Log in

Brusselmans en de rechter

Wat na het verspreidingsverbod van \"Uitgeverij Guggenheimer\"?

,,(…) kunst houdt geen rekening met waarheid en met leugens maar vermengt de twee tot geen van beide ingrediënten nog van het andere te onderscheiden is.’’
(Uitgeverij Guggenheimer)

Op 4 november 1999 legde het Antwerpse Hof van Beroep na een kortgedingprocedure verbod op tot verspreiding van het boek Uitgeverij Guggenheimer van Herman Brusselmans. Volgens het Hof bevatte het boek een aantal passages die een aanslag inhield op de eer en reputatie van verzoekster, modeontwerpster Ann Demeulemeester. De storm rond het boek van Brusselmans is nu wat geluwd, maar het boek is in zijn oorspronkelijke editie nog altijd verboden. Toch is en blijft het verspreidingsverbod ervan een onbetamelijke maatregel.

Essentie

Laat vooraf duidelijk zijn dat enkel een aantal juridische argumenten ter ondersteuning van deze stelling hierna zal worden ontwikkeld. Op de cultuurfilosofische of literair-esthetische discussie die door sommigen is gevoerd, wordt niet ingegaan. De argumenten zullen dus worden ontwikkeld los van de figuur Brusselmans en de literaire kwaliteiten van zijn boek. Volgens de literaire kritieken moet Uitgeverij Guggenheimer zowat het slechtste en meest overbodige boek zijn dat in Vlaanderen ooit van de drukpers is gerold. Als er evenwel een prijs voor de slechtste Vlaamse roman van de twintigste eeuw zou worden uitgereikt, zijn er toch nog andere verdienstelijke kandidaten. Maar dat doet niets ter zake. Waar het gaat dan wel over? De essentie is dat we niet mogen aanvaarden dat een rechter of een rechtscollege in kort geding, dus zonder over de grond van de zaak te (mogen) oordelen, een boek uit de handel kan laten nemen omdat één persoon zich door een aantal passages beledigd voelt. Anders uitgedrukt: in een roman een geïndividualiseerde, herkenbare, levende persoon beledigen en in haar privéleven kwetsen, rechtvaardigt geenszins een rechterlijk verbod tot verspreiding van dat boek.

Bokshandschoen

Ook al baal je van de persoon Brusselmans en van zijn romanpersonages. Ook al vind je zijn boeken commerciële rotzooi, een aaneenrijging van schaamteloze scheldtirades, seksistische opmerkingen en een onophoudende stroom van beledigingen aan het adres van bekende Vlamingen. Ook al vind je dat Ann Demeulemeester zich terecht beledigd voelt. Ook al vind je dat in een literaire fictieroman echte, levende personen niet in hun eer en reputatie mogen worden gekrenkt (overigens allemaal stellingen en uitgangspunten waarover ernstige meningsverschillen kunnen bestaan). Zelfs in de veronderstelling dat al het voorgaande voor waar mag worden genomen, dan nog komt het niet toe aan de kortgedingrechter om meteen naar de juridische bokshandschoen te grijpen en een verspreidingsverbod onder dwangbevel op te leggen.

Eerste argument

Welke zijn nu de argumenten om het rechterlijk verspreidingsverbod van het boek in de zaak Brusselmans zo fel te bekritiseren? Een eerste kritiek betreft het feit dat het verspreidingsverbod is afgedwongen via een procedure op eenzijdig verzoekschrift, dus achter de rug van de auteur en de uitgever. Men moet immers goed voor ogen houden dat het verspreidingverbod is opgelegd door het arrest van 29 oktober 1999 waarmee het Hof van Beroep te Antwerpen op eenzijdig verzoekschrift een beslissing heeft genomen. Louter op basis van de selectieve verwijzing naar enkele passages uit het boek op aangeven van Ann Demeulemeester, is het Hof van oordeel dat deze passages ,,als eerrrovend moeten worden beschouwd en inbreuken uitmaken op haar recht op bescherming van het privéleven’’ en dat daarom het boek uit de handel moet.

