Log in

'Exit poldermodel? Sociaal-economische ontwikkelingen in Nederland'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 5 (juli), pagina 45 tot 48

Exit poldermodel? Sociaal-economische ontwikkelingen in Nederland

Lei Delsen
Van Gorcum, Assen, 2000

In zijn inleiding wijst de auteur op de opvallende wijziging in de beoordeling van de Nederlandse economie door de internationale pers. In het begin van de jaren tachtig werd veel geschreven over de ,,Hollandse ziekte’’. De hoge olieprijzen hadden een inflatie op gang gebracht die had geleid tot hoge lonen en rentevoeten. De bedrijfsinvesteringen werden onvoldoende en de werkloosheid steeg van jaar tot jaar. Nederland ontving veel buitenlandse deviezen door de verkoop van zijn dure aardgas. Daardoor bleef de koers van de gulden hoog en waren vele bedrijven niet meer in staat in het buitenland te concurreren.
In het midden van de jaren negentig sprak de buitenlandse financiële pers met bewondering over het zogenaamde poldermodel (ook wel tulpen- of delta-model genoemd). Een eerste oorzaak van deze gelukkige ommekeer was de koppeling van de koers van de gulden aan die van de Duitse mark, waardoor de Nederlandse prijzen ten opzichte van de voornaamste buitenlandse klanten stabiel werden gehouden. Voorts werd de loonstijging beheerst door akkoorden onder de ondernemingsgroeperingen, de vakbonden en de overheid, en ten slotte was er de geleidelijke verlaging van de sociale lasten en van de belastingdruk.
De samenwerking tussen de ondernemingsgroeperingen, de vakbonden en de regering ving aan in 1983 met de overeenkomsten van Wassenaar. Het leidde ertoe dat de lonen in alle bedrijfstakken werden bepaald door CAO’s onderhandeld op het hoogste niveau en dan opgelegd aan alle ondernemingen van de betrokken sector. De auteur ontkent niet dat de samenwerking tussen de voornoemde drie partijen een economisch herstel heeft bewerkstelligd. Hij wijst evenwel ook op de minder gunstige gevolgen van de toepassing van het poldermodel, waaronder een toename van de materiële ongelijkheid en een groeiend wantrouwen van de achterban ten opzichte van de vakbondsleiders. Dat moet op termijn leiden tot wilde stakingen en aanzienlijke loonsverhogingen, waardoor de concurrentiële positie van de Nederlandse bedrijven verzwakt wordt.
Ook van ondernemerszijde verwacht de auteur een breuk met het traditionele poldermodel. De nieuwe generatie managers voelt zich minder verbonden met het personeel van hun ondernemingen dan hun voorgangers. Naar het voorbeeld van de Amerikaanse ondernemingen richten ze hun bedrijfspolitiek bijna uitsluitend op maximalisatie van de winst. Dat zet hen ertoe aan om afdelingen van hun bedrijf te sluiten of te verkopen indien ze naar hun oordeel te weinig renderend zijn. De overname van Nederlandse bedrijven door multinationale ondernemingen werkt deze evolutie in de hand. De beslissingscentra van deze ondernemingen zijn meestal gevestigd in het buitenland en bekommeren zich niet om de weerslag van hun beleid op de Nederlandse werknemers.
Of de regering de meerderheid van de bedrijfsleiders zo in het gareel zal houden dat ze bereid zijn tot het afsluiten van CAO’s die ook de vakbonden kunnen bevredigen, is volgens de auteur erg onzeker. De overheid heeft reeds een belangrijke toegeving gedaan door te aanvaarden dat in vele sectoren de bedrijfstak-CAO’s worden vervangen door ondernemings-CAO’s, waarover onderhandeld kan worden in de ondernemingsraad. De multinationale ondernemingen krijgen hierdoor de mogelijkheid zich te onttrekken aan de druk van de overheid om bepaalde sociale voorzieningen in de overeenkomsten in te schakelen, zoals de verplichting tot de opleiding van jongeren of de belofte binnen een bepaalde periode geen werknemers af te danken, en dat in ruil voor een beperking van de loonsverhogingen. In de regel staan de syndicale afgevaardigden in de ondernemingsraad bovendien in een zwakkere positie dan hun collega’s in een centrale bedrijfsraad.
Ze moeten immers opkomen voor de belangen van hun werkmakkers tegenover directeurs, aan wie ze meestal zelf zijn ondergeschikt.
