Abonneer Log in

De handbijbels van de 'Seattle-beweging'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 9 (november), pagina 50 tot 56

No Logo

Naomi Klein
2001

Empire

Toni Negri & Michael Hardt
2000

Sinds de val van de muur en de daaropvolgende implosie van het Oostblok genoten de neoliberale pleitbezorgers met volle teugen van het ‘einde van de geschiedenis’. Zou de ‘marktgebaseerde democratie’ immers niet resulteren in vrede en mondiale voorspoed voor iedereen? Ondertussen is dit naïeve geloof aan diggelen geslagen. Het wereldwijd opgedrongen model van de neoliberale globalisering en haar sociaal en ecologisch niet-duurzaam consumptiepatroon, heeft tot massaal verzet geleid. Het is momenteel onmogelijk om de precieze gevolgen van ’11 september’ in te schatten voor de toekomst van de wereldwijde ‘Seattle-beweging’, de beweging die strijdt voor een alternatieve, democratische globalisering van onderuit.1 Maar het staat buiten kijf dat het heersende bestel handig gebruik zal trachten te maken van zijn War on Terrorism (na zijn War on Drugs) om de Seattle-beweging verder te discrediteren. Nochtans biedt de huidige wereldcrisis ook nieuwe kansen. De grote uitdaging voor de Seattle-activisten bestaat er net in om het verband tussen de wereldwijde sociaaleconomische ongelijkheid en de ‘Angstige Nieuwe Wereld’ na ‘11 september’ bloot te leggen. Meer dan ooit is er daarom nood aan actuele analyses van het contemporaine wereldkapitalisme die bovendien mobiliserend kunnen werken. No Logo 2 en Empire 3 vervullen precies die functie. Hoewel de twee boeken qua stijl elkaars tegenpool vormen, zijn beide werken inmiddels uitgegroeid tot de handbijbels van de Seattle-generatie.

NO LOGO

De 30-jarige Canadese journaliste-activiste Naomi Klein is dankzij haar spraakmakend boek No Logo één van de coryfeeën binnen de wereldwijde protestbeweging geworden. Klein beschrijft als geen ander het proces van de genese van de Seattle-beweging. Daarnaast biedt No Logo een gedocumenteerde aanklacht tegen de commercialisering van de samenleving en de praktijken van de multinationale ondernemingen in het Zuiden. Klein geeft geen diepgravende theoretische analyses of complexe modellen. Wat No Logo zo intrigerend maakt, is veeleer de stijl en het verfrissend taalgebruik. Klein bestookt de vrijemarkteconomie met haar eigen wapens: slogans, reclame, taal en merknamen. Volgens Klein is het meest kernachtige symbool van deze New Branded World net het logo: een nieuw soort esperanto, een universele taal die zelfs doeltreffender is dan het mondiaal infiltrerende Engels. Dit is natuurlijk slechts nep. Achter deze bedwelmende taal van logo’s schuilt een wereld van extreme sociaaleconomische dualisering, ecologische crises en wreedheid tegen mens en dier.

‘Branding’

Logo’s zijn tot in elke uithoek van de samenleving doorgedrongen en steeds losser komen te staan van de producten waar het eigenlijk om gaat. Openbare ruimtes worden daarbij opgevreten, geprivatiseerd, gekolonialiseerd. Deze postmoderne space invaders zijn zelfs tot in urinoirs, schoolboeken en cantines gepenetreerd. In het huidige tijdperk van economische globalisering concentreren multinationals zich inderdaad alsmaar meer op marketing, terwijl ze de productie uitbesteden aan genadeloze onderaannemers in lageloonlanden. De multinationale ondernemingen profileren zich daarbij als life-stylefilosofen. Zo verkoopt IBM geen computers, maar eerder solutions for a small planet. Deze ontkoppeling tussen de productie en de ‘naamvorming’ gaat niet alleen gepaard met een verlies aan degelijke, vaste en gesyndicaliseerde arbeidsplaatsen in de reguliere arbeidssector in het Noorden, maar tegelijkertijd met de algemene achteruitgang van de jobs die van het Noorden naar het Zuiden verplaatst worden. Klein bezocht enkele van de sweatshops in de zgn. Export Processing Zones en confronteert de lezer(es) met huiveringwekkende verhalen. In deze zones treft men steeds dezelfde schrijnende arbeidsvoorwaarden aan: lange werkdagen, vrouwen- en kinderarbeid, militair management, onleefbare lonen, afwezigheid van vakbonden en sociale zekerheid, denigrerend kettingwerk, gedwongen en onbetaald overwerk, enz. Just do it klinkt dan ook een beetje onfatsoenlijk wanneer je weet dat een ‘Nike-arbeidster’ in Indonesië 2USD per dag verdient.

