Abonneer Log in

Op zoek naar een natie

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 7 (september), pagina 76 tot 79

Dat er Vlaamse politici bereid zijn Brussel op te geven om toch maar van de Franstaligen verlost te raken doet mij denken aan de Russische president Boris Jeltsin, schrijft Lode Wils.

Op zoek naar een natie

Lode Wils
Uitgeverij Polis, Antwerpen, 2020

In mijn jonge navorserstijd in de jaren 1960 en 1970 werd de opleiding Nieuwste Tijden beheerst door drie reuzen: in Gent de rode Jan Dhondt (1915-1972), in Leuven de Vlaamse katholiek Lode Wils (1929-nu) en in de Antwerpse UFSIA de jezuïet Karel Van Isacker (1913-2010). Het gaat om onbetwistbaar grote en competente historici die hun levensbeschouwing basaal meedragen in hun werk. Jan Dhondt hanteerde het breedste palet aan kritische nieuwe inzichten en aan zoektochten naar nieuwe bronnen, maar hij had zo'n bloedhekel aan Vlaams-nationalisme dat het onderwerp in onderzoek en onderwijs gewoon niet ter sprake kwam. Dit is spijtig want zijn leerlingen – waaronder ikzelf – hebben flink moeten bijbenen en zo moeten botsen op en met de twee andere reuzen. Moeilijkst grijpbaar was de charismatische jezuïet Karel Van Isacker die met zijn uitmuntende pen alle richtingen uitging. Soms leek hij als sociaal historicus helemaal de linkse toer op te gaan. Soms was hij de conservatieve cultuurpessimist zoals in de grondtoon van zijn bestseller Mijn land in de kering. Een ouderwetse wereld, 1830-1914 (1978). Daar kwamen daarenboven nog andere toetsen bij, zoals zijn visie over repressie en epuratie na de Tweede Wereldoorlog. Hij noemde het 'het feest van de haat' (hoofdstuk 7 van deel 2 van Mijn land in de kering) en droeg hiermee grondig bij tot de foute beeldvorming over de ongenadige en revanchistische haat van het 'Belgisch systeem' tegen duizenden goede Vlamingen. Lode Wils is zonder twijfel de meest consequente van de drie. Sinds 1952, al bijna 70 jaar, is hij de zeer vruchtbare auteur van tientallen studies die in hoofdzaak draaien rond één hoofdthema: de (politieke) respons en de plaats van de Vlaamse katholiek in het bunkerbegrip 'Vlaamse Beweging'. Lode Wils is vandaag 91 jaar, maar intellectueel nog allesbehalve uitgedoofd.

Bij Polis publiceerde hij dit jaar een dik boek onder de titel Op zoek naar een natie. Het ontstaan van Vlaanderen binnen België. Het boek bevat twintig essays met als eerste de vraag 'Hoe een Vlaamse Natie de Belgische is gaan verdringen?'. Helemaal in de actualiteit draait het twintigste essay rond de vraag 'En hoe verder?'. Hij spreekt er rechtstreeks één van zijn briljante oud-studenten aan, Bart De Wever.

Goed thuis in de theorie van het nationalisme opent hij zijn caleidoscopische essaybundel met de vaststelling dat in 1830 een Belgische natiestaat ontstaat met kenmerken en een dynamiek die in het revolutiejaar 1848 gevolgd werd door andere Europese landen. Dit wordt verder uitgewerkt in de vier eerste essays. In het vijfde essay krijgen de neo-orangisten een veeg uit de pan met een enigszins ontluisterend portret van koning Willem I. Deze droomde weliswaar van een sterk koningschap in een 'Verenigd Koninkrijk der Nederlanden', maar hij kreeg ook zijn eigen Noordelijke opinie tegen zich: 'Toen dan eind augustus 1830 oproer uitbrak in Brussel, Leuven en Luik was voor de noordelijke opinie een onderhandeling ondenkbaar: alleen bestraffing en scheiding'.(p.70)

