doet. En het zelfs veeleer in de hand werkt: wat zou de impact zijn van de aangekondigde belastinghervorming in België op de inkomensongelijkheid? Die vraag stellen is ze beantwoorden als je weet dat het hoogste tarief verlaagd wordt van 55% naar 50%. In 1988 werd het al verlaagd van 72% naar 55%. De echte averechtse herverdeling schuilde uiteraard in de enorme waardestijging van de aandelen overal ter wereld, maar ook in België. Die zou er niet gekomen zijn indien de vennootschapswinsten ook niet op een blijvende manier waren gestegen.
In de Belgische context kan je nog zeggen dat ‘slechts’ 6% mensen arm zijn. Naar internationale normen is dat erg weinig. De neoliberale globalisering slaagt er niet in iedereen te betrekken in zijn project maar werkt integendeel polarisering in de hand. De investeerders zijn sterk geïnteresseerd in de Chinese kustgebieden terwijl grote gebieden geen investeringen aantrekken en tot chaotische entiteiten verworden.

Burgers zonder koopkracht worden ook niet bediend op de wereldmarkt. Een van de meest dodelijke voorbeelden is de zeer beperkte interesse van de farmareuzen voor tropische ziekten. Hetzelfde mechanisme verklaart wellicht waarom biotechnologie bij gewassen vooral gebruikt wordt in de monopolievorming van chemiemultinationals. Het ontwikkelen van herbicide-resistente gewassen is blijkbaar de meest dringende uitdaging waar de wereld voor staat op landbouwgebied. De lang beloofde planten die beter tegen droogte kunnen, daar hebben we de voorbije jaren niet veel meer van gehoord. De markt schiet hier overduidelijk tekort, of beter, het neoliberale regime. Het probleem is dat er geen markt is in het zuiden of dat de markt er niet groot genoeg is. In het neoliberale regime is dat dodelijk: geen koopkracht, geen markt, dus geen bediening. De enige manier die ik zie om daaraan te ontsnappen, zijn publieke fondsen om het onderzoek door private firma’s en liever nog door publieke instellingen, naar tropische ziekten en gewassen te financieren. Erg neoliberaal is dat niet. En zoals een Indiër onlangs geëmotioneerd opmerkte: ‘wat zijn we met nieuwe geneesmiddelen als onze landgenoten de al bestaande medicijnen niet eens kunnen kopen?’ Hij zag alleen een oplossing in een publiek gefinancierd systeem van gezondheidszorg met toegang voor iedereen, het West-Europese model, zeg maar. Alleen heeft Europa zo’n gebrek aan fierheid over zijn sociale verwezenlijkingen, dat het er nog niet aan denkt zich internationaal als het na te volgen voorbeeld op sociaal gebied door te zetten. Europa lonkt integendeel naar de Verenigde Staten. Overal loert amerikanisering en dus neoliberalisme.

In 1995 werd het nieuwe Wereldhandelsakkoord ondertekend en meer bepaald het akkoord over de TRIP’s - Trade Related Property Rights - dat de bescherming van de uitvindersrechten (patenten) regelt. Sindsdien is het voor de arme landen moeilijker geworden om medicijnen goedkoper na te maken. Dat is een heel duidelijke achteruitgang die te wijten is aan de WHO. En de farmareuzen voeren onomwonden strijd tegen de ontwikkelingslanden die hun patenten onvoldoende beschermen. Sommigen noemen dat een uitwas van het neoliberalisme. Maar is dat wel zo? Te weinig mensen weten dat de Wereldgezondheidsorganisatie er in 1998 een hele conferentie lang niet in slaagde het nochtans evidente principe dat ‘de volksgezondheid primeert op commerciële belangen’ te laten aanvaarden. Reden? De Verenigde Staten, onder invloed van hun farmaceutische industrie, zagen dat niet zitten.
Het hele TRIPS-akkoord is misschien wel het beste bewijs dat het wereldhandelsakkoord van 1995 vooral de belangen van de al rijke landen behartigt. Van alle patenten die er jaarlijks worden aangevraagd, nemen alle ontwikkelingslanden samen maar een paar procent voor hun rekening.