Recuperatie

Klein toont eveneens aan hoe de marketingwereld zich heeft gespecialiseerd in de recuperatie van alternatieve subculturen (punk, hiphop, enz.) en revolutionaire figuren. Ze beschrijft hoe multinationals progressieve strijdbewegingen zoals het feminisme of antiracisme trachten te absorberen en zichzelf daarbij graag als ‘politiek correct’ en ‘multicultureel’ presenteren. Hierbij worden evenwel de economische machtsverhoudingen volledig naar de achtergrond gedrongen. Zo liet Benetton in één van haar campagnes een vrouw declameren: ‘Naaldhakken zijn een samenzwering tegen vrouwen’. Hoe valt deze bekommernis echter te rijmen met de schromelijke uitbuiting van jonge vrouwen in de sweatshops in het Zuiden door diezelfde bedrijven of hun onderaannemers? Maar bedrijven beseffen beter dan ooit het belang van een goed imago.

Wie wind zaait… zal storm oogsten!

Hoewel multinationale bedrijven zich in het verleden omschreven als ‘motors van werkgelegenheid’ en daardoor allerlei voordelen vanwege overheden afdwongen, stellen zij zich nu meer en meer voor als ‘motors van economische groei’. Het lijkt een subtiel verschil, tenzij je op zoek bent naar werk. Ze dragen inderdaad bij tot de economische groei, maar dit verwezenlijken zij liefst via afdankingen, fusies en uitbestedingen… De strijd tussen arbeid en kapitaal wordt steeds vaker in het voordeel van het internationale kapitaal beslecht. Vandaar dat, telkens er ‘saneringen’ met luid tromgeroffel worden aangekondigd, de aandeelkoersen pijlsnel de hoogte invliegen (cf. Renault-Vilvoorde). Nochtans heeft diezelfde arrogantie van multinationals - met hun opdringerige logo’s en hun gebrek aan respect voor minimale sociale en ecologische duurzaamheid - de voorwaarden geschapen voor de backlash tegen hen. Dankzij Shell, McDonalds en Nike beseffen activisten wereldwijd beter dan ooit dat sociale, ecologische, culturele en ethische problemen alles met elkaar te maken hebben. Het voorbeeld van Shell’s escapades spreekt daarbij boekdelen. Zo was deze onderneming verwikkeld in de fameuze ‘Brent Spar’-affaire, was ze medeverantwoordelijk voor het mensenrechtendebacle van de Ogoni-bevolking in Nigeria, liet ze massa’s arbeiders afvloeien ten tijde van torenhoge winsten om haar olieproducten met een nog grotere winst te verkopen, terwijl de almacht van Koning Auto resulteerde in de revolte van de Reclaim the Streets-beweging.

‘Carnival against capital’