In de daaropvolgende essays bouwt hij in vele toetsen de essentie van het boek op: de verschuiving van een Belgische naar een Vlaamse natiestaat. Aanvankelijk leek er geen probleem te zijn. De beginnende Vlaamse Beweging was een onderdeel van de Belgisch patriottische stroming. De literator Hendrik Conscience blijft er de bekendste exponent van. Vanaf de jaren 1840 – jaren van diepe crisis en pauperisering, vooral in de Vlaamse provincies – voegde zich een grotere politiek-sociale dimensie boven de louter culturele. De politieke verdediging van de volkstaal tegenover de verfranste (hoofdzakelijk stedelijke) elites kreeg vorm. Aanvankelijk kreeg dit vooral een respons bij liberale en vroeg-socialistische flaminganten, maar aangezien het hoofdaccent van de Belgische politiek gedurende decennia bepaald werd door de strijd tussen confessionelen en vrijzinnigen kreeg de Vlaamse Beweging zijn sterkste stuwing binnen het katholieke kamp. Wils schrijft: 'Het grootste deel van de Vlaamse Beweging daarentegen geraakte opgesloten in een bekrompen confessionele partij, die wel het officiële gebruik van het Nederlands stilaan uitbreidde'.(p.11)

In de jaren 1880-1914 komen we in een derde golf waarbij de katholieken de absolute meerderheid veroverden na een zeer hevige schoolstrijd. Om die meerderheid veilig te stellen ging men meer en meer steunen op flamingantische steun waarvoor kerk en katholieke politici vaak met een dubbele tong spraken: een eerste reden om toenemend Vlaams radicalisme te verklaren. Een tweede reden lag in de katholieke bekommering om dissidenties te vermijden. Men moest koste wat kost de flamingantische radicalisering binnen de katholieke geloofsbaan houden. Hier staat de casus van het daensisme centraal. Veel beter dan Karel Van Isacker, schreef Lode Wils een briljant heldere synthese over het daensisme: Het Daensisme en de opstand van het Zuidvlaamse platteland (1969). Wils toonde terecht aan dat daensisme veel breder moest begrepen worden dan de stad Aalst en de opstandige priester Adolf Daens. Die studie heeft mij destijds zeer sterk beïnvloed. Ook voor de schrijver L.P. Boon was het een richtsnoer. Zijn magistrale roman draagt trouwens als titel Pieter Daens (1971): de drukker-krantenuitgever, broer van de priester Adolf is de politieke hoofdfiguur. Het is begrijpelijk maar toch spijtig dat de succesrijke film en later even succesrijke musical de focus op priester Daens heeft geplaatst, want dit verdoezelt de echte grond van het conflict. Dat moet worden gesitueerd in een steeds toenemend radicalisme binnen een deel van de Vlaamse Beweging. De verschuiving van Belgisch nationaal naar Vlaams nationaal was op gang en de analyse van deze verschuiving is hoofdthema geworden van heel wat publicaties van Wils.

