Abonneer Log in

O ja, en wat met het publiek?

De vrees voor de almacht van experten in het cultuurbeleid

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 3 (maart), pagina 44 tot 46

Bij het aantreden van de paarsgroene regering hield de culturele wereld de adem in. Als allerlaatste werd de nieuwe minister van cultuur en van nog heel wat andere zaken (maar niet media) aangeduid. De culturele neofiet Bert Anciaux kreeg de job. Torenhoge kritiek werd zijn deel: ‘hoe kan iemand die toegeeft nog nooit een klassiek concert of opera bijgewoond te hebben, een zinnig cultuurbeleid voeren?’ Even torenhoog is de lof vandaag: de ‘cultuurbarbaar’ heeft zich ontpopt tot een cultuurminister met visie, en wat belangrijker is, een visie die gedeeld wordt door de cultuurwereld. Bert Anciaux zal de geschiedenis ingaan als de eerste cultuurminister die de ‘dialoog met het veld’ centraal stelt. Hij kan van bij zijn aantreden op goodwill rekenen wanneer hij een uitstekend kabinet samenstelt met mensen gekozen om hun expertise over de partijgrenzen heen. Wanneer hij vervolgens een coherente en van visie getuigende beleidsnota opstelt en die bovendien nog ‘en public’ presenteert aan de culturele wereld, kan het enthousiasme niet meer op. De cultuur in Vlaanderen is in goede handen voor de komende vier jaren.

En toch zijn de laatste weken donkere wolken opgedoken. In de theaterwereld heerst er grote consternatie sinds de commissies theater, dans, kunstencentra en muziektheater hun adviezen bekend maakten. Enkele gezelschappen kunnen op geen gratie rekenen bij de experts van de adviescommissies en verliezen hun erkenning en subsidiëring. Een protestbrief annex petitie, een afwijkende beslissing van Anciaux met als gevolg het collectieve ontslag van de adviescommissie teksttheater en protest vanwege de andere commissies volgen. Deze commotie hebben we al eerder meegemaakt. De adviezen van de commissie muziek zijn vorig jaar met eenzelfde gedonder onthaald. De kritiek en het daaropvolgende scenario waren identiek: enkele gevestigde orkesten voelden zich gedesavoueerd, de minister wijkt af van de adviezen, waarop zowel de commissie als de gehonoreerde organisaties protesteren.

De experten oordelen

Los van de commotie over de concrete adviezen, hecht de cultuurwereld samen met de minister grote waarde aan het expertenoordeel. Ons land vertrouwt de toepassing van haar cultuurbeleid nog niet zo lang toe aan experten, mensen uit het ‘culturele veld’ en enkele wetenschappers die het cultuurleven goed volgen. Weliswaar voorgedragen door de verschillende politieke families, worden zij aangeduid op basis van hun deskundigheid om te oordelen over de ingediende subsidiedossiers. De installatie van de adviesraden door de vorige ministers is hard toegejuicht. Eindelijk werd immers komaf gemaakt met de (partij-)politieke en bureaucratische betutteling van de cultuur. Die heeft decennialang ons cultuurleven lamgelegd: ruimte voor experiment en vernieuwing, en eigenlijk voor de kunsten tout court was er nauwelijks. Als gevolg van de oprichting van de adviesraden en huidige beoordelingscommissies is de situatie duidelijk veranderd en tot op zekere hoogte verbeterd. De nadruk van het cultuurbeleid is mede onder invloed van deze experten komen te liggen op de kunsten, op kwaliteit en vernieuwing. Hun autoriteit wordt vrij algemeen aanvaard: wie kan er immers beter oordelen over wat de cultuurwereld wil dan de wereld zelf? Dat de concrete oordelen nooit op volledige consensus zullen kunnen rekenen, moeten we er maar bij nemen. Discussie en zelfs polemiek wijzen eigenlijk op een gezonde situatie waarbij de beoordelingscriteria constant bevraagd worden.