Milieu

Een derde factor zijn de groeiende milieuproblemen. Centraal daarin staat het globale risico par excellence: het broeikaseffect dat onberekenbaar is in zijn effecten en gevolgen. KPMG, een van de grote consultants, stelde in opdracht van Greenpeace vast dat de productie van fotovoltaïsche zonnecellen - die een elektriciteitsproductie zonder broeikasgassen mogelijk maakt - rendabel zou zijn op voorwaarde dat ze op massale schaal gebeurt. Vooraleer de vraag er is, weigert de private sector het risico te nemen zo’n megafabriek neer te zetten. En de neoliberale ideologie maakt het ondenkbaar dat de overheden het initiatief zouden nemen om het begrotingsoverschot bijvoorbeeld te investeren in het bouwen van zo’n fabriek en het opzetten van een grote campagne voor zonne-energie. Dat zijn de beperkingen van een neoliberaal systeem ten aanzien van langetermijnrisico’s, zoals een klimaatwijziging er een is.
Bovendien stellen we vast dat de klimaatafspraken niet nageleefd werden en dat daar geen sancties tegenover staan. Met George W(aanzin) Bush als Amerikaanse president wordt dat alleen maar erger. De protestbeweging stelt dus vast dat het neoliberale regime het overtreden van commerciële afspraken en regels wel bestraft via een slagkrachtige WHO maar dat het vertikt om hetzelfde te doen voor milieu-afspraken.
Wat met de landbouw ? Ook daar lijken we te botsen op de grenzen van het gehanteerde model van wereldwijde concurrentie en globalisering. De creatie van een wereldwijde markt voor voedingsproducten heeft tot gevolg dat er amper nog locale voedselcrisissen bestaan. Iedere besmetting van dieren, iedere vergiftiging vertaalt zich terstond in een Europese of zelfs een globale bedreiging. Die vaststelling is feitelijk ouwe koek. Een groot systeem is een kwetsbaardere structuur dan meerdere systemen die min of meer onafhankelijk van elkaar functioneren. Wereldwijde concurrentie zet de prijzen ook zo zwaar onder druk dat ecosystemen en dieren daar zwaar onder lijden. Bij een deel van de bevolking in de EU leeft echter het verlangen naar een milieu- en diervriendelijke kwaliteitslandbouw van eigen bodem: meer vertrouwen door nabijheid en transparantie, meer verscheidenheid en kleinschaligheid. Hoe dat kan worden verzoend met de globalisering van de landbouw is een open vraag. Het noorden werkt bovendien al decennia aan open markten voor zijn hoogtechnologische producten en kan moeilijk de deur dicht houden voor de landbouwproducten die zo belangrijk zijn voor het zuiden.

Brandstof genoeg voor een tegenbeweging

Het bovenstaande maakt duidelijk dat er meer dan brandstof genoeg is om een tegenbeweging op gang te brengen en draaiende te houden. Geldcrisissen worden onrechtvaardig afgehandeld: de rijken worden beschermd, de armen betalen. Het klinkt pamflettair - ik weet het - maar het is niet anders. Er is een groeiende ongelijkheid en er worden nieuwe instrumenten gecreëerd zoals het TRIPS-akkoord, die de kloof nog vergroten. Gevolg: de migratiedruk neemt steeds maar toe. De allerrijksten weigeren het broeikaseffect au sérieux te nemen. Bush sr. zei al in 1992 dat de Amerikaanse way of life niet ter discussie staat.
Het is deze brandstof die de kritische beweging al die jaren is blijven boven spitten. Jubilee 2000 kon rekenen op organisaties die de schuldenproblematiek al jaren volgen, zoals 11.11.11 en Broederlijk Delen bij ons en Eurodad op Europees niveau.
De financiële crisis van Azië in 1997 gaf aanleiding tot het opstarten van ATTAC door Ignacio Ramonet van Le Monde Diplomatique (LMD). En dat sluit eigenlijk naadloos aan bij het beleid dat LMD al jaren volgt, een redactionele lijn die bijzonder kritisch staat tegenover de neoliberale globalisering en niet aarzelt om het falen ervan bloot te leggen. Om die lijn veilig te stellen streefde LMD ook een reële onafhankelijkheid na. Dat wil zeggen: onafhankelijkheid ten opzichte van de ondernemerswereld die meestal doordrongen is van het neoliberalisme. Dat kon enkel door het blad vrij te kopen, en het mobiliseren van financiële middelen bij de eigen lezers. Zo’n echt onafhankelijk blad kan zonder problemen oproepen om een ngo op te richten die luistert naar de naam: Association pour une Taxe sur les Transactions pour l’Aide aux Citoyens, afgekort ATTAC. Die ‘Taxe’ slaat uiteraard op de Tobintaks. De journalisten hebben immers geen eigenaar die mee over hun schouder kijkt en misschien over weinig dingen uitgesproken ideeën heeft behalve over economie. En ATTAC heeft het juist over economie en zet zich af tegen de neoliberale ordening ervan. In Vlaanderen kan volgens mij geen enkele krant of weekblad oproepen tot het oprichten van zoiets als ATTAC.

