Log in

Het verbod van politieke partijen

Enkele korte beschouwingen

De verkiezingsoverwinning van Haider en consorten

Het verkiezingssucces van de FPÖ (Freiheitliche Partei Österreichs) in Oostenrijk en de deelname van deze partij aan een coalitie met de christendemocraten (Österreichischen Volkspartei, ÖVP) heeft de gemoederen in heel Europa beroerd. Regeringsleiders aller landen voelen zich geroepen onze vrienden uit het land van Mozart een les in politieke moraal te geven. Wat Schüssel en zijn ÖVP-kompanen met deze bende neofascisten hebben bedisseld, is not done. Om deze reden wenst buitenlandminister Louis Michel een boycot van de Oostenrijkse toeristische industrie. Wie de democratie ernstig neemt, moet van Michel de Oostenrijkse skipistes links (rechts?) laten liggen, een oekaze waar alvast de Nederlandse koningin zich weinig aan gelegen laat.

Het moet gezegd, voor eenmaal is weldenkend intellectueel Vlaanderen het roerend eens (op enkele uitzonderingen na die, zich beroepend op het zelfbeschikkingsrecht der volkeren, spreken van een ongehoorde inmenging in interne politieke aangelegenheden). Met der Haider in een coalitie stappen is voor de politieke goegemeente een bridge too far. Toch is het vandaag nog steeds wachten op de eerste Oostenrijker die uit de alliantie van Europese christendemocraten in de Europese Unie, de Europese Volkspartij, wordt gegooid. Alweer een bewijs dat de soep minder heet wordt gegeten dan opgediend.
Wat vandaag in Oostenrijk gebeurt, kan morgen wel eens in Vlaanderen geschieden. Daarom is de uitval van Guy Verhofstadt en Louis Michel ietwat ongelukkig. Hun uitdrukkelijk fulmineren tegen de nieuwe Oostenrijkse regering, vleit wellicht de electorale achterban. Of ook rekening is gehouden met de Vlaamse politieke situatie waar, als worst case scenario, aan een klinkende overwinning van het Vlaams Blok bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2000 wordt gedacht, is minder duidelijk. Ik wil nog zien in welke bochten Louis Michel zich zal wringen om de internationale kritiek te counteren wanneer de Antwerpse, Gentse en Mechelse kiezer aan het Blok de voorkeur geeft. Misschien kan de federale regering daar al een regeringscommissaris én een team communicatiespecialisten voor aan het werk zetten.

Het eclatante succes van de FPÖ verplicht ons te bezinnen over de eigen aanpak van extreemrechts. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in het zog van de Oostenrijkse politiek in België de aandacht voor “het bruine gevaar” toeneemt. Op één na hebben alle politieke partijen in februari voorstellen van resolutie ingediend tegen de aanwezigheid van extreemrechts in de Oostenrijkse regering.1 Enkel het Vlaams Blok diende een dissident voorstel in dat de regering oproept het zelfbeschikkingsrecht van “het Oostenrijkse volk” te eerbiedigen.2 In zijn resolutievoorstel verzet het Blok zich ook tegen de banalisering van de misdaden van het nationaalsocialisme tegen de joden.
De teneur van de overige resolutievoorstellen is identiek. Alle drukken de bezorgdheid van de indieners uit over de gevormde coalitie met de “etnocentrische, xenofobe en anti-Europese” Vrijheidspartij. In krachtige termen wordt de regering verzocht acties te ondernemen of te steunen die gericht zijn op het isoleren van xenofobe en racistische partijen. Met onmiddellijke ingang moeten meetings met Oostenrijkse diplomaten beperkt blijven tot besprekingen van technische aangelegenheden.

Uitsluiting strikt noodzakelijk?

In de aangenomen resolutie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers3 wordt de regering verzocht op Europees niveau de mogelijkheden te onderzoeken om antidemocratische regeringen van Unie-lidstaten uit te sluiten: “In het raam van de volgende Intergouvernementele Conferentie [wordt de regering gevraagd] te bekijken of geen regeling kan worden uitgewerkt waarmee bestraffend kan worden opgetreden tegen een lidstaat, alsmede bij de bespreking inzake het Europees Handvest voor de Grondrechten te overwegen welke middelen kunnen worden aangewend ter uitsluiting van vertegenwoordigers van een lidstaat die in zijn regering een partij telt waarvan het gedachtegoed indruist tegen de basisbeginselen van de Europese Unie, te weten de eerbiediging van de democratie, de rechtsstaat en de fundamentele rechten”. De Kamer wenst dat de regering in haar eisenpakket voor de volgende Intergouvernementele Conferentie (die de institutionele hervormingen van de Europese Unie tot doel heeft) de nodige aandacht schenkt aan de mogelijkheid om maatregelen te treffen tegen lidstaten die de democratische spelregels niet respecteren. Daarbij wordt niet gedacht aan een stelsel van sudden death, maar van “geleidelijke maatregelen” die eventueel kunnen leiden tot de uitsluiting van een lidstaat wanneer deze een antidemocratische regering heeft of, op zijn minst, wanneer een regering wordt gevormd met een antidemocratische partij. Bij de besprekingen van het Europees Handvest voor de Grondrechten moet dan ook worden nagedacht over mogelijke maatregelen die de Europese Unie kan treffen tegen een lidstaat die in zijn regering vertegenwoordigers wil opnemen van een antidemocratische partij.
Is dat allemaal wel nodig? Zowel het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna VEU) als dat van de Europese Gemeenschap (hierna VEG) bevatten immers reeds chinese walls tegen antidemocratische tendensen. Reeds in een gemeenschappelijke verklaring van 5 april 1977 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het allergrootste belang uitgedrukt dat zij hechten aan de eerbiediging van de fundamentele rechten, zoals deze volgen uit de grondwetten van de lidstaten en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna EVRM).4 Tijdens de Europese Raad van 7 en 8 april 1978 te Kopenhagen wordt daar aan toegevoegd dat de eerbiediging en de handhaving van de parlementaire democratie en de mensenrechten in ieder van de lidstaten voor zijn deelneming aan de Europese Gemeenschap van wezenlijk belang zijn. Ook in de toetredingscriteria die tijdens de Europese Raad van Kopenhagen van juni 1993 zijn opgesteld, wordt voor het lidmaatschap vereist dat de kandidaat-lidstaten over stabiele instellingen beschikken, die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de bescherming van minderheden garanderen.

