Abonneer Log in

Revolusi

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 1 (januari), pagina 83 tot 87

Het boek van David Van Reybrouck zal voor tienduizenden Vlamingen een panoramisch venster openen op een geschiedenis die ze niet kennen en voor Nederlanders zal de spiegel waarin ze kijken minder comfortabele vervormingen of witte vlekken bevatten.

Revolusi

David Van Reybrouck
De Bezige Bij, Amsterdam, 2020

De geschiedenis van de kleine man is in grote mate dé geschiedenis.

De behandeling van die episode en de figuur Soekarno daarbinnen behoort wellicht tot de meer controversiële stukken uit Revolusi.

Je kan het belang van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd voor de rest van de wereld niet overschatten.

Iedereen heeft intussen al een paar interviews met David Van Reybrouck gelezen, het is dus nauwelijks nog nodig Revolusi te introduceren. Maar voor de volledigheid en voor wie het laatste kwartaal van 2020 op intensieve zorgen moest doorbrengen: Revolusi vertelt het verhaal van de Nederlandse koloniale bezetting en uitbating van de Indonesische archipel en vervolgens het verhaal van het Indonesische verzet en de uiteindelijke onafhankelijkheid, uitgeroepen in 1945 en door Nederland erkend in 1949.

Die samenvatting doet onrecht aan het boek. Want Revolusi is geen saaie geschiedenisles, het gaat niet enkel over vroeger of ginder, het is veel meer dan een chronologie. Zoveel te verder je vordert in het boek, zoveel te duidelijker wordt het dat het verleden zo zwaar weegt, dat het heden er niet onderuit komt – ook niet als een van de partijen het probeert te vergeten, minimaliseren of vergoelijken.

De koloniale geschiedenis is geen tango-à-deux

Een van de belangrijkste sleutels om Revolusi te lezen wordt door David Van Reybrouck aangereikt op pagina 17, in het eerste hoofdstuk. 'Dekolonisatieprocessen worden vaak herleid tot een nationale strijd tussen kolonisator en kolonie', schrijft Van Reybrouck. Daarbij verwijst hij naar België en Congo, Frankrijk en Algerije, Nederland en Indonesië… Maar dat perspectief is beperkend én vervormend, waarschuwt hij. Want 'buurlanden spelen mee, bondgenoten, lokale milities, regionale spelers, internationale organisaties enzovoort.' Als die actoren weggefilterd worden, 'blijven we de westerse natiestaat en zijn koloniale grenzen als referentiekader gebruiken.'

Die opmerking triggert de nieuwsgierigheid, want inderdaad: zowel kolonisatie als dekolonisatie wordt al te vaak beperkt tot het kader van natiestaten. Toch gaat het grote middendeel van Revolusi wel degelijk over de verhouding tussen Nederland en de Zuidoost-Aziatische eilanden, die pas gaandeweg een eigen, nationaal gevoel ontwikkelen.

Dat Van Reybrouck niet helemaal slaagt in zijn eigen opzet, heeft alles te maken met het feit dat de Indonesische ontvoogdingsstrijd uitdrukkelijk voor de natiestaat koos als objectief, als politieke ideologie en als feitelijk territorium. De ouders van Indonesië waren kinderen van hun tijd. De natiestaat was midden vorige eeuw zonder contestatie het streefdoel en de locus van elke politiek, of die nu op sociale rechtvaardigheid, op identiteit of op volkssoevereiniteit gebaseerd was.

De betrokkenheid van andere landen en spelers komt vooral aan bod in het begin en op het einde van het boek. De afwikkeling van de koloniale periode wordt voor de overzichtelijkheid onderverdeeld in een Brits, een Nederlands, een Amerikaans en een VN-jaar. Samen beslaan die eindjaren bijna een derde van het boek, en ze worden voorafgegaan door de oorlogsjaren 1941-1945, waarin Japan een grotere rol speelt dan Nederland. Het einde van de kolonisatie was dus inderdaad allesbehalve een louter nationaal-Nederlandse geschiedenis.