Deze ngo heeft als eerste doelstelling de invoering van de Tobintaks, een belasting op het wisselen van geld. Muntcrisissen zoals die van de jaren negentig zouden daarmee kunnen voorkomen worden en er zou vooral geld verzameld kunnen worden voor allerlei projecten die de armsten ten goede kunnen komen.
Naast de Tobintaks kunnen de verschillende nationale ATTAC-afdelingen weliswaar eigen accenten leggen. Maar als vaste kern hebben alle nationale ATTAC-afdelingen toch de bestrijding van het neoliberale regime: privatisering van de sociale zekerheid (de opmars der pensioenfondsen), fiscale paradijzen, lage belasting op kapitaalinkomens…
Ook Focus on the Global South geleid door de Filippijnse professor Walden Bello of het Third World Network van de Maleisiër Martin Khor stonden klaar om de Aziatische crisis te vertalen in een striemende kritiek op de Amerikaanse globalisering. ‘We zijn niet tegen elk vorm van directe buitenlandse investeringen, wel tegen korte termijn geldstromen. Voor de buitenlandse investeringen moeten landen dan maar kiezen wat in hun project past’, zei Bello ons eind ’97 in Bangkok, waar de hoogbouwkranen plots werkloos stonden neer te kijken op de stadsjungle.

De forcing gaat faliekant fout

Tot nu toe beschreven we de fundamenten van de protestbeweging maar er is ook zoiets als de ‘petite histoire’, factoren die bepalen waarom een beweging die er hoe dan ook zou zijn gekomen - als je bovenstaande realiteiten in ogenschouw neemt - juist in die maand van dat jaar een eerste piekmoment kent.
Een punt is zeker en dat is dat de neoliberalen verder de forcing bleven voeren. Op de Parijse kantoren van de OESO - heel toepasselijk in het Palais de la Muette - onderhandelden hoge ambtenaren gedurende anderhalf jaar in het geheim over het Multilateraal Akkoord voor Investeringen, het MAI. Daar werd zoiets als een ‘grondwet voor de wereld’ geschreven. Zo werd het ontwerp genoemd in de WHO, maar op enkele ambtenaren na wist die wereld niks af van het werk aan die grondwet. Bovendien bevatte het ontwerp een aantal bepalingen die op de critici inwerkten als een rode lap op een stier. Zo was er sprake van een internationale rechtbank waar bedrijven - zeg maar de multinationals - de staten, de regeringen konden dagvaarden indien ze zondigden tegen het MAI. Zondigen tegen het MAI gebeurde al van zodra een regering op welke manier dan ook een eigen nationale investeerder bevoordeelde tegenover een buitenlandse investeerder. Het had veel weg van een vrijgeleide voor de multinationals om de wereld onder de voet te lopen.