Klein beschrijft nauwgezet hoe midden jaren 90 een nieuwe generatie van activisten is opgestaan. Aangezien zij bitter weinig van de traditionele partijpolitiek verwachten, pakken zij de economische wanverhoudingen rechtstreeks aan. In No Logo besteedt Klein uitvoerig aandacht aan die eigentijdse directe actievormen. Zo hanteren de culture jammers de jijutsi-techniek. Zij maken nl. gebruik van de kracht en de inertie van de tegenstander om die te vloeren. Hacktivisten en adbusters parodiëren reclamecampagnes door ze met graffiti of computertechnieken een tegengestelde betekenis te geven. Klein bespreekt daarnaast de reeds vermelde Reclaim The Streets-beweging. Deze carnavaleske bijeenkomsten zijn een mengvorm van een demonstratie en een onaangekondigde straatfuif. De kleurrijke actievoerders hebben de taal en de tactiek van het radicale ecologisme naar de stadsomgeving verplaatst om te protesteren tegen de geestdodende commercialisering en de dictatuur van het gemotoriseerde privé-vervoer. Aan de Amerikaanse universiteiten is er eveneens een groeiende protestbeweging tot stand gekomen. De United Students against sweatshops eisen dat hun universiteiten alle producten boycotten die in erbarmelijke omstandigheden geproduceerd werden. Verder besteedt Klein nog aandacht aan de anti-McDonalds actiegroepen en aan een waaier van e-mailnetwerken en internetsites die een kritische waakhondfunctie aannemen t.a.v. multinationals. Dit alles toont zeer duidelijk aan dat de protesten in Seattle (december 1999) en nadien in Praag en Genua heus niet uit de lucht zijn komen vallen. In Seattle vond er een convergentie plaats van deze eigentijdse directe actiegroepen met zowel de ‘traditionele’ (vakbonden, boerenbewegingen, enz.) als de ‘nieuwe sociale bewegingen’ (ecologisten, (eco)feministen, derdewereldgroepen, indigene bewegingen, enz.). Precies die diversiteit vormde en vormt nog steeds de kracht van de alternatieve-globaliseringsbeweging.

Kritieken

Aan het adres van Klein zijn reeds de meest uiteenlopende kritieken geuit. Zo wordt gesuggereerd dat de bestseller No Logo bijna zelf een logo is geworden en dat dit slechts via de door Klein zo verguisde marketingprocedures kon gerealiseerd worden. Een ander vaak gehoorde commentaar stelt dat Klein wel zegt waar ze tégen is maar nooit waar ze voor is. Dat is exact hetzelfde verwijt waarmee de Seattle-beweging wordt geconfronteerd.4 Nochtans is Klein, evenals figuren zoals Subcomandante Marcos, wat dat betreft zeer duidelijk en weigert zij om, in navolging van het neoliberale éénheidsmodel, daar één homogeen tegenmodel tegenover te plaatsen. Zij stelt dat er ruimte moet gecreëerd worden voor een verscheidenheid van alternatieven die lokaal geworteld zijn, binnen een universeel kader. Principes zoals het recht op zelfbeschikking, economische soevereiniteit, economische en participatieve democratie5 staan daarbij centraal.
Ook vanuit linkse hoek is er kritiek. No Logo zou zich al te uitdrukkelijk op het logokapitalisme fixeren en andere aspecten van de contemporaine globalisering uit het oog verliezen. In de hoogtechnologische en kennisintensieve sectoren speelt productie inderdaad een veel prominentere rol dan marketing of branding. Klein ziet over het hoofd dat invloedrijke bedrijven zoals Microsoft en Monsanto zich via Trade Related Intellectual Property Rights (zoals vastgelegd in de GATT/WTO-akkoorden) een quasi-monopolie op spitstechnologie hebben toegeëigend. Hierdoor wordt het voor de kleinere vissen onmogelijk gemaakt om te concurreren, aangezien zij buitensporige royalty’s dienen te betalen aan wat sommigen de ‘high-techmaffia’ noemen. Daarnaast ontbreken op Klein’s schurkenlijstje nog het IMF en de Wereldbank, die via hun Structurele Aanpassingsprogramma’s en rentebeleid tal van plaatselijke Zuiderse economieën hebben ontwricht met alle sociale en ecologische gevolgen van dien.6 Tenslotte besteedt Klein evenmin aandacht aan de steeds groeiende invloed van het financiële en speculatieve kapitaal. De zgn. ‘nieuwe economie’ of het virtuele kapitalisme - waarin toekomstige winstverwachtingen belangrijker worden dan actuele winstverwachtingen (cf. evoluties van dot.com bedrijven) - is in essentie een luchtbel die, zoals de recente geschiedenis heeft uitgewezen, regelmatig wordt doorprikt.
Een ander bezwaar tegen No Logo komt van meer orthodox-marxistische en anarchistische hoek. Klein zou te weinig de nadruk leggen op één of andere revolutionaire strategie. In een recent artikel7 gaat ze uitvoerig op deze kritiek in. Activisten moeten veeleer in het hier en nu ageren: waar zij wonen, waar zij werken, waar zij studeren, waar zij het land bewerken, enz. De Seattle-activisten moeten m.a.w. niet alleen globaal opereren maar zich tegelijkertijd engageren in diverse lokale bewegingen, die op het concrete microniveau weerstand bieden tégen de neoliberale pletwals.

