Abonneer Log in

Vrouwen en armoede

Wat zeggen de Verenigde Naties?

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 3 (maart), pagina 21 tot 29

In de komende maanden organiseren de Verenigde Naties twee bijzondere bijeenkomsten van de Algemene Vergadering. De eerste zal een balans opmaken van de verwezenlijkingen inzake sociale ontwikkeling vijf jaar na de Top van Kopenhagen. De tweede zal kijken naar de situatie van de vrouwen in de wereld, vijf jaar na de Wereldconferentie van Beijing. In dit artikel wil ik beide onderwerpen met elkaar verbinden om na te gaan wat de plaats van vrouwen is in het armoedevertoog van de Verenigde Naties. Zijn vrouwen echt de “armsten onder de armen”?

Om de plaats van vrouwen in het sociale discours van de VN te onderzoeken wil ik in eerste instantie uitleggen waardoor dit onderzoek gemotiveerd werd. Of met andere woorden: waarom ik het nodig vind enkele vraagtekens te plaatsen bij de nieuwe prioriteit die armoedebestrijding wereldwijd heeft gekregen. Ten tweede wil ik nagaan hoe armoede door de VN wordt bepaald en wie de armen zijn in het verhaal van de VN. Ten derde wil ik iets dieper ingaan op de vooraanstaande plaats die arme vrouwen hebben gekregen in dit verhaal en hoe dit al dan niet past in het sterke pleidooi voor emancipatie dat de VN van bij haar ontstaan heeft gehouden. In een laatste overweging tenslotte wil ik aangeven hoe dit verhaal kan worden gebruikt door al diegenen die zich willen blijven inzetten voor ontwikkeling en emancipatie. Deze analyse is niet enkel gebaseerd op de actieprogramma’s van Kopenhagen en Beijing, maar op alle belangrijke teksten sinds 1990 over ontwikkeling, armoede en vrouwen van de Verenigde Naties, het Ontwikkelingsprogramma van de VN (UNDP), en de Wereldbank. Dat de VN, de UNDP en de Wereldbank hier op één lijn worden gesteld betekent niet dat deze drie instellingen éénzelfde verhaal vertellen. Wel is het zo dat sinds 1990 hun armoedeverhaal is opgehangen aan één gemeenschappelijk ander verhaal, meer bepaald dat over de mondialisering die “risico’s en kansen” inhoudt voor rijk én arm. Bovendien hebben wederzijdse beïnvloeding en institutionele rivaliteit ervoor gezorgd dat de UNDP meer aandacht is gaan besteden aan de economische dimensies van haar sociaal discours, en dat de Wereldbank, zeker in haar nieuwste benadering van ontwikkeling, het sociaal beleid van haar lidstaten eveneens tot haar actieterrein is gaan rekenen.

Woorden en feiten

Niemand zal betwisten dat een zeer groot gedeelte van de wereldbevolking in armoede leeft; dit betekent onvoldoende middelen heeft om een menswaardig bestaan op te bouwen. Dit is echter geen nieuw gegeven en we moeten ons afvragen waarom het tot 1990 heeft geduurd vooraleer alle internationale ontwikkelingsorganisaties van armoedebestrijding hun prioriteit hebben gemaakt.1 Men zou natuurlijk kunnen stellen dat de ontwikkelingssamenwerking die na de Tweede Wereldoorlog tussen Noord en Zuid tot stand kwam toch ook de uitroeiing van de armoede als uiteindelijk doel voor ogen had. Dit klopt echter slechts ten dele, aangezien ontwikkeling tot vóór enkele jaren hoofdzakelijk was gericht op nationale staten en nationale economieën met de groei van het BNP als belangrijkste criterium. Vandaag is ontwikkeling een mensenrecht geworden en staat het individu centraal in het ontwikkelingsdenken. Dit is dus wel degelijk een belangrijke conceptuele verschuiving. Armoede is misschien niet echt een nieuw thema in het ontwikkelingsdenken, maar armoedebestrijding is wel nieuw als prioriteit en volkomen nieuw als doel voor een ontwikkeling die wordt nagestreefd voor individuen in plaats van voor landen.