De opbouw van het koloniale rijk – de periode waarin de puzzel gelegd werd tot wat uiteindelijk Nederlands-Indië zou worden – was dat evenmin. Van Reybrouck vertelt over de vroege relaties tussen Java en Sumatra en het Indische rijk in Zuid-Azië en China in het oosten. 'Indonesië had Europa niet nodig om ontsloten te worden', is een terechte vaststelling. Alleen, dat belette Europa niet om zich met de archipel te bemoeien. Portugezen, Nederlanders en Britten waren zo geïnteresseerd in kruidnagel en nootmuskaat, dat ze er lange 'ontdekkingstochten' richting Zuidoost-Azië voor over hadden.

De koloniale geschiedenis is een onderneming

Een heel belangrijk aspect van die beginnende Europese aanwezigheid in Azië, is het gegeven dat de handel in kruiden en later in landbouwproducten of grondstoffen in handen kwam van nationale monopolies. Voor de Nederlandse aanwezigheid in de Indonesische archipel was dat de VOC, de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Frankrijk had destijds de Compagnie des Indes en het Verenigd Koninkrijk had de East India Company. Van Reybrouck vermeldt kort dat de VOC bijzonder was om twee redenen: 'Het was een private onderneming met verregaande publieke functies (zoals verdragen afsluiten, recht spreken, forten bouwen en soldaten aanwerven) én het was het eerste bedrijf ter wereld dat werkte met verhandelbare aandelen.'

Of dat laatste letterlijk klopt, weet ik niet zo zeker. De VOC werd in 1602 opgericht, de EIC al in 1600, de Franse CdI ontstond pas in 1664. Belangrijker dan de data, is dat de koloniale geschiedenis in gang gezet werd door beursgenoteerde bedrijven. In zijn meeslepende studie van de kolonisatie en bezetting van Indië (The Anarchy, 2019), schrijft William Dalrymple: 'Het westerse imperialisme en het aandeelhouderskapitalisme ontstonden rond dezelfde tijd. Samen vormden ze de tanden van de draak die de moderne tijd uitspuwde.' Zijn uiteindelijke conclusie is dat wanneer het imperium een beursgenoteerde onderneming is, het leger vecht voor de winsten van de aandeelhouders. Met alle, desastreuze gevolgen zoals hongersnoden, massavernietigingsoorlogen en verraad.

Die lezing van de koloniale geschiedenis werd, zoals Van Reybrouck terecht aangeeft in Revolusi, heel lang versluierd door de nationalistische constructie die er tijdens de 19e eeuw over ontstond. Het gewicht van de VOC en van de commerciële belangen lopen weliswaar doorheen het historische verhaal, maar met een meer gethematiseerde aanpak ervan, had Revolusi de benadering van het koloniale verleden nog diepgaander kunnen hertekenen. Het belang van zo'n grondige her-lezing van wat koloniseren betekent, wordt duidelijk in het slothoofdstuk, waarin Van Reybrouck het begrip kolonisatie gebruikt om de klimaatcrisis mee te verbeelden. Het lijkt pertinent om hier het model van de vroege Compagnies te gebruiken: het zijn niet 'wij', maar de grote bedrijven die de toekomst van de komende generaties koloniseren ten voordele van de actuele dividenden van hun aandeelhouders.

De koloniale geschiedenis is gewelddadig tot op de laatste dag

Nederland ziet zichzelf graag als gidsland, en liefst als de voorhoede van een moreel hoogstaande aanpak. Van Reybrouck maakt duidelijk hoe kort de periode van de 'ethische politiek' was tijdens het Nederlandse bestuur van de eilanden van Indonesië, en hoe aanwezig geweld, discriminatie en uitbuiting gedurende die eeuwen aanwezigheid waren.

