Abonneer Log in

Pokeren in de oliekachel

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 5 (juli), pagina 35 tot 42

Al meer dan een jaar hebben wij met hoge brandstofprijzen te maken. Dat is een gevolg van een ingreep in de olieproductie en van een aanzienlijk gestegen dollarkoers. Het volk mort en ziet vooral de Opec als de boeman. Is een tijd van dure olie aangebroken?

Gezien de zeer lage productiekost (circa 1 dollar het vat1 in het Midden-Oosten tot 5 dollar in de Noordzee) en de overvloed aan reserves, is het niet verwonderlijk dat de oliemarkt geregeld oververzadigd is. Meestal vangen de multinationale oliemaatschappijen van de Westerse verbruikerslanden het teveel op door zelf minder ruwe olie te produceren en grote stocks aan te leggen, zodat de prijs binnen een vork van gemiddeld 20 tot 24 dollar blijft hangen. Als de vloed evenwel te lang aanhoudt, komen de internationale noteringen toch in een neerwaartse spiraal terecht. Dat geschiedde in 1998/1999, toen de notering van de Brent-Noordzee, de belangrijkste referentie-olie, tot ongeveer 11 dollar daalde. Dus werd gekozen voor een dwingende maatregel, namelijk voldoende ruwe olie uit de markt nemen om een schaarste te creëren, waardoor de prijzen automatisch stijgen.
Hoe verliep het scenario in de praktijk? Elk groot en middelgroot olieland afzonderlijk kan de wereldmarkt een tijd lang destabiliseren. Dat kan dus zowel Saudi-Arabië als Libië zijn, zowel Noorwegen als Rusland, om maar enkele uit een reeks van tientallen olieproducerende landen te citeren. Maar dan doen ze ook zichzelf de das om, want olie brengt veel geld in het laatje. Met meer wereldomvattend effect kan natuurlijk ook de Opec, als organisatie van elf olie-exporterende landen, de productie vrijwillig verminderen. Artikel 2 van het Opec-statuut bepaalt evenwel dat de organisatie ,,een efficiënte en regelmatige bevoorrading van de verbruikerslanden zal verzekeren’’.
Dat betekent dat het kartel zichzelf heeft opgelegd regulerend in te grijpen bij een fysieke olieschaarste op de wereldmarkt. De Opec is dus niet per definitie een duivelskartel. Overigens is ook een langdurige, eenzijdige productievermindering van de Opec-landen praktisch uitgesloten, want ze zijn niet meer oppermachtig. Van de ongeveer 77 miljoen barrels per dag die de wereld thans produceert, is 46 miljoen afkomstig van de niet-Opec landen en dus slechts 31 van de Opec-landen, of ongeveer 40 procent.
Een productievermindering van ruwe olie, met de bedoeling de prijs omhoog te jagen, kan derhalve alleen worden doorgevoerd als ook de grote Westerse oliebusiness meedoet. Dat geschiedde dan ook in de lente van 1999 (en ook reeds bij een eerste vermindering in april 1998) toen de Opec, als leider op exportgebied, besliste de productiequotavan haar leden2 als volgt (in barrels per dag) te verlagen voor een termijn van 1 jaar: Algerije: 731.000, Indonesië: 1.187.000, Iran: 3.359.000, Koeweit: 1.836.000, Libië: 1.227.000, Nigeria: 1.885.000, Katar: 593.000, Saudi-Arabië: 7.438.000, Verenigde Arabische Emiraten: 2.000.000 en Venezuela: 2.720.000.
In de bekendmaking van het akkoord stond eveneens: ,,de Conferentie apprecieert ook de samenwerking van de geëerde regeringen van Mexico, Noorwegen, Oman en Rusland, die respectievelijk 125.000, 100.000, 63.000 en 100.000 bijkomende verminderingen zullen doorvoeren’’. Over deze samenwerking van de grote niet tot de Opec behorende Westerse olielanden werd door de media met geen woord gerept. Uiteraard werd ook verzwegen dat, althans volgens de Opec-administratie, sommige multinationale oliemaatschappijen ,,praktisch hadden gesmeekt’’ om tot een gezamenlijke productiedaling over te gaan. Het gevolg was dat bij het brede publiek alleen de Opec als de grote schuldige van de prijsescalatie werd gebrandmerkt. De derde olieschok was geboren. Hij werd nog verscherpt door een zeer sterke dollar, de munt waarin de olieprijs wordt genoteerd.