In de Verdragen zelf wordt de gehechtheid aan deze beginselen verder verwoord: de Unie is uitdrukkelijk gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben.6 Belangrijk daarbij is dat tegen een lidstaat die deze beginselen met voeten treedt, sancties mogelijk zijn. Wanneer een lidstaat deze beginselen op ernstige en voortdurende wijze schendt, dan kan de Europese Raad de uitoefening van bepaalde rechten, die uit de Verdragen voortvloeien, schorsen, met inbegrip van de stemrechten van de regeringsvertegenwoordiger van deze lidstaat in de Raad.6 Op deze wijze wordt de betrokken lidstaat uitgesloten van deelname aan de Europese besluitvorming, met andere woorden hij wordt politiek monddood gemaakt. Minstens even belangrijk is dat de betrokken lidstaat op dat ogenblik niet de mogelijkheid heeft om zijn lidmaatschapskaart terug te sturen. Ook na de schorsing dient de betrokken lidstaat zijn verplichtingen namens de Verdragen na te komen.

Een verbod van politieke partijen

Tegen de achtergrond van de Oostenrijkse situatie wordt in de Kamer eveneens een voorstel van resolutie ingediend “betreffende een aanvullend protocol bij het EVRM inzake het verbod van politieke partijen die het Verdrag schenden”.7 De indieners wensen het Europees Hof voor de rechten van de mens de bevoegdheid te geven om na te gaan of politieke partijen en hun leiders in hun uitingen en handelingen het EVRM schenden. Wanneer na onderzoek de schending wordt vastgesteld dan heeft het Hof in het voorstel de bevoegdheid deze partij te verbieden en de betrokken lidstaat te verplichten dit verbod te handhaven. Verder motiveren de indieners hun voorstel niet. Ook in een recente regeringsnota zou de mogelijkheid om antidemocratische partijen te verbieden zijn opgenomen. Volgens de berichtgeving in de media, bestaat over dit voorstel in de coalitie geen eensgezindheid.
Ik ben geen principieel tegenstander van een verbod op antidemocratische partijen, weze zij van linkse of rechtse signatuur. Toch lijkt het nuttiger het juridisch alaam dat vandaag bestaat te gebruiken. De laatste jaren zijn talrijke initiatieven genomen om racistisch, xenofoob, antisemitisch, negationistisch of revisionistisch gedrag te bestraffen. Tot op heden blijven deze actiemiddelen te weinig gebruikt. Een verbod van een politieke partij is immers de meest drastische maatregel die een democratie kan treffen om de weerbaarheid tegen antidemocratische tendensen te verhogen. Met een dergelijke maatregel moet dan ook omzichtig worden omgesprongen.