Met name het geweld wordt uitgebreid gedocumenteerd, met verslagen en dagboeken, maar ook met talloze getuigenissen. Het historische verhaal van een beginnend nationaal bewustzijn, van verzet en van nationale bevrijding, maar ook van koloniaal bestuur en militaire bezetting wordt voortdurend geïllustreerd door mensen die erbij waren. Het is de kenmerkende methode Van Reybrouck: net als voor Congo. Een geschiedenis praatte hij de voorbije vijf jaren met tientallen getuigen van de Indonesische geschiedenis – een hele lijst van hen is intussen overleden. Die getuigen brengen niet louter menselijke kleur in een historisch drama, ze voegen aan de hand van hun eigen archieven ook heel wat feitenkennis toe. Hun aanwezigheid bewijst dat een geschiedenis die enkel verteld wordt vanuit politiek en militaire hoofdkwartieren eenzijdig en ontoereikend is. De geschiedenis van de kleine man is in grote mate dé geschiedenis.

De geschiedenis van de kleine man is in grote mate dé geschiedenis.

Die bewegingen, vijf principes

Een heel mooie illustratie van het feit dat geschiedenis niet enkel in paleizen en vergaderzalen geschreven wordt, is de geschiedenis die begint in het huis van Raden Mas Hadji Oemar Said Tjokroaminoto. De drie stromingen die elk op hun manier, en vaak schouder aan schouder, vochten voor zelfbeschikking of nationale onafhankelijkheid voor Indonesië troffen elkaar of ontstonden in zijn huis. Revolusi maakt heel concreet hoe zowel de islamitische, communistische en nationalistische beweging loten zijn van dezelfde antikoloniale gevoelens. De jongens en mannen die elkaar ontmoetten aan de tafel van Tjokro kozen uiteenlopende ideologische wegen, maar deelden het streven naar onafhankelijkheid. Hun antikoloniale houding was niet gebaseerd op een afkeer voor Nederland of Europa, maar op de ervaring van vernedering. De ervaring derdeklassepassagier te zijn op de pakketboot van hun eigen land, om het beeld te gebruiken dat Van Reybrouck doorheen het boek hanteert.

De hele opdeling van mensen in drie 'landaarden', waarin raciale en economische stratificaties gecombineerd werden, vertaalde bij het begin van de 20e eeuw een diep geworteld racisme in een strakke maar niet geheel onbuigzame maatschappelijke ordening. Het zou boeiend zijn om David Van Reybrouck een vergelijking te laten maken tussen het racisme dat in België ontstond tegenover Congolezen en in Nederland jegens Indonesiërs. De twee kolonisaties begonnen in heel andere periodes en met andere beschavingsargumenten. Op het eerste gezicht leiden die uiteenlopende vertrekpunten echter niet tot fundamenteel verschillende houdingen tegenover wie een donkere of zwarte huidskleur heeft. Een fundamentele vergelijking zou dus meer kunnen vertellen over de ontstaansgrond van racisme dan één specifieke geschiedenis vermag.

De drie stromingen van de Indonesische ontvoogdingsstrijd gingen ook anders om met de Japanse bezetting onder de Tweede Wereldoorlog. Soekarno koos voor verregaande samenwerking met Japan, wat zeker niet door iedereen en de hele periode gewaardeerd werd. Nederland gebruikte die samenwerking om hem in de ban te slaan als een fascistisch collaborateur, maar ook in Indonesië zelf was het moeilijk om de Japanse belofte op zelfbeschikking geloofwaardig te blijven vinden. Het hongerjaar 1944 kostte op Java alleen al 2,4 miljoen doden. Er kwamen naar schatting 400.000 Indonesische dwangarbeiders om het leven. En de militarisering van het Indonesische nationalisme door de Japanse strijdkrachten creëerde de voorwaarden voor een uitbarsting van geweld tegen Nederlanders en Nederlands-Indiërs na de overgave van de Japanse keizer. Soekarno moest het allemaal billijken als noodzakelijke offers om af te raken van de Nederlandse kolonisator.

De behandeling van die episode en de figuur Soekarno daarbinnen behoort wellicht tot de meer controversiële stukken uit Revolusi.