Er zijn echter twee redenen waarom ik meen dat deze verklaring niet voldoende is. De eerste reden is het resultaat van historisch onderzoek in Europa2 waaruit blijkt dat armoede ook hier een permanent gegeven is, maar slechts in bijzondere omstandigheden en om welbepaalde redenen op de politieke agenda wordt geplaatst. Een onderzoek naar de internationale context waarin armoedebestrijding een wereldwijde prioriteit is geworden, kan daarom leerrijk zijn en het eenvormig achtergrondverhaal van de economische en politieke mondialisering kan een aanknopingspunt vormen. De tweede reden is het gebrek aan kennis dat het internationale onderzoek kenmerkt.3 Het nieuwe beleid berust weliswaar op een algemene consensus van VN-instellingen en -lidstaten, maar geenszins op een gedeelde kennis van armoede als sociaal, economisch of politiek probleem. Er is geen eenduidige definitie van armoede en in de meeste gevallen ontbreken betrouwbare en internationaal vergelijkbare gegevens. Kortom, er zijn argumenten om te denken dat het nieuwe verhaal over armoede grotendeels los staat van objectieve feiten en vooral een sociale constructie is met een politieke functie. Wat ook in die richting wijst, is bijvoorbeeld de sterke associatie die in alle teksten wordt gemaakt tussen armoede en vrouwen - “de armsten onder de armen” - terwijl men tegelijk moet toegeven over geen gegevens te beschikken waaruit zou moeten blijken dat vrouwen armer zijn dan mannen of dat er meer arme vrouwen zijn dan arme mannen. Wat is er dan aan de hand?

Armoede, ontwikkeling en mondialisering

De grote krachtlijnen van de armoedebenadering van de VN-instellingen werden uitgeschreven in 1990 en zijn sindsdien niet veranderd.4 Wel heeft de UNDP in 1997 een concept van “menselijke armoede” ontwikkeld met een samengestelde index van kwalitatieve aspecten zoals levensverwachting, geletterdheid en toegang tot gezondheidszorg, drinkwater en voeding. De Wereldbank van haar kant legt in haar jongste documenten de klemtoon op een participatieve evaluatie van armoede, wat eveneens leidt tot meer aandacht voor de niet-monetaire dimensies van het probleem.
Armoede wordt herhaaldelijk gedefinieerd als een “complex en multidimensioneel probleem”. De statistieken - in 1990 nog grotendeels gebaseerd op ramingen en extrapoleringen - zijn het werk van de Wereldbank en zijn gebaseerd op een armoedegrens van 1$ per dag voor extreme armoede. In 1990 gaf dit een totaal van 1,3 miljard mensen of 29% van de wereldbevolking. Voor 1998 raamt de Wereldbank het aantal armen op 1,2 miljard of 24% van de wereldbevolking.5

De strategie voor de armoedebestrijding komt in grote lijnen neer op:
1) economische groei - te verwezenlijken door enerzijds verdergaande structurele aanpassingen en liberalisering van de handel, en anderzijds de productieve inzet van de arbeidskracht van de armen zelf;
2) sociale basisvoorzieningen zoals onderwijs en gezondheidszorg;
3) doelgerichte sociale programma’s voor wie niet aan de markt kan deelnemen (zoals bejaarden, zieken en kinderen), en veiligheidsnetten om tijdelijke “schokken” op te vangen.
Armoedebestrijding, zo wordt in alle teksten onderstreept, is een taak van alle politieke en maatschappelijke actoren. Staat en markt moeten elkaar aanvullen. Armoedebestrijding is dus niet enkel een kwestie van sociaal beleid, maar draagt ook een politieke en economische dimensie in zich. De economische dimensie komt neer op wat we gemeenzaam “mondialisering” en “deregulering” zijn gaan noemen, een open economie op nationaal en internationaal vlak die ook de armen ten goede komt. De politieke dimensie - die vooral in de jongste teksten van de Wereldbank sterk in de verf wordt gezet - komt erop neer dat de overheid moet zorgen voor een gunstig klimaat en een deugdelijke institutionele context waarin de markt zich naar behoren kan ontwikkelen en waarin de armen niets in de weg wordt gelegd om ten volle van de geboden kansen gebruik te maken. Armoedebestrijding vergt dus grondige politieke, economische en sociale hervormingen die goed passen in, en als het ware het sluitstuk vormen van, de liberaliseringsgolf die zowat 20 jaar geleden werd ingezet. De Verenigde Naties die vanaf de jaren ’50, en vooral in de jaren ’60 en ’70, een sterk pleidooi hielden om aan ontwikkeling ook een sociale dimensie te geven, lijken hiermee de strijd te hebben gewonnen. Hun overwinning brengt echter mee dat het ontwikkelingsdiscours in feite sterk werd uitgehold. Enkel de groei en de internationale handel hebben het als economische thema’s overleefd. Industrialisering en rechtvaardiger prijzen bijvoorbeeld staan niet langer op de agenda. Hun plaats werd ingenomen door begrotingsevenwicht, inflatiebestrijding en vrij kapitaalverkeer. Wanneer de Wereldbank in haar nieuwe en “holistische” benadering van ontwikkeling stelt dat de landen weer zelf het roer in handen moeten nemen en de koers moeten uitzetten,6 dan impliceert dit toch dat ze plaats moeten nemen in een voertuig dat niet door henzelf werd ontworpen en dat ze zich moeten houden aan de regels van het internationale verkeer die ze evenmin zelf hebben opgesteld. Enkel over de snelheid en het gevolgde parcours (“the sequencing”) kan autonoom worden beslist.7 Van de sociale ontwikkeling die in het oude VN-discours in een veralgemeend project van modernisering was gekaderd, wordt nu verwacht dat ze geen afbreuk doet aan het goed functioneren van de markt.

