Abonneer Log in

De vakbond in het jaar 2000

Het toekomstbeeld van André Vanden Broucke getoetst

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 3 (maart), pagina 40 tot 43

Toekomstvoorspellingen op langere termijn zijn vaak vrijblijvende denkoefeningen. Doorgaans neemt niemand na verloop van tijd de moeite ze aan de werkelijkheid te toetsen. In het Radio 1-programma Nostra…Wie? gebeurt dit opzettelijk wel. Alvast voor het onderdeel met de toekomstvoorspellingen van een oud ABVV-voorzitter over de vakbond leverde dit opmerkelijk materiaal op.

Toekomst voorspellen

Het jaar 2000 werd vroeger vaak gebruikt om het begrip toekomst concreet gestalte te geven. Vele schrijvers beschreven het leven in de maatschappij in dat symbolisch jaar om hun eigen angsten, wensen of dromen in verband met de toekomst gestalte te geven. Voorbeelden uit een ver verleden hiervan zijn onder meer Edward Bellamy in zijn roman Looking Backward (1887) en John Wells in Henry Russel: or the Year Two Thousand (1846).1 Beiden beschrijven een utopische maatschappij in het jaar 2000.

Voortbordurend op dit thema stuurde Radio 1-producer Paul Jacobs twaalf jaar geleden een reporter op pad om aan een vijfenveertigtal vooraanstaande figuren toekomstvoorspellingen te ontlokken over hun specifieke deelgebieden. In de toenmalige lijst van belangrijke personen figureerden onder meer Walter Tillemans, Marc Eyskens, Ivan Sonck, Piet de Valckeneer, Walter Van den Broeck en Luc Appermont.
Deze reportages werden toen niet uitgezonden maar werden zorgvuldig opgeborgen. Nu, twaalf jaar later, werden ze opgediept en afgestoft. Elke zondagmiddag van 12 tot 13 uur worden in het programma Nostra…Wie? een aantal van de toen geïnterviewde personen geconfronteerd met hun uitspraken. Benaderden de voorspellingen van de toenmalige experten over het jaar 2000 de werkelijkheid?
Dit lovenswaardig idee leverde alvast boeiende radio op. Van het gemondialiseerde eurosongfestival waar geen orkest meer aan te pas zou komen en waar de ballade een belangrijke plaats zou innemen, zoals Luc Appermont in 1988, toen nog BRT-medewerker, voorspelde, bleek niet veel overeind te blijven. De door Walter Tillemans in 1988 geuitte kritiek op het Vlaamse theaterbeleid was, na het pas bekend gemaakte Rapport van de Beoordelingscommissie, waarin de minister geadviseerd wordt onder meer het Nieuw Ensemble Raamtheater, waar Tillemans aan verbonden is, geen substantiële subsidie meer toe te kennen, nog vlammender en uitzichtlozer.

De vakbondsvoorzitter

Eén van de andere toen geïnterviewde experten was André Vanden Broucke, in die periode voorzitter van het ABVV.2 Hij diende in 1988 de situatie van de vakbond in het jaar 2000 te voorspellen. In de uitzending van 19 maart werd hij geconfronteerd met zijn uitspraken van toen. Deze confrontatie wekte om meer dan één reden mijn bijzondere interesse op.
Vooreerst was er de figuur van André Vanden Broucke zelf. Deze in 1928 geboren self-mademan wordt door velen dikwijls gezien als een eerder onopvallende overgangsfiguur. De “crisisvoorzitter”, zoals Luc Peiren hem in Een eeuw solidariteit betitelde.3 Nu blijken overgangsfiguren na verloop van tijd dikwijls bijzonder belangrijk te zijn geweest. Zij zijn, misschien wel net omwille van hun ongevaarlijk geachte positie, in staat voorzichtig krijtlijnen uit te zetten voor de toekomst.
Verder was ik nieuwsgierig naar zijn stellingen zelf. 1988 was namelijk, hoe dichtbij het op het eerste gezicht ook mag lijken, eigenlijk toch een heel andere tijd. In twaalf jaar is er immers heel wat gebeurt: er is de val van de Berlijnse muur en het einde van de Koude Oorlog, er zijn de diepgaande economische veranderingen zoals de economische heropleving, er is de technologische revolutie met onder meer de informatieboom en er is de gestage uitbouw van supra-nationale besluitorganen. Allemaal factoren die vakbonden grondig beïnvloeden of dat toch in elk geval zouden moeten doen.
Hoe zag deze man in 1988 de toekomst van de vakbond? Voorzag hij een aantal evoluties die zich zouden voordoen? En wat waren de oorzaken van zijn eventuele vergissingen?