Dat kan dus echt niet. Laat het dan nog zo zijn dat een fundamenteel recht van Ann Demeulemeester in deze mogelijks bedreigd is. Dat gegeven op zich mag geen reden zijn om andere fundamentele rechten op een gevaarlijke wijze op de helling te zetten, namelijk de vrijheid van meningsuiting en het recht op een eerlijk proces. Tot een verregaande maatregel als een verspreidingsverbod van een boek beslis je niet zonder de verwerende partij aan het woord te laten. Men moet zich dus goed voorstellen hoe dat gaat. Op 29 oktober in de voormiddag dienen de advocaten van Demeulemeester het verzoekschrift in bij het Hof. Enkele uren later is het arrest kant en klaar, zonder enig vorm van verweer van Brusselmans of zijn uitgever. En uiteraard zonder dat de rechter de tijd heeft gehad om het boek te lezen en de passages in de context te plaatsen van de roman in kwestie. Geen recht op verdediging. Snelrecht in zijn zuiverste vorm. De vrijheid van meningsuiting en de artistieke expressievrijheid is een te hoog goed om er zo slordig mee te laten omspringen en aan de gehaaste kortgedingrechter zonder tegensprekelijk debat een zo mateloze bevoegdheid te geven. Met snelrecht moet je bijzonder voorzichtig zijn, of het wordt algauw een contradictio in terminis.

Uiteraard kan men argumenteren dat enkele dagen later dit arrest is bevestigd nadat Brusselmans en de uitgever verzet hadden aangetekend. Eerlijk gezegd is dat niet ernstig. Op 29 oktober 1999 beslist de eerste kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen in een uitvoerig gemotiveerd arrest tot verspreidingsverbod van het boek. Je kunt moeilijk verwachten dat diezelfde kamer, met dezelfde rechters nota bene, enkele dagen later na een summier verweer van de auteur en de uitgever een volstrekt tegengesteld standpunt zou gaan innemen. Het kan dan ook nauwelijks verwondering wekken dat het arrest van 4 november 1999 bijna woordelijk de motivering en de argumenten van het arrest van 29 oktober 1999 overneemt.

Tweede argument

Een rechterlijk verbod tot verspreiding van een boek, na procedure in kort geding, is in strijd met artikel 25 van de Grondwet. Dat artikel van de Grondwet bepaalt: ,,De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd (..)’’. Dat een rechterlijk verbod tot verspreiding van Brusselmans’ boek in strijd is met artikel 25 GW was trouwens ook het oordeel van de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, die op 28 oktober 1999 als eerste over de vordering van Demeulemeester besliste. Volgens de voorzitter van de rechtbank beoogde de gevorderde maatregel een verspreidingsverbod van een geschrift ,,omwille van de inhoud ervan’’. De voorzitter stelde kordaat in zijn afwijzend bevelschrift dat zoiets neerkomt op ,,een vorm van censuur zoals bepaald in art. 25 van de Grondwet’’.
Het bevelschrift van 28 oktober 1999 erkent wel dat de vrije meningsuiting niet absoluut is: wanneer de meningsuiting wordt aangewend om een misdrijf te plegen kan dat echter enkel ,,aanleiding geven tot vervolging en het stellen van een burgerlijke vordering in schadevergoeding’’. Dat is inderdaad een essentiële waarborg voor de persvrijheid die in de Belgische Grondwet in 1831 werd ingeschreven en onveranderd moet worden toegepast: geen preventieve tussenkomst. Enkel achteraf in een strafprocedure of een burgerlijke procedure ten gronde kunnen via de rechter misbruiken van de vrijheid van meningsuiting worden gesanctioneerd. Dat kan soms vervelend zijn in bepaalde gevallen voor wie het overkomt. Maar dat is nu eenmaal de fundamentele waarborg die in de Belgische Grondwet is ingeschreven.
Ook andere kortgedingrechtspraak gaat in dezelfde richting. Zo was de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent in een bevelschrift van 30 oktober 1998 (zaak Regina Louf) van oordeel dat een verspreidingsverbod van een boek via rechterlijk bevel in kort geding neerkomt op een ongrondwettelijke maatregel. De ongrondwettigheid van een dergelijke maatregel is ook in andere recente rechtspraak beklemtoond. In Gent dus, maar ook in Brussel, Antwerpen en Luik naar aanleiding telkens van gelijkaardige vorderingen tegen boeken. Toch wel opvallend hoe er in de voorliggende zaak Ann Demeulemeester tegen Herman Brusselmans van deze rechtspraak wordt afgeweken.