Twee oorlogen met een zeer bewuste 'Flamenpolitik' van de Duitse bezetter (twee maal vier jaar!) vormden een belangrijke katalysator voor deze verschuiving, maar dit is onvoldoende als verklaringsgrond voor de heikele situatie waarin we sinds mei 2019 beland zijn en waarin twee Vlaams-nationalistische partijen bijna een absolute meerderheid behaalden. Vooral aan de verschuiving tijdens en na Wereldoorlog I heeft Wils daarom prioritaire aandacht gegeven. Hij heeft er twee indringend boeiende boeken over geschreven: Flamenpolitik en Aktivisme (1974) en Onverfranst, onverduitst? Flamenpolitik, Activisme, Frontbeweging (2014). Hoe is nu het steeds maar toenemend anti-Belgisch ressentiment te verklaren uitgaande van de onloochenbare vaststelling dat Activisme en Frontbeweging aanvankelijk zeer minoritaire stromingen waren? Die vraag loopt als een draad doorheen de verschillende essays. Twee ervan – het twaalfde en dertiende essay – verdienen bijzondere aandacht. Essay 12 gaat over Koning Albert I en de Vlaamse Beweging, een status questionis. Wils nuanceert zeer sterk de overwegende visie in de Vlaamse geschiedschrijving dat Albert I in zijn hele naoorlogse bewind de Vlaamse Beweging met aandacht volgde en bezorgdheid toonde voor de Vlaamse eisen. Men heeft Wils vaak verweten dat hij Albert I te sterk tekende als een antiklerikaal die de Vlaamsgezinden afwimpelde. Het liep soms uit op een zeer bitsig debat onder historici maar de monumentale biografie van Jan Velaers, Albert I. Koning in tijden van oorlog en crisis, 1909-1934 (2009), geeft Wils grotendeels gelijk. Veel sterker dan wij ons nu nog kunnen voorstellen, was de invloed van de Koning op het benoemen van ministers toen zeer groot. Albert I mocht dan begripvol zijn voor het Vlaamse probleem, in het benoemen van ministers zocht hij figuren die in de taalkwestie heel terughoudend waren. Dit betekende ook dat hij in de keuze van katholieke ministers een doorwegende invloed had op de leiding van de katholieke partij. Hiermee raken we de kern van Wils zijn betoog. Daarom ook is essay 13, over de Katholieke Vlaamse Landsbond (KVL), het centrale deel van zijn boek. De KVL was het belangrijkste instrument waarmee Frans Van Cauwelaert in de loop van de tussenoorlogse periode zijn Vlaams minimumprogramma heeft willen doordrukken. In het werk en het denken van Lode Wils is Frans Van Cauwelaert zijn grote held. Het is, volgens Wils, naarmate Van Cauwelaert er niet in slaagde zijn minimumprogramma als politieke richtlijn van de Belgische politiek door te drukken dat de hoofdzakelijk katholieke flaminganten steeds meer naar het Vlaams-nationalisme verschoven. In de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (1998) kreeg Frans Van Cauwelaert een zeer ruime plaats (pp.696-703). Het was Wils zelf die het lemma schreef. Hij citeert er uit het dagboek van Frans Van Cauwelaert, geschreven na het politieke rampjaar 1936, een moment waarop hij zijn hoofdrol in de Vlaamse katholieke partijrangen aan het verliezen was: 'Door het voorbarig stellen van de scheidingsgedachte doen de Vlamingen aan hun zaak veel kwaad. Indien ze eerst tot een macht groeiden zouden ze het hele gebied dat historisch Vlaams is, behouden kunnen en daarna vast stellen dat zij geen scheiding behoeven. Wellicht zouden de Walen ze vragen, maar dat stelt de vraag voor ons heel wat gunstiger'.

Dit citaat komt letterlijk voor in het laatste essay En hoe verder?. Wat Van Cauwelaert schreef in zijn dagboek blijft vandaag het politieke credo van Lode Wils. En hij voegt er aan toe: 'Inderdaad, indien de Franstaligen de scheiding vragen, kunnen de Vlamingen de voorwaarden bepalen voor een eventuele instemming… Dat er Vlaamse politici bereid zijn Brussel (en in feite nog veel meer grondgebied) op te geven om toch maar van de Franstaligen verlost te raken, doet mij denken aan de Russische president Boris Jeltsin.'(p.373) Het inspireert Wils om zijn zeven laatste zinnen te schrijven: 'De toekomst van Vlaanderen zouden wij best niet trachten vorm te geven met onze gevoelens en onze fantasie, maar met ons verstand. De historicus Bart De Wever weet dat de meeste kaderleden van de nationalistische partijen en verenigingen revanchistische gevoelens koesteren tegen België. Door hen daarin te volgen zou hij dezelfde plaats verwerven in de Vlaamse geschiedenis als Jeltsin in de Russische.'

Herman Balthazar

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 7 (september), pagina 76 tot 79