Cultuurpaus Mortier

Belangrijker lijkt mij een mentaliteitswijziging. Het politieke establishment lijkt vandaag in haar doen en laten geparalyseerd door het Vlaams Blok. Wie durft kritiek te geven over de wijze waarop de migrantengemeenschap zich integreert, wie de heikele moed heeft in één zin “kleine criminaliteit” en “migranten” te vermelden, krijgt weldenkend Vlaanderen over zich heen. Hoe anders is de situatie in Nederland, waar het debat veel serener verloopt. Wanneer de (oer-Hollandse) aftredende voorzitter van een migrantenorganisatie spreekt over een “tikkende tijdbom” onder de samenleving, werkt dat motiverend om daadwerkelijk deze tijdbom te ontmijnen, en is dit zeker geen reden om de ijlbode zelf te ridiculiseren. In België daarentegen overstijgt de discussie zelden het niveau van de cafépraat. De wijze waarop in dit land het debat verloopt, doet dan ook vaak de haren ten berge rijzen. Dit geldt zeker voor de analyse die de Vlaamse cultuurpaus Gerard Mortier in een recent interview geeft. Mortier meent dat de mensen onvoldoende beseffen dat de Arabische cultuur een deel van de Europese cultuur is: “Ik zeg altijd: rekenen gasten als Philip Dewinter in Romeinse cijfers of in Arabische? Op den duur mag je niet meer zeggen dat je koffie drinkt, want ‘koffie’ is een Arabisch woord. Net als ‘divan’”.8 Kijk, dergelijk argumentarium wekt natuurlijk de sympathie op in menig trendy café, waar de enige alloch­toon meestal onzichtbaar in de keuken resideert, zij houdt geen oplossing in voor de samenlevingsproblemen die vele kiezers (terecht of ten onrechte) in ieder geval ontwaren. Ik nodig Mortier uit om met deze analyse de hort op te gaan. Het zal de gemiddelde Vlaams Blokkiezer immers worst wezen of termen als koffie hun radix hebben in het Arabisch, Chinees of Aramees. Wie deze kiezer wil overtuigen voor traditionele partijen te stemmen, zal met betere argumenten moeten afkomen.
Helemaal denigrerend wordt het wanneer Mortier een verband ziet tussen de uitslag van de verkiezingen en het politiek bewustzijn van de bevolking. Kortom, wanneer na oktober 2000 het Vlaamse landsgedeelte iets bruiner inkleurt, dan komt dat door het gebrek aan politieke maturiteit van de gemiddelde Vlaming. Helemaal te gek wordt het wanneer Mortier Vlaams Blokstemmers afschildert als Jamberskijkers voor wie de sensatie het haalt op de inhoud. Op welke studie beroept Mortier zich om deze stelling kracht bij te zetten? Auteur dezes is het alvast met deze analyse niet eens. Zij getuigt immers van intellectuele hoogmoed en een grenzeloos paternalisme.

Noten
1. Voorstel van resolutie betreffende de aanwezigheid van extreemrechts in de regeringen van de Europese landen, meer bepaald in Oostenrijk dat lid is van de Europese Unie, Parl. St. Kamer 1999-2000, nr. 418; voorstel van resolutie betreffende de gevolgen van de parlementsverkiezingen in Oostenrijk en betreffende de onderhandelingen die moeten leiden tot de vorming van een regeringscoalitie, Parl. St. Kamer 1999-2000, nr. 419; voorstel van resolutie betreffende de door de heer Haider afgelegde beledigende verklaringen en de eventuele deelname van extreemrechts aan de Oostenrijkse regering, Parl. St. Kamer 1999-2000, nr. 420; voorstel van resolutie betreffende de zorgwekkende politieke ontwikkelingen in Oostenrijk, Parl. St. Kamer 1999-2000, nr. 421/1-5, voorstel van resolutie ter verhindering van en als krachtig verzet tegen het toetreden van extreemrechts tot de federale regering van de Republiek Oostenrijk, lid van de Europese Unie, Parl. St. Senaat 1999-2000, nr. 316; voorstel van resolutie over de uitslag van de parlementsverkiezingen in Oostenrijk en de onderhandelingen met het oog op de regeringsvorming, Parl. St. Senaat 1999-2000, nr. 317; voorstel van resolutie over de beledigende uitlatingen van de heer Haider en de mogelijke deelneming van extreemrechts aan de Oostenrijkse regering, Parl. St. Senaat 1999-2000, nr. 319; voorstel van resolutie over de toetreding van een extreemrechtse partij tot de regering van een lidstaat van de Europese Unie, Parl. St. Senaat 1999-200, nr. 320; voorstel van resolutie ter verhindering van en als krachtig verzet tegen het toetreden van extreemrechts tot de federale regering van de Republiek Oostenrijk, lid van de Europese Unie, Parl. St. Senaat 1999-2000, nr. 322/1-5.
2. Voorstel van resolutie betreffende de regeringsonderhandelingen in Oostenrijk en het respect dat de Belgische federale regering dient te betonen voor het principe van de niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van andere staten, Parl. St. Kamer 1999-2000, nr. 423.
3. Zie resolutie Parl. St. Kamer 1999-2000, nr. 421. Een soortgelijke resolutie is aangenomen in de Senaat en draagt het nr. 322.
4. Gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, PB 1977, C 103/1.
5. Zie artikel 6 van de geconsolideerde versie van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). In de geconsolideerde versie van het Verdragtot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG) staat geen gelijksoortige bepaling.
6. Zie de artikelen 7 VEU en 309 VEG. In deze procedure zal de betrokken lidstaat worden gehoord. Voor de beoordeling van de ernstige en voortdurende schending zal evenwel geen rekening worden gehouden met de stem van de regeringsvertegenwoordiger van de betrokken lidstaat.
7. Parl. St._ Kamer 1999-2000, nr. 422. In de Senaat wordt een identieke tekst ingediend als amendement op de eerder vermelde resolutie nr. 322.
8. De Morgen,_ 26 februari 2000.
9. Zie ook het artikel van Bob Van den Broeck, “De democratische staat en de antidemocratische partijen”, Samenleving en politiek 1999, nr. 6, 3-13.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 3 (maart), pagina 36 tot 39