EMPIRE

Empire, het ophefmakende boek van Toni Negri en Michael Hardt over het contemporaine wereldkapitalisme, is andere koek vergeleken met No Logo. Negri, een oude getrouwe van de Italiaanse linkerzijde8 en Hardt, professor literatuurwetenschappen, hebben ontegensprekelijk een gevoelige snaar geraakt bij linkse academici, intellectuelen en tal van activisten tegen de huidige globalisering. Dit is op zich opmerkelijk. Na de val van de muur leek links verslagen te zijn. Aan de rechterzijde werden een resem totaliserende werken geschreven over de triomf van de vrijemarkteconomie en de VS. Hiermee verwijzen we niet alleen naar Fukuyama met zijn totalitair ‘einde van de geschiedenis’ maar eveneens naar auteurs zoals Huntington en Friedman. Links daarentegen likte zijn wonden. Empire vormt, net zoals No Logo, een spectaculaire breuk met dat links defaitisme en is verbazingwekkend optimistisch. Negri en Hardt postuleren dat de postmoderne globale economie helemaal niet oppermachtig is, maar integendeel de kiemen in zich draagt van haar eigen ondergang. De Sloveense filosoof Zizek noemde Empire ‘een Communistisch Manifest voor de 21e eeuw’, terwijl Frederic Jameson, één van de invloedrijkste marxisten van vandaag, Empire typeerde als ‘de eerste grote theoretische synthese van het nieuwe millennium’. In tegenstelling tot No Logo is dit geen journalistieke studie van het contemporaine kapitalisme maar een interdisciplinair werk dat poogt een totaalanalyse te leveren van het tijdperk van de neoliberale globalisering. Empire reflecteert over recht, cultuur, politiek en economie, gebruik makende van een jargon dat put uit het marxisme maar tegelijkertijd ook uit het Franse poststructuralisme en deconstructie-denken (voortbouwend op Foucault, Deleuze, Guattari, Debord).

De overgang naar het Imperium

Twee fundamentele ideeën liggen aan de basis van dit boek. De eerste stelt dat er geen geglobaliseerde markt kan bestaan zonder één of andere juridische ordening. Het neoliberale globaliseringsproces kan immers niet begrepen worden uitsluitend in termen van een verregaande deregulering van de markt. Die supranationale ordening (hetgeen Negri en Hardt het ‘Imperium’ noemen) vereist immers een aantal regulerende instrumenten die haar efficiëntie garanderen. De tweede idee poneert dat deze ‘imperiale’ geglobaliseerde markt eigentijdse vormen van (re)productie, ongehoorzaamheid, rebellie en klassenstrijd met zich meebrengt. Negri en Hardt beschrijven hoe de soevereiniteit van het Imperium een samengestelde vorm (mixed constitution) heeft aangenomen: een reeks nationale en supranationale organismes die met elkaar in een eensluidende regeringslogica verenigd zijn. Het tijdperk van het klassieke imperialisme is volgens Hardt en Negri definitief voorbij. We treden nu het Imperium binnen, het wereldrijk waar het Kapitaal regeert. In de huidige imperiale fase van de geschiedenis wordt de macht van de natiestaat uitgehold aangezien de drie hoofdkarakteristieken van haar soevereiniteit - militaire, politieke en culturele macht - hetzij verdwenen zijn, hetzij geabsorbeerd worden door het Imperium. Het Imperium vestigt geen territoriaal machtscentrum en baseert zich niet op vastgelegde grenzen. Het is een gedecentraliseerd en gedeterritorialiseerd regeringsapparaat dat geleidelijk de hele wereld integreert binnen haar open grenzen. Zoals het Internet heeft dit immanente, hybride en mobiele Imperium geen centrum. Het is een ‘niet-plaats’. Er is niet langer een Winterpaleis dat kan bestormd worden. De auteurs verdedigen vervolgens een gewaagde stelling: hoewel de VS een belangrijke positie innemen is het Imperium niet Amerikaans, maar gewoon… kapitalistisch. Daaraan koppelen zij een even gedurfde conclusie: zich verzetten tegen het Imperium in de naam van de natiestaat getuigt van een totaal verkeerde inschatting van de realiteit.