Van het ene uiterste in het andere

Zo gezond is de situatie echter niet. Te vrezen valt dat we van politieke betutteling in het andere uiterste vallen, namelijk de almacht van het veld over het beleid. Want niet alleen de adviesraden worden bevolkt door mensen uit het veld. Ook Anciaux zelf heeft er - in zijn bezorgdheid om ‘het veld’ bij het beleid te betrekken - voor geopteerd om zijn kabinet niet met partijpolitiek gekleurde mensen te bevolken maar met deskundigen uit de cultuurwereld. Bovendien is het de expliciete optie om ook de steunpunten (zoals het VTI en het Muziekcentrum) exclusief over te laten aan het sector zelf. Zonder een pleidooi te willen houden voor de macht van de politiek en bureaucratie, vrees ik dat Anciaux zich op een bijzonder slappe koord begeeft; een koord waarop het bijzonder moeilijk balanceren is tussen artistieke en maatschappelijke prioriteiten. De overigens zeer degelijke beleidsnota spreekt zich sterk uit voor ‘het publiek’: “publieksparticipatie, ontwikkelen van de culturele competentie, de uitbouw van een vraagbeleid”. Dat klinkt als muziek in de oren. Maar de te grote macht die ‘het veld’ in de feiten krijgt, dreigt tot een verdere elitisering van de cultuur, en vooral de kunst, te leiden.
Deze elitisering is vandaag een onomstootbaar feit, en wordt al te vaak gemaskeerd of doodgezwegen door ‘het veld’. Nog erger: in veel gevallen ligt men niet wakker van het publiek. Het adagio van de avant-garde uit de jaren ’60 ‘who cares if you listen’, is bijvoorbeeld nog steeds springlevend in de hedendaagse klassieke muziekwereld. Vaak is men zelfs bang dat een te grote publieksopkomst wel eens zou kunnen geïnterpreteerd worden als een gebrek aan serieux of kwaliteit. De cijfers liegen er nochtans niet om: de overgrote meerderheid van de Vlaamse bevolking participeert niet aan het kunstzinnige leven. Het zeer beperkte publiek voor kunst wordt gerecruteerd in specifieke sociale strata van hogeropgeleiden. En hoewel de scholingsgraad van de jongeren stijgt, vergrijst het kunstpubliek. Er is dus weinig hoop op beterschap in de nabije toekomst. Anciauxs vooropgestelde vraagbeleid is met andere woorden meer dan nodig; zeker wanneer een kunstbeleid zich wil blijven legitimeren.

Emanciperingsgedachte opfrissen

Zijn alleen de experten dan verantwoordelijk voor de elitisering van de kunst? Ten dele wel. Op zich is er niets mis met experten. Ze zijn goed geplaatst om te oordelen over de kwaliteit van kunst en cultuur. Hun inhoudelijke maatstaven zijn alleszins correcter dan partijpolitieke en bureaucratische maatstaven. Deskundigheid is een belangrijk criterium en geenszins een ‘toevallige mening’. Deskundigen hebben sinds de jaren ’80 duidelijk de nadruk gelegd op kwaliteit, vernieuwing en experiment. Daarbij is vernieuwing zowel een doel op zich als een kwaliteitscriterium. Dit zijn niet toevallig criteria die ook binnen de artistieke logica centraal staan. Dankzij de inspanningen van de kunstlobby heeft de artistieke logica sinds de jaren ’80 inderdaad zijn stempel gedrukt op het cultuurbeleid. Deze logica wordt vertaald in een concreet beleid door de experten, die in dezelfde artistieke milieus circuleren.
Maar de artistieke logica heeft geen oog voor doelstellingen als spreiding, democratisering en publieksparticipatie. Het op zichzelf gericht zijn van kunstenaars vindt zijn oorsprong in het ideologische construct dat ‘autonomie’ noemt. Dat werd bovendien in de hand gewerkt door het subsidiesysteem, dat geen rekenschap vroeg in het verleden. De verantwoordelijkheid voor de elitisering van de kunst ligt dus ook bij de beleidsmakers. Sinds Dewael in ’85 hebben de cultuurministers wel oor gehad voor de verzuchtingen van de kunstsector, maar nooit voor die van het publiek; voor wie de kunst uiteindelijk bedoeld is. Het publiek heeft immers geen lobby om haar belangen te verdedigen.