Politiek, natuur en cultuur

Vooraleer de specifieke plaats van vrouwen in het armoedeverhaal onder de loep te nemen, en om mijn voorafgaande stelling kracht bij te zetten, wil ik eerst aangeven hoe de VN-instellingen armoede verklaren en wie er volgens hen de slachtoffers van zijn.
De rode draad die alle verschillende verhalen met elkaar verbindt, is die van een tekort aan ontwikkeling. De armen zijn diegenen die nog geen bijdrage hebben kunnen leveren tot en dus ook nog geen vruchten hebben kunnen plukken van ontwikkeling. Dit komt doordat ze geen toegang hebben tot enkele elementaire zaken als onderwijs, gezondheidszorg, basisinfrastructuur en huisvesting. Ze hebben hun menselijk kapitaal onvoldoende kunnen ontwikkelen om deel te nemen aan het marktgebeuren. Ze hebben evenmin toegang tot economische middelen als grond en krediet. De oorzaak hiervan ligt bij de nationale overheden die, hetzij, verkeerde prioriteiten hebben gesteld, hetzij, bepaalde maatschappelijke groepen en particuliere belangen hebben bevoordeeld. Een typisch voorbeeld hiervan is het feit dat de meeste ontwikkelingslanden zijn begonnen met de uitbouw van een stelsel van sociale zekerheid naar westers model. Dit komt echter enkel de overheidsambtenaren en de werknemers van de formele sector ten goede, wat doorgaans een minderheid is. De sociale uitgaven moeten dus geheroriënteerd worden zodat ze ten goede komen aan hen die het “echt nodig” hebben, en ze ook voldoende stimulansen bieden om de armen aan te zetten hun kansen waar te nemen.
Een tweede hiervan afgeleide verklaring voor armoede ligt in de te stringente regulering van de economie. Heel wat armen kunnen niet op de trein van de ontwikkeling springen omdat de overheid de drempels te hoog heeft gelegd. Voorbeelden hiervan zijn minimumlonen, bureaucratische voorschriften voor het creëren van ondernemingen of marktverstorende prijssubsidies.