Derde argument

Het verspreidingsverbod van Brusselmans’ boek is in strijd met artikel 10 van het Europees Mensenrechtenverdrag (EVRM). Dat artikel verbiedt overheidsinmenging (ook via de rechter!) in de vrijheid van meningsuiting, behoudens in de gevallen die bij wet zijn voorzien en voor zover dat strikt noodzakelijk is in een democratische samenleving, onder andere ter bescherming van de rechten van anderen. Artikel 10 hanteert dus een zeer vage norm, want wanneer is het noodzakelijk in een democratische samenleving om beperkingen of restricties aan de expressievrijheid op te leggen? Dat is de hamvraag. Om artikel 10 zinvol te kunnen hanteren moet men zich baseren op de rechtspraak van het Europees Hof in Straatsburg. Met ruim meer dan 50 arresten van vooral de voorbije jaren heeft het Hof concrete invulling gegeven en criteria aangereikt van wat kan worden verstaan onder toelaatbare dan wel ontoelaatbare vormen van overheidsinmenging in een actuele democratische samenleving die volgens het Hof de basiskenmerken moet vertonen van ,,pluralisme, openheid van geest en tolerantie’’.

Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat een zeer hoge mate van bescherming moet worden gegeven aan alle soorten van inlichtingen, opinies en waardeoordelen, want, zegt het Hof, artikel 10 EVRM beschermt ook de artistieke expressievrijheid en tegelijk ook opinies en denkbeelden die kunnen ,,kwetsen, choqueren of aanstootgevend zijn’’. Cruciaal is ook dat indien sprake is van een misbruik van de vrijheid van meningsuiting en een rechterlijke interventie nodig is, de beperkende of bestraffende maatregel pertinent en niet-disproportioneel mag zijn. En met ,,prior restraint’’, voorafgaande of preventieve tussenkomst via de rechter, heeft het Hof in Straatsburg het sowieso altijd al heel moeilijk.

Bezwaren

Het uit de handel halen van Brusselmans’ boek blijkt daarom vanuit het perspectief van de rechtspraak van het Straatsburgse Hof een niet te verantwoorden, want niet-pertinente en buitenproportionele maatregel. Er zijn immers twee bezwaren te formuleren. Ten eerste is het verspreidingsverbod dat is opgelegd, helemaal niet van aard om te voorkomen dat de eer en de reputatie van Ann Demeulemeester zou worden geschonden. Juist door de ingeleide procedure, door het boek uit de handel te halen en door de rechterlijke uitspraken zelf is de aandacht op deze passages toegespitst en heeft de beoogde maatregel dus een tegengesteld effect. Het verspreidingsverbod draagt dus niet op een functionele wijze bij tot het beoogde legitieme doel, namelijk de bescherming van de reputatie of het privéleven van Ann Demeulemeester.

Ten tweede is een onmiddellijk verspreidingsverbod buitenproportioneel. De rechter kan immers ook een minder verregaande maatregel nemen, zoals het verbod dat in de volgende edities enkele van de gewraakte passages niet meer mogen voorkomen. Hij kan ook een bevel opleggen dat in alle nog te verspreiden exemplaren een mededeling moet worden toegevoegd dat de passages die in het boek voorkomen in verband met mevrouw Demeulemeester als kwetsend of beledigend te beschouwen zijn en dat de auteur hiervoor in rechte veroordeeld werd. Overigens kan de rechter Brusselmans ook veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan Demeulemeester, aangevuld eventueel met de verplichte publicatie van het vonnis of arrest in enkele kranten of tijdschriften.
Een onmiddellijk verspreidingsverbod opleggen in kort geding, laat staan na een procedure op eenzijdig verzoekschrift, is voorbarig en zoals gesteld, buitenproportioneel. Strijdig dus met artikel 10 EVRM. Bovendien schrapt het Antwerpse Hof in al zijn ijver om de eer en reputatie van Ann Demeulemeester te redden, ook een aantal passages die volstrekt binnen de vrijheid van waardeoordelen valt. Zo bijvoorbeeld de zin: ,,Hoe heet ze, Ann Demeulemeester? Die omhooggescheten ontwerpster van coutureloze zwarte vodden waar chichiwijven zich zonder enige geldige reden blauw aan betalen?’’. Als dat niet kan volgens de rechter, dan moet men zich ernstig zorgen beginnen te maken in de Vlaamse literaire wereld. Hugo Claus incluis.