Daarom wil ik hier een lans breken voor een grotere macht aan het publiek. Niet vanuit een neoliberaal discours over ‘consumentensoevereiniteit’, ‘consumentensubsidies’ of de macht van de toeschouwersaantallen, maar wel vanuit wat Anciaux noemt ‘het maatschappelijk belang van cultuur’. Vanuit de gedachte dat mensen met een ‘grotere’ cultuur beter in staat zijn hun bestaan autonoom in te richten. Vanuit de stelling dat cultuur een belangrijke voorwaarde is voor het goed functioneren van de democratie. Deze oude emanciperingsgedachte, die in de jaren ’80 niemand meer durfde verdedigen, is dankzij Hans Blokland sinds midden de jaren ’90 terug op de voorgrond getreden, en vormt nu het fundament van het Nederlandse cultuurbeleid. Deze emanciperingsgedachte geeft legitimiteit aan het cultuurbeleid. Het toont aan waarom kunst en cultuur belangrijk zijn en waarom een cultuurbeleid nodig is. Als men daarvan niet overtuigd is, kan men ‘cultuur’ net zo goed overlaten aan de markt.
Het consequent doortrekken van deze gedachte impliceert niet alleen dat kunstorganisaties verwacht worden een publieks- en educatieve werking te ontplooien, dat ook het onderwijs moet ingeschakeld worden, maar vooral dat het publiek eindelijk au serieux wordt genomen. Het impliceert dat het publiek niet alleen als een te kneden object wordt gezien, maar dat het ook een actieve stem krijgt in het cultuurbeleid. Ik wil dan ook een pleidooi houden voor een publieksvertegenwoordiging in verschillende geledingen van het cultuurbeleid. Een publieksvertegenwoordiging in de adviesraden en beoordelingscommissies is daartoe een goed begin.

De schrik van Jan Publiek

Zal een publieksvertegenwoordiging niet massaal kiezen voor het conservatieve amusement? Zal het publiek niet experiment, vernieuwing en een hoge moeilijkheidsgraad afremmen? Wie een discours van publieksparticipatie houdt, krijgt steeds opnieuw dergelijke vragen over zich heen. Ze wijzen op een schaamteloze dédain voor het eigen publiek. Een - weliswaar zeer beperkt - deel van het Vlaamse bevolking voelt zich wel degelijk betrokken bij het culturele leven. Publieksonderzoek toont aan dat cultuurliefhebbers zeer actief deelnemen aan zeer diverse cultuuruitingen. Dit cultuurpubliek houdt er duidelijke opinies op na, die niet per se conservatief zijn. Het volstaat om het oor te luisteren te leggen tijdens de pauzes van voorstellingen en concerten: mensen discussiëren met elkaar en maken zeer scherpe vergelijkingen. Het is niet ondenkbeeldig dat een publieksvertegenwoordiging andere klemtonen legt dan de experten. Misschien legt zij de nadruk op criteria zoals vakmanschap, techniciteit, herkenbaarheid, … Dit kan alleen maar positieve effecten hebben. Op die manier vormt het publieksoordeel voldoende tegengewicht voor de nadruk van de experten op vernieuwing en experiment. Een confrontatie zou beide groepen - experten en publiek - verplichten hun oordeel des te nauwkeuriger en gefundeerder te formuleren.

Rest de vraag hoe een dergelijke publieksvertegenwoordiging te organiseren. Wie is het publiek en hoe moeten de verschillende groepen vertegenwoordigd worden? Hoe moet gezorgd worden dat niet enkel het hoogopgeleide segment van de bevolking gehoord wordt? Hoe kunnen mensen die geen stem hebben, een stem krijgen, zoals Peter Sellars ambieert te doen? Dit oplossen is niet gemakkelijk, maar evenmin onmogelijk. Er moet misschien werk gemaakt worden van een aparte ‘raad van het publiek’, samengesteld uit vertegenwoordigers van kunsteducatieve organisaties, het sociaal-culturele werk, maar ook bijvoorbeeld uit het publiek van receptieve organisaties en vriendenverenigingen van kunstorganisaties. Deze raad zou op haar beurt een beoordelingscommissie kunnen aanduiden onder haar leden. Misschien allemaal nog geen pasklare antwoorden, maar alleszins flinke aanzetten om het publiek een échte stem te geven.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 3 (maart), pagina 44 tot 46