Een derde verklaring tenslotte, die vooral de jongste jaren meer aandacht krijgt, is armoede als resultaat van “externe schokken”. Dit zijn zowel de programma’s voor structurele aanpassing, als de “transitie” in Oost-Europa en de financiële crisis in Azië. Dat deze schokken telkens slachtoffers maken, is grotendeels te wijten aan de overheid die te weinig doet om de armen weerbaar te maken en hen te beschermen bij rampen. De schokken zelf zijn immers als natuurrampen. Er kan een leuke bloemlezing worden samengesteld over de manier waarop de internationale instellingen de economische mondialisering en haar gevolgen metaforisch beschrijven als krachten van de natuur, als orkanen die opkomen en weer gaan liggen en een spoor van vernieling achter zich laten. Tegenover die krachten staat de mens machteloos. De natuur willen bedwingen, zo gaat de redenering, leidt tot nog grotere rampen. We moeten de natuur respecteren, laten gebeuren wat gebeuren moet, maar we moeten wel alles doen om ons te beschermen tegen mogelijke schadelijke gevolgen. Met andere woorden, als de landen zelf aan het roer zitten, moeten ze er ook voor zorgen dat er bij het “opkomend tij van de welvaart” voldoende reddingssloepen aanwezig zijn.
Een eerste conclusie van dit alles is dat de armen in alle gevallen de zwaksten, de meest kwetsbaren van de samenleving zijn, diegenen die hun stem niet kunnen laten horen, diegenen die geen toegang hebben tot economische en politieke macht. Deze gedachtegang leidt als vanzelf naar alle maatschappelijke groepen die op een of andere manier zijn achtergesteld of gediscrimineerd worden. In sommige gevallen zijn dit inheemse volken, in andere is het de plattelandsbevolking of zijn het de gehandicapten. Voor één groep echter is discriminatie een wereldwijd fenomeen. Geen enkel land ter wereld, zo stelt de UNDP, behandelt zijn vrouwen even goed als zijn mannen. Vrouwendiscriminatie is overal ter wereld een kwestie van cultuur, van hardnekkige tradities die de vooruitgang in de weg staan. Efficiënte armoedebestrijding is slechts mogelijk wanneer alle discriminaties worden weggewerkt, wanneer alle individuen kansen krijgen om gebruik te maken van de mogelijkheden die door politieke en economische hervormingen worden geboden.
Een tweede conclusie is dat armoedebestrijding een kwestie is van politieke wil. Het volstaat de voorgeschreven hervormingen in de juiste volgorde en in de gepaste dosis uit te voeren opdat er kansen voor groei en ontwikkeling ontstaan. Het volstaat alle discriminaties weg te werken opdat ook de armen kansen krijgen om hun bijdrage te leveren tot groei en ontwikkeling. Als deze politieke wil niet aanwezig is, kan dit enkel betekenen dat de overheid haar belangrijkste opdracht verwaarloost, met name de verdediging van het algemeen belang. De internationale instellingen geven alvast het goede voorbeeld door van armoedebestrijding hun prioriteit te maken. Zij stellen zich op als de verdedigers van het algemeen belang op wereldschaal. Armoede fungeert daarin als spil van alle met elkaar verbonden problemen die de vrede en de stabiliteit in gevaar kunnen brengen. De uitroeiing van de armoede wordt gezien als voorwaarde voor de daling van de bevolkingsgroei en zodoende voor het afremmen van de migratiestromen en de vernietiging van het leefmilieu. De productieve inzet van de armen leidt bovendien tot een veralgemeende groei en draagt bij tot sociale en politieke stabiliteit. Armoedebestrijding kan bovendien, na de Koude Oorlog, een nieuwe motivering voor de tanende ontwikkelingssamenwerking vormen. En tenslotte wordt armoede ook gezien als een schending van mensenrechten. Kortom, zowel vanuit politiek als vanuit economisch en maatschappelijk standpunt vormt armoede een bedreiging van het algemeen belang van de wereldgemeenschap. “De bedreiging van de atoombom werd vervangen door die van de sociale bom”.8 De internationale gemeenschap is het aan zichzelf verplicht erop toe te zien dat alle landen het gepaste beleid voeren.

Het aangezicht van de armoede

De maatschappelijke groep waarmee armoede het sterkst en uitdrukkelijk wordt geassocieerd zijn de vrouwen. “Armoede heeft een vrouwelijk aangezicht”. “Er zijn meer arme vrouwen dan arme mannen”. ”Vrouwen zijn de armsten onder de armen”.9 Alle teksten staan bol van dergelijke uitspraken. Echter, statistieken om dit te staven zijn er niet en zowel de UNDP, de Wereldbank als de VN geven toe dat men te weinig weet over de inkomens en de levensstandaard van vrouwen om duidelijke uitspraken over de zogenaamde “feminisering van de armoede” te doen.10
Als er geen cijfers zijn - en die kunnen er niet zijn, want armoede wordt gemeten in termen van inkomen en/of consumptie van huishoudens - waarom dan die hardnekkige koppeling van armoede aan vrouwen? De meest voor de hand liggende verklaring ligt in de verwarring van oorzaak en gevolg. De VN bepaalt armoede aan de hand van een monetaire armoedegrens maar zoekt naar oplossingen die ze voor de oorzaken van die armoede neemt op kwalitatief niveau: mensenrechten, onderwijs, gezondheidszorg... Het zijn domeinen waarop vrouwen inderdaad vaak zijn achtergesteld en waarover wel statistieken bestaan. Echter, deze gemeenschappelijke kenmerken van vrouwen zeggen niets over hun eventuele armoede en nog minder over de reden waarom ze arm zijn of zijn geworden.