Biopolitiek

De overgang van het imperialisme naar het Imperium is gepaard gegaan met een transformatie van de heersende (re)productie-processen zelf: de industriële fabrieksarbeid nam af in het Noorden en werd grotendeels verplaatst naar het Zuiden, terwijl in het Noorden prioriteit werd verleend aan de immateriële, intellectuele arbeid in de dienstensector. In dit postmoderniseringsproces van de wereldeconomie neigt de creatie van rijkdom meer en meer naar wat Negri en Hardt biopolitieke (re)productie noemen, een term ontleend aan Foucault. Daarmee verwijzen ze naar de (re)productie van het maatschappelijke leven zelf, waarin de economie, de politiek en de cultuur steeds meer en meer in elkaar opgaan. Negri en Hardt vragen zich vervolgens af wat de echte oorzaken zijn van deze transformatieve processen.

Nieuwe kansen

Hoewel het Imperium volgens Negri en Hardt totalitair is en nóg efficiënter functioneert dan zijn imperialistische voorgangers, biedt de overgang naar het Imperium (met zijn globalisering enerzijds en de uitholling van de natiestaat, de nationale economie en de nationale syndicaten anderzijds) nieuwe mogelijkheden voor de bevrijdingskrachten. Het Imperium creëert immers een groter potentieel voor verregaande internationale samenwerking en intermenselijke relaties. Tezelfdertijd veroorzaakt het massale migratiestromen die het steeds moeizamer kan controleren. De politieke opdracht bestaat er volgens Hardt en Negri niet louter in om weerstand te bieden tegen deze ontwikkelingen, maar om hen te reorganiseren naar nieuwe doeleinden. De creatieve krachten van de multitude (het postmoderne proletariaat) die het Imperium ondersteunen zijn evenzeer in staat om op autonome wijze een Contra-Imperium uit te bouwen, d.w.z. een alternatieve politieke organisatie voor de wereldhandel en de wereldstromen. Deze strijd zal zich ook afspelen op het imperiale terrein zelf. De multitude staat voor de taak om eigentijdse democratische vormen en een constituerende macht uit te vinden die ons op een goeie dag doorheen het Imperium zal leiden, en nog veel verder... De globalisering moet van binnenuit over de kop worden gejaagd, door het proces zoveel mogelijk te versnellen, aldus Negri en Hardt. Let op de parallel met Naomi Klein’s jijutsi-techniek. Daarom bestaat de taak van de progressieve krachten er niet in om de natiestaat te verdedigen in haar oppositie tegen nog meer uitholling, maar eerder in het uitbouwen van een tegenmacht die in de schoot zelf van het Imperium ontstaat. Globalisering moet met tegenglobalisering bestreden worden. Aangezien dit boek geschreven is vóór de ‘Battle of Seattle’, kan men stellen dat Empire profetische eigenschappen bezit. De activisten voor een alternatieve globalisering hebben deze conclusie goed begrepen en passen die consequent toe: d.w.z. zij opereren gedecentraliseerd, internationaal en maken handig gebruik van de (post)moderne communicatiemiddelen. In hun verzet viseren zij niet zo zeer de individuele westerse natiestaten maar eerder de imperiale supranationale instellingen zoals de G7, de Wereldbank, het IMF, de WTO en allerhande multinationale ondernemingen. Negri en Hardt beschrijven eveneens het fundamenteel nieuwe van strijdbewegingen zoals de Palestijnse Intifada of de Zapatistische rebellie. Alhoewel deze vormen van verzet diep geworteld zijn in de lokale tradities, slaan zij onmiddellijk over naar het mondiale niveau en viseren zij de constitutie van het Imperium in haar algemeenheid.