De behandeling van die episode en de figuur Soekarno daarbinnen behoort wellicht tot de meer controversiële stukken uit Revolusi. Het begrip voor de 'collaboratie' steunt in wezen op twee elementen: het feit dat Soekarno zelf nooit gedweept heeft met het fascisme van Japan of de Asmogendheden én het feit dat hij duidelijk meer dan genoeg credibiliteit overhield om een beslissende rol te spelen bij het uitroepen van de onafhankelijkheid, bij de strijd om die onafhankelijkheid ook internationaal én door Nederland te laten erkennen, en in het vormgeven van de onafhankelijke natie gedurende de eerste tien jaar.

De Pancasila of de Vijf Principes die Soekarno op 1 juni 1945 formuleerde als ideologische basis voor de onafhankelijke natie Indonesia, getuigen van zijn politieke kunde en vaardigheid. Nationalisme, internationalisme, democratie, sociale rechtvaardigheid en monotheïsme brachten de verschillende stromingen weer samen, zodat Soekarno op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid kon uitroepen.

Het beste bewaard tot het einde

Je kan het belang van Indonesië moeilijk overschatten. De vierde grootste bevolking te wereld met 270 miljoen inwoners. De grootste moslimbevolking ter wereld: 88 procent is moslim. De derde grootste democratie ter wereld. De grootste archipel ter wereld, met 18.307 eilanden, een landoppervlakte van 1,91 miljoen vierkante kilometer en zes zeeën die samen meer dan 3 miljoen vierkante kilometer wateroppervlakte tellen.

Je kan het belang van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd voor de rest van de wereld niet overschatten.

Hetzelfde geldt voor de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd: je kan het belang daarvan voor de rest van de wereld niet overschatten. Van Reybrouck centreert dat belang rond de Azië-Afrika Conferentie in Bandung, april 1955. 'Hier werden geen grenzen getrokken of territoriale afspraken gemaakt, maar nieuwe dynamieken ontketend, over de landsgrenzen heen.' In hoofdstuk 15 van Revolusi argumenteert hij uitgebreid hoe de geest van Bandung het ene na het andere continent zou veranderen. Hij speculeert daarbij niet louter, hij citeert de helden van de Arabische en Afrikaanse anti-koloniale strijd, maar ook Europese coryfeeën uit die tijd. Bijna terloops merkt Van Reybrouck op dat het Europese project niet gebaseerd was op post-koloniaal denken, maar op laat-koloniaal denken: Europese samenwerking moest de koloniale aanspraken vrijwaren tegenover de geest van Bandung. Het is een uitdagende stelling die op zich ook een nieuw boek vraagt: de recente geschiedenis van Europa als reactie op opkomende machten en uitdagingen. Het zou een welgekomen nuance zijn op het zelfbeeld van een Europa dat soeverein beslist welke kant het uitgaat, en daar vervolgens de rest van de wereld in meeneemt.

Revolusi is, kortom, in elk hoofdstuk en bij elke historische wending, een vernieuwend boek dat een Europees koloniaal verhaal vertelt zonder zich te bekommeren om de impact op het nationale zelfbeeld van de koloniserende macht. Iets meer consideratie wordt opgebracht voor de impact op het Indonesische zelfbeeld, maar nergens leidt het tot onkritische geschiedschrijving. Het boek zal voor tienduizenden Vlamingen een panoramisch venster openen op een geschiedenis die ze niet kennen en voor Nederlanders zal de spiegel waarin ze kijken minder comfortabele vervormingen of witte vlekken bevatten. Revolusi toont daarmee opnieuw aan dat David Van Reybrouck een noodzakelijke auteur is in deze Lage Landen, en dat (zijn) boeken doen wat geen enkel ander medium even goed kan: inzicht verschaffen, vragen stellen, feiten verzamelen, mensen aan het woord laten, en verbanden leggen waar ze tot nu ontbraken.

Gie Goris

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 1 (januari), pagina 83 tot 87