Even problematisch is de associatie van vrouwelijke gezinshoofden met armoede, en liefst extreme armoede. Over het aantal eenoudergezinnen dat in armoede leeft bestaan wel cijfers, precies omdat armoede op gezinsniveau wordt gemeten. Deze armengroep is dus in de statistieken duidelijker zichtbaar. Toch zijn er op dit vlak zoveel conceptuele en methodologische valkuilen en zijn de concrete situaties zo heterogeen dat de associatie geenszins verantwoord is en bij gedetailleerd onderzoek vaak onjuist blijkt te zijn.11 Vrouwelijke gezinshoofden mogen dan oververtegenwoordigd zijn in de categorie van de extreem armen, toch zijn alleenstaande moeders in grote meerderheid niet arm. Ik wil hiermee geenszins beweren dat vrouwen geen groter risico lopen dan mannen om arm te worden of dat alleenstaande moeders geen bijzondere problemen kunnen hebben. Echter, onderzoek naar vrouwen en armoede lijkt vooral relevant voor zover het de bij mannen en vrouwen gedifferentieerde processen kan aantonen die leiden naar armoede zowel als de gedifferentieerde trajecten naar de oplossing ervan.
De conclusie moet dan ook zijn dat over armoede en vrouwen slechts weinig empirisch toetsbare uitspraken gedaan kunnen worden. Ook hier hebben we te maken met een sociale constructie. Deze vaststelling leidt automatisch naar de vraag over het waarom van dit verhaal. Een antwoord hierop zit deels in het armoedeconcept zelf van de VN en met name in zijn dimensie van algemeen belang, en deels in de rol die aan vrouwen wordt toegewezen in de armoedebestrijding. Het zijn twee elementen die mooi aansluiten bij het verhaal over economische en politieke mondialisering.

Het algemeen belang

Gelijkheid tussen mannen en vrouwen staat sinds 1945 hoog op de agenda van de VN. Een analyse van een aantal belangrijke teksten van de afgelopen vijftig jaar levert twee gemeenschappelijke kenmerken op. Het eerste is de duidelijke band die altijd wordt gelegd tussen gelijkheid van mannen en vrouwen enerzijds en sociale verandering, vooruitgang en ontwikkeling anderzijds. Door vrouwen gelijke rechten te geven hoopt men een aantal tradities en structuren te doorbreken die ontwikkeling in de weg staan. Vandaag wordt ontwikkeling weliswaar anders ingevuld, maar het denkpatroon is onveranderd gebleven. Het tweede kenmerk is de veelheid aan rollen die vrouwen moeten vervullen. Er staat “vrouwen”, maar afwisselend wordt eigenlijk bedoeld echtgenotes, biologische moeders en sociale moeders, hoedsters van de vrede en het maatschappelijk welzijn, zelfs in teksten die gaan over hun arbeidsmarktparticipatie. Deze twee kenmerken geven tegelijk ook aan welke voorwaarden er aan vrouwen worden gesteld om gelijke rechten te krijgen. Vrouwen hebben recht op gelijkheid als rationele individuen, maar enkel voor zover ze als individuen “de anderen”, hun partner, hun kinderen en de rest van de samenleving in hun zijn geïntegreerd hebben. Hun rechten zijn uitdrukkelijk gekoppeld aan plichten, hun gelijkheid is functioneel. De rode draad die loopt van de eerste bijeenkomst van de Algemene Vergadering van de VN tot de Conferentie van Beijing is de assimilatie van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen met het algemeen belang. In de terminologie van de institutionele economie die zowel de Wereldbank als de UNDP in hun jongste documenten hebben aangenomen, kan men stellen dat gelijkheid tussen mannen en vrouwen een publiek goed is met positieve externaliteiten.12 Juist door de veelheid van rollen en de invloed daarvan op vooruitgang en ontwikkeling is de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in het belang van de hele mensheid.