Conclusies en bezwaren

Los van enkele meer concrete eisen zoals een mondiaal burgerschap, open grenzen en een basisinkomen voor iedereen, onderstrepen de auteurs dat ze geen blauwdruk kunnen leveren aangezien alleen de praktijk kan uitwijzen hoe dat Contra-Imperium concreet tot stand moet komen. Dit brengt ons meteen bij de voornaamste kritiek op dit werk. Empire wordt verweten bijzonder vaag te zijn. Telkens als Negri en Hardt met een meer concreet probleem worden geconfronteerd, zoeken zij hun heil in een quasi-religieus, abstract en overdreven complex taalgebruik. Vooral de rol van de VS en de (resterende) macht van de voornaamste westerse natiestaten wordt vanwege ideologische redenen te sterk onderschat. Zelfs de Verenigde Naties krijgen een flinke veeg uit de pan. In tegenstelling tot figuren zoals Ignacio Ramonet en Ricardo Petrella van Le Monde Diplomatique, die in de huidige context ook een progressieve rol zien weggelegd voor een gedemocratiseerde VN in het bijzonder en overheden in het algemeen, kunnen Negri en Hardt hun absoluut misprijzen voor de natiestaat niet onder stoelen of banken steken. Zou men in dit geval niet voorzichtig kunnen stellen dat zij het kind met het badwater weggooien? Hoe moeten arme Zuiderse landen hun lokale economie en cultuur dan verdedigen tegen de neoliberale pletwals? Hoewel er zeker geen simpele antwoorden op deze vragen bestaan, dwingt de werkelijkheid ons om over deze kwesties genuanceerder na te denken. Daarnaast schrikken Hardt en Negri er niet voor terug om eveneens grote ngo’s zoals Oxfam, Amnesty International of Artsen Zonder Grenzen frontaal aan te vallen. Zij zouden zich schuldig maken aan het verstrekken van democratische legitimiteit aan het Imperium. Empire roept nog tal van andere vragen en problemen op die we hier niet kunnen behandelen.9

Besluit

No Logo en Empire tonen ons dat er een complexe interactie bestaat tussen het globale en het lokale. In de contradictorische wereldrealiteit van vandaag stelt zich dan de vraag waar de nadruk moet komen te liggen van (bio)politieke strijd tégen de neoliberale monocultuur. Sommige (moderne) auteurs beklemtonen dat globale en nationale problemen macrostructurele oplossingen vereisen, terwijl andere (postmoderne) theoretici het belang benadrukken van het lokale en het persoonlijke. Postmoderne analyses van het fenomeen ‘macht’ hebben aangetoond dat macht zich manifesteert op het microniveau, eerder dan in ‘de staat’ of ‘de economie’. Postmoderne politiek ijvert daarom voor lokale en specifieke acties daar waar die machtsrelaties zich manifesteren (in de school, gevangenis of slaapkamer, op de werkvloer, enz.). Nochtans zijn zowel de ‘moderne’ als de ‘postmoderne’ oplossingen éénzijdig. Macht manifesteert zich tegelijkertijd op het micro- als op het macroniveau met steeds complexere mengvormen van het globale, het nationale en het lokale.10 Daarom is er nood aan multidimensionale strategieën. Eerder dan het klassiek leninistisch objectief van ‘de macht te grijpen’, moeten we in het hier en nu op al die niveaus tegenmachten opbouwen, in en tegen het neoliberalisme. Concrete voorbeelden zijn er reeds genoeg, zowel op het macro- en globale niveau (bv. tegenmedia zoals Indymedia en Le Monde Diplomatique11, eerlijke handel i.p.v. vrijhandel, de participatieve democratie5, het Wereld Sociaal Forum i.p.v. het Wereld Economisch Forum12, tegentops tijdens conferenties van de G7, de Wereldbank en de WTO) als op het micro- en lokale niveau (bv. coöperatieven, gemeenschapshuizen, plaatselijke actiegroepen, zelfhulpgroepen en basiseducatie). Daarbij zouden we de reeds verouderde slogan Think global, act local moeten vervangen door Think global and local, act local and global. Precies wat zowel de Zapatistische rebellen als de Seattle-beweging in hun dagelijkse realiteit doen.