Papieren verdwijntruc

Als background bij de items over de klimmende olieprijzen verschenen in de media maandenlang de meest disparate gegevens over productiedalingen, wereldvoorraden en tekorten. Wie het allemaal min of meer volgde, kreeg er een punthoofd van. Hoe groot was de feitelijke wereldproductievermindering? Was het 2,1 miljoen barrels per dag, omschreven als 7 procent van de opgegeven Opec-productie? Of was het 4,3 zoals anderen schreven? Wat deden de overige dertig tot veertig productielanden? Ook over de voorraden en de wereldvraag verschenen de meest tegenstrijdige gegevens. De mondiale voortbrengst bleek zeer verschillend van bron tot bron. Volgens de ene produceerde de wereld in 1999 72,32 miljoen barrels per dag, volgens de andere 74 miljoen. Het speelde natuurlijk in de kaart van de oliebeurzen van Londen en New York, waar in een dergelijk mistig klimaat de olieprijs onbelemmerd kon worden opgedreven.
Statistische wartaal is typerend voor de petroleumbusiness. De reële cijfers van vraag en aanbod, import, export, voorraden of verbruik zijn totaal niet gekend. Het zijn getallen op papier, meer niet. Zelfs de jaarlijkse productiestatistieken van het Internationaal Energie Agentschap, de Opec en het vaak vernoemde jaaroverzicht van BP/Amoco verschillen vaak grondig van elkaar. Eén voorbeeld moge volstaan: Saudi-Arabië produceerde volgens BP/Amoco in 1998 9.230.000 vaten per dag, volgens de Opec 8.250.000 en volgens het IEA 8.090.000. Het gaat zo ver dat bijvoorbeeld de Belgische overheid zelfs niet bij machte is de juiste invoer van ruwe olie in België te becijferen. Ze verzamelt alleen maar warrige gegevens van de oliemaatschappijen zelf die natuurlijk grondig verschillen van de cijfers die de exportlanden in hun uitvoerstatistieken neerschrijven.

Een verbijsterend voorbeeld van de statistische warboel is de Opec zelf. De organisatie ontvangt van zijn eigen lidstaten geen betrouwbare gegevens over hun olieproductie en -handel. Ze geeft zelf ongegeneerd toe dat ze haar informa­tie haalt bij secundaire bronnen, namelijk grotendeels bij het duo OESO/IEA in Parijs. En waar haalt die instel­ling haar informatie? Bij de regerin­gen van haar lidsta­ten natuur­lijk, die op hun beurt de gegevens ontvangen van de in- en uitvoe­rende olie­maat­schappijen die om het even wat de wereld insturen zoals het hun het beste uitkomt. Geen enkele oliemaatschappij laat immers in haar kaarten kijken.
De vraag is dus: wat was fictie en wat werkelijkheid in het scenario van de productievermindering? Immers, geen enkel cijfer van de sector is betrouwbaar. De Opec zelf neemt aan dat de gevraagde productieverminderingen slechts voor 60 à 75 procent door haar leden werden doorgevoerd. Er is bovendien geen enkele controle mogelijk. Overigens draait men op de olievelden niet zomaar de kranen open of dicht. Daar komt technisch heel wat bij kijken. Van belang was alleen dat de marktprijzen stegen. De markt reageert immers onmiddellijk op geruchten. Ook toen de Opec, op aandringen van de V.S.A., vanaf april 2000 tot een (papieren) productieverhoging besloot, daalde de gemiddelde internationale notering snel van circa 29 dollar in maart naar 24 in april. Dat, terwijl een olietanker er vele weken over doet om zijn lading van het Midden-Oosten naar Amerika of West-Europa te vervoeren.

Marktpraat

Laten we derhalve gerust aannemen dat vooral de market talk, de marktpraat van de grote oliemaatschappijen, geholpen door de bellenmannen van de media, als echte gangmaker van de olieprijs optreedt. We moeten immers niet vergeten dat zelfs een miniem prijsverschil voor een vat olie een gigantische impact heeft op de winst van de oliemaatschappijen. Een fluctuatie in de olieprijs van 1 dollar zou, volgens de oliewereld zelf, de balansresultaten van multinationals als Shell, Exxon/Mobil en anderen beïnvloeden met ongeveer 450 miljoen dollar of 18 miljard frank.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de olieprijs na een korte daling, volgend op de zogenaamde productieverhoging, weer steeg en in juni zelfs de 30 dollar overschreed. Intussen verscheen immers een andere oncontroleerbare oorzaak op het toneel van het Westerse oliespel, namelijk dat de geslonken voorraden eerst moesten worden aangevuld. Alsof de multinationale oliemaatschappijen geen grote voorraden zouden hebben aangelegd toen in 1998 de olie zeer goedkoop was. Alsof een grote oliemaatschappij niet steeds haar opslagtanks en stockagetankers boordevol heeft. Alle grote Westerse multinationals produceren trouwens meer olie dan ze in hun eigen raffinaderijen kwijt kunnen. Ze kunnen dus in alle omstandigheden zoveel voorraad hebben als ze willen. Er is meer. Alle oliemaatschappijen in Europa bijvoorbeeld zijn verplicht om een wettelijke voorraad van drie maanden verbruik van olie en olieproducten te hebben. In België betalen de automobilisten daarvoor jaarlijks ongeveer vier à vijf miljard frank via een supplement per liter brandstof dat al een kwarteeuw geleden werd ingevoerd.
Kortom, er is niets zo gemakkelijk als in de complete mist rondom het oliegebeuren de noteringen op de beurzen in goede banen te leiden. Daar is het immers te doen. De basis wordt daar gelegd voor de prijzen aan de verbruikers en dus de superhoge winsten. Of de tweede papieren verhoging van de productie, waartoe de Opec besliste op 21 juni, een neerwaartse trend van de prijzen zal inzetten, ligt voornamelijk in de handen van de Westerse oliemaatschappijen. Er is immers sowieso olie genoeg op de markt.