Blijkbaar vonden ook verschillende OESO-landen dit te ver gaan want een viertal landen lekte het ontwerp naar ngo’s. Dankzij het internet raakten MAI-kopieën in een mum van tijd verspreid over de hele wereld en het protest zwol aan. Vele regeringen reageerden verlegen toen het ontwerp uitlekte. Toenmalig politiek verantwoordelijke Philippe Maystadt distantieerde zich van het ontwerp. Hij verklaarde dat de politici de ambtenaren ten onrechte zoveel vrijheid hadden gegeven bij de opstelling van het MAI, al hield hij vol dat het zinvol bleef een lijn aan te brengen in de chaos van de honderden bilaterale investeringsakkoorden. Uiteindelijk was het de Franse regering die het project definitief onderuit haalde door uit de MAI-werkgroep te stappen. Dit succesje deed de tegenbeweging deugd: dit was zowat de eerste duidelijke overwinning in jaren. Bovendien had het MAI misschien voor het eerst de slagkracht van het internet als actiemiddel voor ngo’s geïllustreerd. Al moet er worden toegevoegd dat het internet maar werkt als er al vooraf een basisnetwerk bestaat van mensen en ngo’s die elkaar kennen. Natuurlijk neemt zo’n netwerk razendsnel in omvang toe als alle betrokken organisaties aan elkaar weer hun adressen en bekenden doorspelen. En zoals dat met alles het geval is: succes versterkt het elan.

De eenzijdigheid

Na het MAI stond meteen al de volgende uitdaging op de agenda: de tweejaarlijkse ministerconferentie van de WHO eind 1999 in Seattle. Die had heel wat troeven om een ‘succes’ te worden voor de tegenbeweging. Ze kwam op een bemoedigend korte tijd na het MAI-succes, en de verstevigde netwerken gingen er stevig tegenaan. Het gebeuren situeerde zich in de VS en iets wat in de VS gebeurt, krijgt doorgaans al veel meer globale aandacht. Als er dan ook nog iets mediagenieks gebeurt zoals een blokkade voor de toegang tot het Congrescentrum of gevechten met de politie, kan het niet meer stuk natuurlijk.
Bovendien bood de WHO ook een uitgelezen kans. Deze organisatie werd officieel opgericht in 1995 als opvolger van de GATT. Met uitzondering van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties is ze zowat de enige internationale organisatie die het overtreden van haar regels kan bestraffen. En die regels zijn van commerciële aard en stimuleren de vrijhandel. Dat bleek tussen 1995 en 1999: in de meeste van de gevallen waarin de WHO-panels zich hadden moeten uitspreken over conflicten tussen landen, primeerden de vrijhandelsargumenten boven sociale, ecologische of gezondheidsoverwegingen. De Amerikanen moesten hormonenvlees kunnen verkopen in de EU, vond de WHO. Het Europese bananenregime dat kleine en minder efficiënte boeren uit ACP-landen beschermde tegen de dollarbananen van de Amerikaanse bananenplantages in Centraal-Amerika, kon ook niet volgens de WHO. Die paar sterk gemediatiseerde verhalen, maakten dat de WHO symbool kwam te staan voor de eenzijdigheid van de neoliberale wereldorde. Blijkbaar vond deze wereld alleen vrijhandel voldoende belangrijk om het met sancties te verdedigen. De milieuafspraken (Rio en Kyoto) of de al decennia bestaande conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie waren dat blijkbaar niet.

Voor de tegenbeweging werd Seattle een inslaand succes. Het doet er zelfs niet toe dat er geen vooruitgang kwam omdat de VS en de EU het niet eens waren - en niet omwille van de tegenbetogers. Het beeld dat van Seattle overblijft, is dat van de sterke tegenbeweging. De pas aangewezen WHO-baas Mike Moore verloor zelfs wat de trappers: herhaaldelijk noemde hij de manifestanten fascisten. Met dit nieuwe succes was het hek helemaal van de dam. De reële impact, de wereldwijde media-aandacht, de stap vooruit in de opbouw van netwerken: het ging mekaar allemaal versterken. Sindsdien kunnen IMF en Wereldbank, de G7, het Wereld Economisch Forum, en sinds Nice zelfs de Europese Unie niet meer bijeenkomen zonder geconfronteerd te worden met protest. Tenzij je naar Okinawa vlucht zoals de G7 vorig jaar, en naar Qatar zoals de WHO eind dit jaar. Binnen de beweging fungeert het internet als dialooginstrument, agenda, postbus,…