Een eerste verklaring voor de assimilatie van armoede met vrouwen is dus gevonden. Zowel armoedebestrijding als de gelijkheid van vrouwen staan in dienst van het algemeen belang. Als we echter meer in het bijzonder kijken naar de rol van arme vrouwen in het armoedeverhaal van de jaren ’90, dan zien we dat er toch nog meer aan de hand is. Waar de gelijkheid van vrouwen in het algemeen kan beschouwd worden als een publiek goed, wordt van arme vrouwen in het bijzonder ook verwacht dat ze publieke goederen - of zo men wil een algemeen belang - produceren. Uit deze redenering zal blijken dat de armen niet noodzakelijk zo gelijk zijn als de niet-armen en dat arme vrouwen niet even gelijk zijn als niet-arme vrouwen. Impliciet en expliciet worden in het VN-verhaal twee groepen van armen geconstrueerd, waarmee eveneens een historische trend wordt bevestigd. In alle tijdperken zijn er goede armen en slechte armen.
Het algemeen belang van de armoedebestrijding schuilt in de veralgemening van de economische groei, de daling van de bevolkingsgroei, de beperking van de migratiestromen, enzovoort. Uiteraard zal dit gunstig effect slechts bereikt worden als de armen zich ook gedragen zoals van hen wordt verwacht, d.i. wanneer ze de kansen die hen met het nieuwe beleid worden geboden ook effectief gebruiken. Armen zijn gelijk aan niet-armen, precies omdat ze ook tot de soort van de homo economicus behoren, rationele individuen zijn die handelen uit eigenbelang. Echter, niet alle eigenbelang leidt tot algemeen belang. De verwijzingen in het verhaal van de VN-instellingen naar bedelaars en kruimeldieven, naar drugs, alcohol en prostitutie doen vermoeden dat de VN, zonder het met zoveel woorden te zeggen, ook denken aan een categorie van slechte armen, van armen die geen steun verdienen of zelfs gesanctioneerd kunnen worden. Wanneer de VN-instellingen - en vooral de Wereldbank - sterk aandringen op een strenge selectie voor de sociale steun (“targeting”), dan kan men vermoeden dat het er hen niet enkel om te doen is misbruiken en verspilling tegen te gaan, maar tevens om die gedragingen aan te moedigen en te belonen die ook in de richting gaan van het algemeen belang van de hele wereldgemeenschap. Wie geen gebruik maakt van de geboden kansen, wie niet bereid is “zichzelf te helpen”, sluit zichzelf ook uit van de gemeenschap die werkt aan het algemeen welzijn.

Deze impliciete constructie van een groep van slechte armen wordt vergemakkelijkt door expliciet en a contrario een groep van goede armen te creëren, van armen die zeker ook rationele individuen zijn en handelen uit eigenbelang, maar die dat eigenbelang wel spontaan interpreteren als het belang van de anderen. Arme vrouwen van wie wordt verondersteld dat ze hun gezinstaken combineren met arbeidsmarktparticipatie en gemeenschapswerk voldoen aan die vereisten. Alleenstaande moeders die over onvoldoende sociaal kapitaal beschikken om hun kinderen goed op te voeden en over onvoldoende tijd om alle rollen naar behoren te vervullen, zijn dat al heel wat minder. De gezinstaken van vrouwen blijven zonder meer het meest aanzien genieten en het gezin wordt herhaaldelijk als hoeksteen van de maatschappij beschreven. Het is ook de belangrijkste bron van sociale bescherming. Huishoudelijke arbeid moet wel gevaloriseerd worden en mannen moeten een deel ervan op zich nemen. Vrouwen worden geacht een wezenlijke rol te spelen in het herstel van de vandaag ondermijnde stabiliteit van gezin en samenleving. De gemeenschapstaken van vrouwen zijn gericht op het behoud en herstel van de sociale cohesie. Dit is het terrein van het nieuwe sociale beleid, van de solidariteit en de zelfhulp, van de participatie die er op neerkomt dat de armen zelf voor hun sociale voorzieningen moeten instaan. Dit beleid wordt gesteund door de overheid en in gang gezet door ngo’s, gemeenschapsorganisaties, vrijwilligerswerk, enzovoort. Bij gebrek aan banen moeten arme vrouwen ook een beroep kunnen doen op microkredieten om microbedrijfjes te creëren. Hoewel men ook vaststelt dat, in tegenstelling tot mannen, vrouwen vaak bereid zijn om zelfs slecht betaald werk te aanvaarden.