Noten
1. Dit artikel is opgevat als een vervolg op ‘Een andere wereld is mogelijk…voor een alternatieve globalisering’(Peter Tom Jones, Samenleving en politiek, Jg.8, 2001, nr. 7 (september)) waarvan een internetversie beschikbaar is op het Webzine Uitpers (www.uitpers.be, zie Archief: september 2001).
2. Naomi Klein, No Logo, Flamingo, UK, 2001. Ondertussen is er ook een Nederlandse vertaling beschikbaar. Verder kan men nog verwijzen naar Kleins site: http://www.naomiklein.org/no-logo.
3. Toni Negri & Michael Hardt, d’Empire, Exil s, Paris, 2000 (franstalige versie) en Michael Hardt en Antonio Negri, Empire, Harvard University Press, US, 2000.
4. Dirk Barrez, De antwoorden van het antiglobalisme, van Seattle tot Porto Allegre, Globe, België, 2001.
5. Participatieve democratie is een experiment dat momenteel succesvol verloopt in de Braziliaanse deelstaat Rio Grande do Sul. De bevolking wordt hierbij actief betrokken bij het opstellen en uitvoeren van het budget en het beleid.
6. Zie o.a. Eric Toussaint, Your money or your life!, Pluto Press, Londen, UK, 1999.
7. Naomi Klein, ‘Reclaiming the Commons’, New Left Review, Nr. 9, 2001 (Dit artikel is beschikbaar op het net: www.newleftreview.net/NLR24305.shtml). Zie ook Johny Lenaerts, ‘Naar een libertair alternatief’ in de brochure: ‘Het ei van Durruti’, bijlage bij De Nar, Nr 169, 15 oktober 2001.
8. Negri (°1933) was professor politieke theorie aan de Universiteit van Padoua, en één van de theoretici van het Italiaanse ‘operaismo’ in de jaren 60 en van de ‘arbeidersautonomie’ in de jaren 70. In 1979 werd hij gearresteerd op beschuldiging van betrokkenheid bij het terrorisme. Na vier-en-een-half jaar voorlopige hechtenis werd hij door de Partito Radicale als verkiezingskandidaat voorgesteld, en dankzij zijn parlementaire onschendbaarheid mocht hij de gevangenis verlaten. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om naar Frankrijk uit te wijken. In die periode vond in Italië zijn proces plaats. Hij werd van verschillende aanklachten vrijgesproken, m.n. als zou hij de leider van de Rode Brigades geweest zijn en betrokken bij de ontvoering van Aldo Moro. Uiteindelijk werd hij veroordeeld tot 17 jaar gevangenisstraf. Op 1 juli 1997 heeft Negri zichzelf overgeleverd aan de Italiaanse justitie, in de hoop daarmee een discussie over amnestie voor politieke gevangenen op gang te brengen. Hij zit momenteel zijn straf uit in de gevangenis van Rebibbia in Rome. Tijdens zijn ballingschap in Parijs, dat 14 jaren geduurd heeft, heeft hij les gegeven. Hij publiceerde een dertigtal boeken over politiek en filosofie.
9. Enkele andere voorbeelden waar Negri en Hardt uitdagende theses verdedigen: niet-dialectisch karakter van de geschiedenis, bekritiseerbare voorstelling van de ideeën van Descartes, Kant, Rousseau en Edward Said om er slechts enkele te noemen, bedenkelijke glorificatie van de posthumane hybriede mens/cyborg, contradictorische voorstelling wat betreft de Imperiale machtspyramide en de positie van de VS daarin, enz.
10. Een uitstekend artikel dat deze problematiek behandelt, is beschikbaar op het net (Douglas Kellner, Globalization and the postmodern turn, www.gseis.ucla.edu/courses/ed253a/dk/GLOBPM.htm)
11. Een nieuw fenomeen van groeiende tegenmacht is het tegenmedium Indymedia, een instrument dat van bijzonder belang is voor de Seattle-beweging. Het motto is: ‘Don’t hate the media, be the media’ (zie www.indymedia.org of www.indymedia.be). Een ouder fenomeen van tegenmedia is het oerdegelijke analyseblad Le Monde Diplomatique (zie www.monde-diplomatique.fr(/en)).
12. Eind januari 2001 verzamelden 15.000 activisten, intelligentsia, parlementairen en vertegenwoordigers van de ‘Seattle-beweging’ zich in het Braziliaanse Porto Alegre voor het eerste Wereld Sociaal Forum onder het motto ‘Een andere wereld is mogelijk’. Dit nieuwe Forum, wil een economie in dienst van de mens met respect voor het ecologische draagvlak.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 9 (november), pagina 50 tot 56