Vijf stellingen

In een eerste stelling verklaarde André Vanden Broucke toendertijd dat in het jaar 2000 de vakbond een keuze gemaakt zou hebben tussen trouw blijven aan zijn emancipatorische ideologie of vervallen tot een pure consumentenbond die vanuit corporatistische reflexen zijn leden louter diensten aanbied.
Zijn tweede stelling had betrekking op de werkloosheid. Het probleem van de structurele werkloosheid zou zich in het jaar 2000 doorzetten en de vakbond gedwongen hebben tot een aangepaste maatschappijvisie waarbij het onderscheid tussen actieven en niet-actieven grondig herdacht was geworden.
In zijn derde stelling ging hij dieper in op de kloof tussen arbeider en bediende. Vanuit de vaststelling dat het aantal industrie-arbeiders gedurig afnam en het aantal bedienden almaar toenam, zou in het jaar 2000 het onderscheid tussen beide categorieën niet langer houdbaar gebleken zijn en definitief tot het verleden behoren.
Volgens de vierde stelling van Vanden Broucke moest de vakbond strategieën ontwikkelen om beter in te spelen op de almaar groeiende dominantie van de kleinere ondernemingen in het geheel van het Belgische economische landschap. Het vormde een uitdaging volgens de toenmalige voorzitter om als vakbond ook actief te kunnen worden in deze KMO’s.
Tot slot moest de vakbond volgens hem arbeid en milieu in een globale aanpak verzoenen. In tegenstelling tot vroeger zou de vakbond in het jaar 2000 in sommige dossiers resoluut de zijde van het milieu kiezen, ook al hield die keuze het verlies van werkgelegenheid in.

De toetsing doorstaan

André Vanden Broucke bleek door deze stellingen eigenlijk te getuigen van een grondig inzicht in evoluties op langere termijn. Het beeld van de vakbond dat doorheen zijn stellingen naar voren komt, lijkt de huidige vakbond zeer goed te benaderen. Enerzijds was dat te verwachten: een man aan het hoofd van een dergelijke organisatie, die doorgaans zeer goed geïnformeerd is, moet een aantal evoluties kunnen voorzien. Anderzijds blijft het natuurlijk wel zo dat Vanden Broucke een aantal toen voor de hand liggende, want toen bijzonder actuele, thema’s niet opnam in zijn stellingen en ze op die manier relativeert. Zo werd er helemaal niets gezegd over de spanning tussen gewestelijke en interprofessionele organisatiestructuur. En werd er niet ingegaan op de voorziene en door sommigen als bedreigend ervaren totstandkoming van de Europese Unie (1992).

De reportage uit 1988 staat overigens niet op zichzelf. In hetzelfde jaar 1988 verscheen een artikel van André Vanden Broucke in Socialistische Standpunten over de toekomst van de vakbond.4 De onmiddellijke aanleiding voor dat artikel was het in maart georganiseerde BBTK-statutair congres (9, 10 en 11 maart 1988) waarover in hetzelfde nummer van Socialistische Standpunten ook een bijdrage verscheen.5 Dit congres ging gepaard met een uitgebreide én binnen de vakbeweging veelbesproken mediacampagne. De BBTK opteerde er onder meer voor om de traditionele ontwerpresoluties te vervangen door een algemene bevraging bij het doelpubliek en dat hield ook de niet-leden in. Op die manier wilden zij volgens Vanden Broucke “een stap zetten in de richting van een modern syndicalisme dat de poorten moet openbreken naar de 21ste eeuw”. Maar… hij voegde daar toen resoluut aan toe: “Wij hebben meer nodig dan een ‘new look’. Het oppoetsen van ons imago moet ook samengaan met duidelijke standpunten, een degelijke verdediging van de collectieve belangen en een doeltreffende dienstverlening”.6
In het artikel werden dan ook een aantal inhoudelijke krijtlijnen uitgezet waarrond denkwerk moest verricht worden. Een aantal van deze thema’s zijn opvallend gelijklopend met de hiervoor aangehaalde stellingen.