Veel te kort samengevat kan men stellen dat door arme vrouwen gelijke rechten te geven en hen rechtstreeks bij het armoedebeleid te betrekken zij spontaan een aantal publieke goederen gaan produceren waar de hele samenleving beter van wordt: ze hebben minder kinderen en zorgen voor sociaal welzijn en stabiliteit. Arme vrouwen spelen niet enkel een rol in de strategie van armoedebestrijding, ze zijn een belangrijk deel van de strategie zelf. Conform de stelling van Simmel13 zijn arme vrouwen dus niet de finaliteit van de rechten die ze krijgen, maar slechts een instrument in dienst van een ruimer algemeen belang.
Tegen de achtergrond van het verhaal over mondialisering wordt stilaan duidelijk wat de functie is van het armoedethema en waarom vrouwen er een vooraanstaande plaats in innemen.
a) Het armoedevertoog past in een context van herschikking van de verhoudingen tussen staat, markt en maatschappij. De staat is de verdediger van het algemeen belang, producent van publieke goederen die niet of onvoldoende op de markt aanwezig zijn. Hiertoe behoort sociale bescherming voor de armen, voor wie zonder de overheid niet in zijn overleven kan voorzien. Met armoedebestrijding als prioriteit kunnen zowel de nationale overheden als de internationale instellingen zich legitimeren en kunnen deze laatste hun toezicht op het beleid van de nationale staten verantwoorden. Ze kunnen op die manier van de armen hun bondgenoten maken in de uitvoering van alle voorgeschreven hervormingen.
b) Door armoede te associëren met vrouwen wordt onderstreept dat armoedebestrijding een kwestie is van algemeen belang. Meteen zijn ook de partners beschikbaar die een aantal leemten van de zich terugtrekkende sociale staat kunnen vullen. Bovendien kan de aandacht worden afgeleid van maatregelen die niet passen in het mondialiseringsdenken en waarvan vrouwen slechts zelden de rechtstreekse begunstigden zijn geweest. Ik denk hierbij vooral aan monetaire herverdeling, een volwaardige sociale bescherming en lonen die de armoedegrens overstijgen. De oplossingen waarmee honderd jaar geleden in het nu rijke westen de verpaupering werd tegengegaan, zijn vandaag naar de achtergrond verdrongen. De armoedebestrijding van vandaag is minder een kwestie van sociale rechten dan van economische en politieke doelmatigheid. Ook symbolisch is de associatie van armoede met vrouwen niet zonder belang. Het beeld van de arme vrouw met kind roept medelijden op, geen roep naar sociale veranderingen. Arme vrouwen, met alle kenmerken die hen worden toegeschreven, zijn per definitie goede armen die onze hulp verdienen.
Een laatste vraag die moet beantwoord worden, is die naar een algemeen besluit uit dit verhaal en naar de manier waarop dit verhaal kan worden gebruikt. Het VN-vertoog van de jaren ’90 geeft enerzijds een beschrijving van de wereld, van de internationale relaties en van de situatie na de Koude Oorlog, het debacle van de transitie en de Aziatische financiële crisis. Anderzijds schetst het een ideale toekomst waarvoor de VN zich wil inzetten, met de steun van alle naties en alle politieke, economische en maatschappelijke actoren. Of deze beschrijving ook een waarheidsstatus krijgt, hangt af van de consensus die er over bereikt wordt en dus ook van de interpretatie die eraan gegeven wordt. Zoals bijna alle teksten van internationale instellingen zijn ook de VN-teksten op veel punten meerduidig, wat onvermijdelijk is wanneer te veel contradicties met elkaar worden verzoend. Ik heb in mijn analyse meer gezocht naar de rode draad die door alle teksten heen loopt, dan naar de verschillen en nuances die tegelijkertijd in alle teksten aanwezig zijn. Het is die rode draad die m.i. een verklaring kan bieden voor het bestaan van het armoedeverhaal, hier en nu.