Porto Alegre

Met de bijeenkomst van het Wereld Sociaal Forum in Porto Alegre, begin dit jaar, wordt een nieuwe stap vooruit gezet. Dit is een eerste poging om tot een grotere samenhang en institutionalisering van de beweging te komen. Het is duidelijk dat deze beweging een enorme verscheidenheid aan actoren bevat. Zowel naar vorm - individuen, kleine ngo’s, reusachtige vakbonden - als naar inhoud - inheemse volkeren, ontwikkelings-ngo’s, vakbonden, alternatieve boeren… Het enige wat deze mengelmoes lijkt te binden, is het verzet tegen de bestaande orde. Het is best mogelijk dat er ook reële tegenstellingen bestaan tussen sommige deelnemers. Sommige ontwikkelings-ngo’s zullen pleiten voor open grenzen voor de landbouwproducten uit het zuiden. Bioboeren geloven in een meer locale landbouw. Dat wil niet zeggen dat daar geen compromis mogelijk is maar die dingen zijn zeker nog niet volledig doorgepraat. Een andere scheidingslijn is duidelijk die tussen de reformisten die het kapitalisme menselijker willen maken - daar hoort de Derde Weg bij - en de postkapitalisten die op termijn, desnoods over een of meerdere eeuwen, hopen op een ander, menselijker systeem met minder macht voor bezitters van geld. Diezelfde scheidingslijn zie je ook in de houding tegenover de bestaande instellingen. Sommigen willen dat WHO of IMF verdwijnen, anderen willen die hervormen. Daar is men dus nog lang niet uit.
Porto Alegre heeft met die discussies een begin gemaakt. En dat dit een lang proces wordt, zou niemand mogen verbazen. Daarom kwam er in Brazilië ook geen slotverklaring. Zeker is echter dat het in contact brengen van zoveel ervaringen van op zoveel breedtegraden, hoe dan ook in potentie erg verrijkend is. Hoopgevend is ook dat bepaalde delen van de beweging een erg realistische kijk op ‘het beestje genaamd mens’ hebben. Ze vinden dat er moet worden geleerd uit de vreselijke ervaringen van vroegere idealistische bewegingen met bv. de machtswellust van hun leiders. Ze willen daarom dat er in het proces dat nu bezig is, al meteen aandacht is voor hiërarchie en macht en hoe de beweging daarmee omgaat.

De grote vraag is natuurlijk hoe breed en hoe diep deze beweging gaat. Is dit veel meer dan een harde kern van summit hoppers? Heeft deze beweging de kritische massa om het neoliberalisme echt om te buigen ? Hoe diep de beweging gaat, is moeilijk te zeggen. Je kan moeilijk beweren dat er nu echt grote volksmassa’s op straat komen. Al is het waarschijnlijk dat de onvrede breder is dan alleen bij de groep die nu actief is. De vakbonden kunnen met veel van de eisen akkoord gaan maar zijn minder actief in het straatprotest,wel meer in de analyse en het overleg. Zeker is dat er voldoende brandstof is voor een zeer krachtige tegenbeweging. Het NLG-project beantwoordt een aantal fundamentele noden immers absoluut niet, zoals we hierboven hebben aangetoond. Dat besef leeft ook sterk binnen de beweging. ‘We hebben de wind mee, en de druk en de voorstellen vanwege de multinationals om zich met ons te verbinden, is groot. Wij moeten daar niet op ingaan en de tijd zijn werk laten doen,’ zo vatte Walden Bello dat onlangs samen.

Hoe breed de beweging wordt, hangt af van toekomstige evoluties. Daar komen we misschien wel op het territorium van de vlinderslag die leidt tot een orkaan. Wat er gebeurt als er nog eens een financiële crisis komt - als de Amerikaanse beurs blijft dalen bv. - weten we niet. Zeker is dat de beweging nu al begint te wegen op de gebeurtenissen. ‘Op momenten van crisis kan het systeem in verschillende richtingen evolueren, er is geen determinisme, alles hangt af van de krachtsverhoudingen op dat moment,’ schrijft de politicoloog Immanuel Wallerstein al jaren. Ik voel wel iets voor die visie. Deze beweging kan miljoenen mensen in de wereld opnieuw hoop geven.

Foto’s: Het Wereld Sociaal Forum in Porto Alegre - januari 2001 - copyright indymedia

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 4 (april), pagina 32 tot 42