Wat de hervormingen in de sociale wetgeving betreft, was de regering-Kok I (1994-’98) geconfronteerd met twee problemen, namelijk een te groot aantal WAO’s (personen die als werkonbekwaam worden aangegeven) en de aangroei van de pensioenlast door de vergrijzing van de bevolking. Het aantal WAO’s was van 1975 tot 1989 ongeveer verdubbeld en bereikte bijna 10 procent van de potentieel actieve bevolking, een hoger percentage dan in alle andere EU-lidstaten. Grote bedrijven, uitzendbureaus en banken hadden de gewoonte aangenomen om oudere werknemers in de WAO te drukken.
De vorige regering-Lubbers, waarin Kok vice-premier was, had reeds enkele maatregelen genomen om deze evolutie tegen te gaan. Op 1 maart 1992 was de Wet Terugdringing Arbeidsongeschiktheidsvolume (TAW) in werking getreden. Door deze wet werden de ondernemers zelf verantwoordelijk gesteld voor het in het WAO drukken van werknemers. Ze moesten zich verzekeren tegen het risico dat één van hun werknemers werkonbekwaam werd en als het aantal WAO-ers afkomstig van hun bedrijf toenam, verhoogde hun premie. Deze wet lokte zoveel verzet uit dat ze in 1996 werd afgeschaft. Het kabinet-Kok verving ze evenwel met ingang van 1 januari 1998 door de Wet Premiedifferentiatie en Marktwerking bij Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (PEMBA) die de premiedifferentiatie opnieuw invoerde. De ondernemers kunnen geen weinig productieve werknemers naar de WAO afstoten zonder een hogere verzekeringspremie te betalen. Ze hebben er belang bij deze werknemers in een andere functie te werk te stellen. Dat zal op termijn leiden tot een daling van het aantal WAO’s.
Om zich te voorzien tegen de stijgende lasten van de vergrijzing heeft de regering-Kok het zogenaamde Cappucinomodel van pensioenen voor werknemers enigszins gewijzigd. Dat model voorziet drie soorten van pensioen, namelijk het basispensioen, het aanvullend pensioen en de vrijwillige spaarplannen. Het basispensioen wordt aan alle burgers die ouder zijn dan 65 jaar uitbetaald en wordt gefinancierd door de bijdragen van de huidige generatie werknemers. Het aanvullend pensioen wordt gefinancierd door de bijdragen van de werkgevers en zorgt ervoor dat de gepensioneerde werknemer geniet van een globaal pensioen dat hem door de werkgever werd toegezegd en gelijk is aan een vast bedrag of een bepaald percentage van het eindloon of het gemiddeld loon.
Het basispensioen waarop de werknemer een beroep kan doen, wordt als franchise afgetrokken van het aanvullend pensioen. Dat laatste wordt gefinancierd volgens het systeem van de kapitaalvorming. Er worden reserves aangelegd om in de toekomst de pensioenen te betalen. Het globale bedrag van die reserves bedraagt nu ruim 500 miljard gulden of 87 procent van het Nederlandse BBP. Door het basispensioen laag te houden (voor een gezin van twee personen 70 procent van het minimumloon) dwingt de regering-Kok de ondernemingen vrij grote sommen te reserveren voor de pensioenen van hun huidige werknemers. In verband met de vrijwillige spaarplannen kunnen veel werknemers slechts een beroep doen op een onvolledig aanvullend pensioen omdat ze gedurende bepaalde periodes niet hebben gewerkt. Ze hebben er belang bij een vrijwillig spaarplan af te sluiten met een privé-verzekeringsmaatschappij. De overheid moedigt dat aan door een gunstige fiscale behandeling van de lijfrenteverzekering.
Dat Cappucinosysteem biedt het voordeel dat het grootste deel van de pensioenen in de toekomst zal worden betaald uit gereserveerde kapitalen. De toekomstige generaties zullen dus maar in geringe mate moeten opdraaien voor de toenemende pensioenlast. Het houdt evenwel de privatisering in van het grootste deel van het pensioenstelsel. De auteur vindt dat geen gelukkige oplossing omdat de ervaring in de Angelsaksische landen leert dat privé-verzekering in de regel meer administratieve uitgaven meebrengt dan verzekering door de overheid. Daarenboven houdt de belegging van de gereserveerde kapitalen risico’s in, die vooral bij de vrijwillige spaarplannen kunnen leiden tot het gehele of gedeeltelijk verlies van het recht op pensioen.