Het zal duidelijk zijn dat ondanks de kritische interpretatie die aan dit verhaal kan gegeven worden, het tevens een enorm potentieel aan emancipatorische actiemogelijkheden biedt. We weten van Foucault dat er in elk vertoog een strijd wordt gevoerd om de macht, en dat waar er macht is er ook ruimte is voor verzet. In tegenstelling tot Gramsci’s theorie van de dominante ideologie, kan men ook stellen dat elk vertoog, wil het aanvaard en dominant worden, voldoende elementen moet bevatten waarmee het ook kan bevochten worden.14 In het concrete voorbeeld van het VN-verhaal over mondialisering, armoede en vrouwen lijkt het me niet onbelangrijk te beseffen wat de mogelijke valkuilen van een op het eerste gezicht zuiver sociaal geïnspireerd verhaal kunnen zijn. Slechts op die manier kan men vermijden dat armoedebestrijding wordt gebruikt als argument in de pogingen om de bestaande sociale bescherming af te bouwen of te privatiseren. Slechts op die manier kan men vermijden dat armoedebestrijding wordt gebruikt om vrouwen te instrumentaliseren en hen een nog zwaardere arbeidslast op te dringen. Slechts op die manier kan worden vermeden dat armoede en gelijke rechten weer van de agenda verdwijnen. Niets staat in de sterren geschreven.

Noten
1. Hoewel de Wereldbank formeel reeds in 1972 van armoedebestrijding een prioriteit maakte, was 1990 ook voor haar een keerpunt, met de publicatie van haar Verslag over de ontwikkeling in de wereld dat volledig aan het thema armoede was gewijd. In 1990 publiceerde ook de UNDP haar eerste verslag over “menselijke ontwikkeling”. Zowat alle andere multilaterale ontwikkelingsorganisaties hebben zich bij de nieuwe prioriteit aangesloten.
2. Zie o.m. Geremek, B., La potence ou la pitié, Paris: Gallimard 1987 en Sassier, P., Du bon usage des pauvres. Paris: Fayard 1990.
3. Zie o.m. Oyen, E., “Poverty Research Rethought” en Samad, S.A., “The Present Situation in Poverty Research”, in: Oyen, E., Miller, S.M. and Samad, S.A. (ed.), Poverty. A global Review. Handbook on International Poverty Research. Oslo: Scandinavia University Press 1996.
4. PNUD , Rapport sur le Développement humain. Paris: Economica 1990 en Banque Mondiale, Rapport sur le développement dans le monde. La pauvreté. Washington: La Banque mondiale 1990.
5. World Bank, Poverty trends and voices of the poor, 1999. (http://www.worldbank.org/poverty/data/trends/income.htm)
6. World Bank, A proposal for a Comprehensive Development Framework, 1999. (http://www.worldbank.org/cdf/cdf-text.htm)
7. Om een ontwikkelingsparcours uit te stippelen stelt de Wereldbank de landen een matrix voor met 14 punten, ingedeeld in structurele, menselijke, fysische en specifieke ontwikkelingsbehoeften. Enkel het veertiende vakje werd open gelaten en mag door het land zelf in alle vrijheid worden ingevuld. De macro-economische voorschriften blijven van het IMF komen (World Bank, A proposal for a Comprehensive Development Framework, 1999).
8. J. Somavia, voorzitter van de VN-Wereldtop voor sociale ontwikkeling, Le Monde, 7 maart 1995.
9. PNUD, Rapport sur le développement humain. Paris: Economica 1993, p. 25; Nations Unies, Déclaration de Copenhague sur le développement social, 1995, par. 16; Nations Unies, Rapport de la Conférence internationale sur la population et le développement, 1993, par. 3.16.
10. o.m. PNUD, Rapport sur le développement humain. Paris: Economica 1997, p. 69; Banque Mondiale, Rapport sur le développement dans le monde. La pauvreté. Washington: La Banque mondiale 1990, p. 36; United Nations, Report on the World Social situation. New York: United Nations 1997, p. 85; United Nations, Poverty Reduction Strategies. New York: United Nations 1998, p. 8.
11. Zie o.m. Rosenhouse, S., Is headship a useful concept? LSMS Working Paper no 58. Washington: The World Bank 1989; McLanahan, S. and Garfinkel, I., “Single mother families and social policy: lessons for the United States from Canada, France and Sweden”, in: McFate, K. et al. (eds), Poverty, inequality and the future of social policy. New York: Russell Sage Foundations 1995.
12. Zie vooral Kaul, I. et al. (eds.), Global Public Goods. New York: UNDP 1999, met bijdragen van medewerkers van de UNDP, de Wereldbank en onafhankelijke deskundigen. Ook sociale rechtvaardigheid en armoedebestrijding worden hierin geïnterpreteerd als publieke goederen.
13. Simmel, G.,[1908], Les pauvres. Paris: PUF 1998.
14/ Scott, J.C., Domination and the art of resistance. Hidden Transcripts. New Haven: Yale University Press 1990.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 3 (maart), pagina 21 tot 29