Persoonlijke terugblik

In zijn commentaar op zijn voorspellingen uit 1988 neemt Vanden Broucke, die nu als gepensioneerde oud-voorzitter niet langer gemandateerd is en in persoonlijke naam spreekt, de draad weer op. Hij schuwt het daarbij niet om zijn eigen persoonlijke voorkeuren in de nog steeds hangende kwesties uit te spreken en de dillema’s nog duidelijker te stellen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij zijn commentaar over de discussie in verband met de verschillende behandeling van actieven en niet-actieven. Volgens hem moet het begrip arbeid worden losgekoppeld van het louter economische en worden verruimd tot nuttigheid. Slechts op die manier kan, volgens hem, een begrip als actieve welvaartsstaat worden uitgebreid tot andere groepen dan zij die productieve arbeid verrichten. En slechts wanneer die voorwaarde is vervuld heeft die actieve welvaartsstaat kans op slagen.
De aanwezigheid van de vakbonden in de KMO’s wordt voor de vakbond meer dan ooit een zaak van leven en dood. Strategieën moeten worden ontwikkeld om in die doorgaans vijandige omgeving een voet tussen de deur te krijgen. De voorstellen in dat verband om de dialoog op territoriale basis te organiseren vindt Vanden Broucke niet verregaand genoeg. Volgens hem moet een vakbond in het bedrijf zichtbaar zijn.
Uit al het voorgaande blijkt dat in de ruimere discussie over de toekomst van de vakbond als “consumentenbond” of als “emancipatorische organisatie”, Vanden Brouckes voorkeur duidelijk uitgaat naar de laatste.

Bijzonder actueel

Een volgens mij opvallende conclusie uit deze boeiende confrontatie was dat Vanden Brouckes stellingen nog bijzonder actueel zijn. In tegenstelling tot wat hij voorspelde in 1988, als zou de vakbond in het jaar 2000 de keuzes in een aantal discussies definitief gemaakt hebben, zijn de meeste thema’s nog steeds hangende. De timing die hij in 1988 opgaf, lijkt dus niet helemaal te kloppen met de realiteit. Daarin lijkt hij zich op het eerste gezicht schromelijk vergist te hebben. Vele van de door hem geformuleerde dillema’s staan nu nog steeds volop ter discussie en zijn zeker en vast nog niet beslecht. Denken wij maar aan het onderscheid tussen arbeider en bediende, de KMO-problematiek en het samengaan tussen arbeid en milieu.
Deze slechte timing wijt André Vanden Broucke in zijn commentaar aan de toenmalige economische situatie. Die was reeds jarenlang belabberd en maakte het maken van keuzes eigenlijk bijzonder dwingend. Feit blijft echter dat wat betreft veel van de behandelde thema’s gedurende de afgelopen twaalf jaar weinig knopen werden doorgehakt of weinig vooruitgang werd geboekt.

Noten
1. Bart De Nil, ‘Leven in het jaar 2000. Beschouwingen over Edward Bellamy’s roman Loocking Backward’, in: Brood & Rozen, 2000/1.
2. André Vanden Broucke (1928) was gediplomeerd sociaal adviseur/maatschappelijk assistent. In 1951 begon hij zijn loopbaan in het ABVV in de nieuwe dienst ondernemingsraden. Tussen 1958 en 1961 was hij federaal secretaris van het Algemeen Congolees Vakverbond. Na zijn terugkeer in België ging hij aan de slag als secretaris van de Algemene Centrale in Aalst. In de Algemene Centrale bracht hij het uiteindelijk tot nationaal secretaris (1966) en voorzitter (1980). Vanden Broucke was voorzitter van het ABVV van 1982 tot 1989.
3. Luc Peiren, ‘Een eeuw socialistische vakbondslevens’, in: Luc Peiren en Jean-Jacques Messiaen, Een eeuw solidariteit (1989-1998). Geschiedenis van de socialistische vakbeweging, ABVV-Ludion-Amsab-IEV, 1997, p.124.
4. André Vanden Broucke,‘Toekomst van de vakbond. Herschilderen, maar in welke kleur?’, in: Socialistische Standpunten, jg. 35/1988, nr.3, pp.1-6.
5. Carlos Polenus, ‘Er is meer leven in een wieg dan in een graf’, in: Socialistische Standpunten, jg. 35/1988, nr.3, pp.7-13.
6. André Vanden Broucke, o.c., p.2.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 3 (maart), pagina 40 tot 43