De ziekteverzekering werd ook in toenemende mate geprivatiseerd. Van het begin van 1994 af werd voorzien dat de werkgever voortaan gedurende zes weken moest instaan voor de uitbetaling van het loon van de zieke arbeider. Aangezien 90 procent van de zieke werknemers binnen die termijn het werk hervat, bleef de overheid slechts in geringe mate meer verplicht de zieken te vergoeden. De regering-Kok I heeft deze termijn uitgebreid tot één jaar zodat de last voor de overheid miniem is geworden. De ondernemingen moeten zich bij een privé-instelling verzekeren tegen het risico dat werknemers ziek worden. Die past de premie aan bij het vastgestelde risico. De ondernemer heeft er dus belang bij te beletten dat zieke arbeiders na hun genezing zich nog enige tijd thuis verschuilen.
Tegen dat systeem voert de auteur aan dat het de ondernemers ertoe aanzet, kandidaat-werknemers met een zwakke gezondheid en invaliden niet aan te werven. Om te beletten dat dergelijke personen tot langdurige werkloosheid worden veroordeeld, heeft de regering-Kok met ingang van 1 juli 1998 subsidies voorzien voor bedrijven die arbeidsgehandicapten tewerkstellen. De ervaring heeft ondertussen aangetoond dat deze maatregel ertoe bijdraagt dat ondernemingen dergelijke personen bijhouden, maar niet leidt tot de aanwerving van buitenstaanders met een invaliditeit of een zwakke gezondheid. Uit dat alles blijkt dat het poldermodel geen stabiele ordening inhoudt van de economische en sociale structuren, maar zich in volle evolutie bevindt. Deze evolutie brengt het model dichter bij de Angelsaksische vorm van kapitalisme en verwijdert het van het Rijnlandmodel. Er wordt met andere woorden minder geregeld door onderling overleg en meer door de concurrentie binnen het marktgebeuren.
Volgens de auteur zal dat uitlopen op het volledig verlaten van het poldermodel. Mij lijkt dat evenwel onzeker. Tot nu toe heeft de regering-Kok II het liberaliseringsbeleid voortgezet, maar daartegen groeit in de partij meer en meer oppositie. Bij de verkiezingen van 6 mei 1998 behaalde de PvdA 28,98 procent van de stemmen, de linkse oppositiepartijen Groen Links en de Socialistische Partij respectievelijk 7,27 en 3,53 procent. Bij de Europese verkiezingen van 10 juni 1999 daalde het aandeel van de PvdA tot 22,8 procent en steeg dat van Groen Links en van de SP tot respectievelijk 11,9 en 5,0 procent. De Nederlandse progressieven zijn blijkbaar weinig ingenomen met het beleid van Kok. Ze vinden het te liberaal en wenden zich tot meer linkse partijen of blijven zoals bij de Europese verkiezingen gewoon thuis. Bij laatstgenoemde verkiezingen nam namelijk maar 29,9 procent van de kiesgerechtigden aan de stemming deel.
Kok is zich blijkbaar bewust van de geleidelijke afbrokkeling van zijn populariteit. Uit een recent interview blijkt dat hij in mindere mate dan in het verleden afkerig zou zijn van een eventuele overgang naar een functie in de Europese Commissie. Als zijn meest waarschijnlijke opvolger aan het hoofd van de regering wordt Melkert genoemd, een vroegere Minister van Sociale Zaken die nu optreedt als woordvoerder voor de PvdA in het parlement. Van hem wordt verwacht dat hij een meer linksgericht beleid zou voeren. Of dat in het kader van de coalitie met de VVD mogelijk zou zijn, blijft evenwel onzeker.
Nu al komen er regelmatig conflicten voor in het parlement tussen Melkert, VVD-ministers en woordvoerders. Een coalitie met Groen Links zou wenselijk zijn om het milieubeleid dat nu enigszins wordt verwaarloosd, wat meer op de voorgrond te brengen. Een dergelijke coalitie zou slechts een parlementaire meerderheid kunnen verwerven indien een andere grote partij tot de regering toetreedt. In hoeverre dat zal leiden tot een herbronning van het poldermodel blijft een open vraag.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 5 (juli), pagina 45 tot 48