Koninklijke rust

Om te eindigen nog een verwijzing naar een proces tegen een boek dat enige tijd geleden werd gevoerd en zijn beslag kreeg voor de rechtbank van Parijs. Het betreft de juridische actie tegen het boek van Pierre Mertens, Une Paix Royale, vertaald als Koninklijke Rust. Door Prins Alexander en door Prinses Liliane Baels was een verspreidingsverbod van het boek gevorderd omwille van een aantal passages die als beledigend werd ervaren. Door de Parijse kortgedingrechter werd de vordering afgewezen. Achteraf, in de procedure ten gronde, oordeelde de Parijse rechtbank dat in het boek van Mertens fictie en realiteit betreffende het Belgische koningshuis zodanig door elkaar werden vermengd dat het voor de lezer niet meer mogelijk was om te weten waar de fictie ophield en waar de verwijzing naar de realiteit begon en omgekeerd. Daardoor was het mogelijk dat een aantal beledigende passages betreffende het Belgische koningshuis niet in een fictieve context werd geïnterpreteerd. Mertens werd veroordeeld tot een schadevergoeding van 20.000 FF en tot toevoeging in de volgende edities van het boek dat de passages betreffende Prinses Liliane, en meer bepaald wat ze als romanfiguur in het boek zegt over Boudewijn en Fabiola, door de rechter beoordeeld zijn als aantasting van de eer van de betrokkenen.

Fictie en realiteit

Met dat vonnis liet de Parijse rechtbank in 1997 verstaan dat wanneer men in een roman bestaande personen ten tonele voert, de afstand tussen fictie en realiteit groot genoeg moet zijn opdat het voor de lezer duidelijk zou zijn dat bepaalde passages of verwijzingen geen realiteitswaarde hebben of ambiëren. Deze moeilijke en subtiele vraagstelling is ook cruciaal bij de beoordeling van de voorliggende zaak Demeulemeester/Brusselmans. Maar als een soort Mr. Proper van het recht heeft de kortgedingrechter uiteraard niet de moeite kunnen nemen om op deze essentiële vraagstelling in te gaan. Deze subtiele en moeilijke beoordeling komt enkel aan de bodemrechter toe, rekening houdend met het perspectief van het belang van de uitingsvrijheid. Zoals eerder het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het uitdrukte: ,,Those who create, interpret, distribute or exhibit work of art contribute to the exchange of ideas and opinions which is essential for a democratic society. Hence the obligation of the State not to encroach unduly on their freedom of expression’’.

Precedent

De verwijzing naar het boek van Pierre Mertens maakt ook duidelijk dat de juridische evaluatie volkomen los staat en moet staan van de esthetische kwaliteit of de literaire beoordeling van het werk of het oeuvre van de auteur. In feite kan dat soms opvallend tegengesteld zijn. Het boek van Pierre Mertens dat in Parijs werd veroordeeld, werd korte tijd later bekroond met de Jean-Monnet prijs voor Europese literatuur. De jury bekroonde Mertens’ boek onder meer omdat hij ,,een schrijver is die belaagd wordt door de tijd waarin hij leeft’’. Of Brusselmans straks ook in aanmerking komt voor een of andere literaire prijs, moeten anderen maar beoordelen. Maar wat in kort geding en na eenzijdig verzoekschrift is gebeurd in de zaak Brusselmans is bijzonder laakbaar en vormt een gevaarlijk precedent waartegen terecht scherp gereageerd is, onder andere via de petitieactie Burgers tegen Censuur. Het is toch wel duidelijk dat de petitie geen steunbetuiging is aan Brusselmans of diens roman, maar een felle kritiek op een rechterlijk verspreidingsverbod van een boek omdat één persoon zich door enkele passages - door enkele uitspraken van een romanfiguur nota bene - beledigd acht.

Vrijheid

Het arrest van het Antwerpse Hof van Beroep opent immers de deur voor een bedrijfsleider, een bankdirecteur, de baas van een wielerploeg, een rijkswachter, een vetmester, een ambtenaar, een politicus of een rechter die bij name in een boek is vermeld en zich beledigd voelt. Hij moet gewoon naar de kortgedingrechter stappen om een verspreidingsverbod van het boek te vorderen opdat hij prompt ook nog zijn eis ingewilligd ziet, desnoods op eenzijdig verzoekschrift. Vele generaties voor ons hebben te lang en te heftig moeten strijden voor de vrijheid van expressie en voor de artistieke expressievrijheid. Om die reden kan deze moeizaam verworven vrijheid maar beter worden gekoesterd en dient elke onbetamelijke aanslag met felle verontwaardiging te worden afgewezen. ,,’De taal is bijtijden een vreemd, heel vreemd wapen’, dacht Guggenheimer.’’ (Uitgeverij Guggenheimer).

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 5 (mei), pagina 36 tot 40