Noteringen

Ze staan ergens in een verdoken hoek­je, in heel kleine cijfertjes, achteraan op de economische pagina van de kranten. Soms vinden de redacties dat er een krachti­ge kop bij past in de trant van ,,De olieprijs bedraagt x dollar per bar­rel’’. Het is sowieso een manifeste leugen want 90 procent van de oliehandel geschiedt achter gesloten deuren tegen uiteraard mindere prijzen dan deze die, ten behoeve van de verbruikersmassa, worden opgevoerd op de oliebazaars van vooral Londen en New York. Ze hebben overigens enkel betrekking op een paar referentie-olies, met name de Brent-Noordzee en de West Texas Intermediate (WTI).

Er kan immers geen uniforme prijs zijn voor de ruwe olie vermits er minimaal 250 commerciële types op de markt zijn, verschillend van samenstelling en herkomst. Nee, de echte prijzen worden bepaald tussen de koper en de verkoper waarbij vele factoren een rol spelen: het volume van de olieproductie, de kwaliteit van de olie, de vervoerskosten, de capaciteit en uitrusting van een raffinaderij, de ontwikkeling van nieuwe raffinagetechnieken, de hoogte van de voorraden, het weer, de productie- en prijzenpolitiek van de olielanden, de politieke situatie, enzovoort.
Maar goed, de beurzen zijn er nu eenmaal en ze zijn daarbij geëvolueerd in de richting die de Westerse olienijverheid wil, namelijk speculeren op de toekomst. Inderdaad, de handel in absolute prijzen op de spotmarkt (de dagmarkt van de natte olie) was nog nagenoeg universeel in het midden van de jaren tachtig maar is sindsdien sterk in belang gedaald. De fysieke markt bepaalt voorlopig wel nog min of meer de differentialen, de prijsverschillen tussen crudes van verschillende kwaliteit en herkomst. Zelfs Saudi-Arabië is ten gevolge van klachten over marktmanipulatie op de dagelijkse spotmarkt in de lente van 2000 voor zijn olieverkoop overgeschakeld van de dagwaarde van de olie naar de futures-prijs, zeg maar de papieren markt.
Meer bepaald de dated Brent zet thans direct of indirect de notering van zowat tweederden van de internationaal verhandelde olie. Daar is men in de olielanden van de derde wereld natuurlijk niet gelukkig mee. ,,De rol van de papieren markt legt meer gewicht in de weegschaal van de prijs­vorming dan de olieproducten en de verbrui­kers samen’’, zei een verbitte­rde Dr Gholam­reza Aghazadek, de toenmalige olieminister van Iran in mei 1996.

Rondedans

Merkwaardig is dat het in feite gaat om een handel in overschotten. Het Nederlandse Ministerie van Economische Zaken schrijft3: ,,De oliemaatschappijen vullen daar hun tekorten aan of stoten hun over­schotten af. De oliehandelaars opereren voor vaste relaties in het achterland of vanuit speculatieve oogmerken.’’ Meer nog, het gaat meestal om herverkopingen van steeds dezelfde deals.
De beurs is dus een dagelijkse rondedans van specula­tieve contrac­ten op papier op korte of lange termijn. De handel geschiedt 24 uur per dag, vijfeneenhalve dag per week. Er worden duizenden transacties per uur gesloten zonder dat de deelnemers ooit een vat olie zien. De grote Westerse oliemaatschappijen zijn de onzichtbare hand achter de oliemarkt. Zij exploite­ren immers niet alleen de twee leidende referentie-olies, maar ook vele andere olievelden op de vijf continenten. Zij kunnen dus bijvoorbeeld beslis­sen hoeveel cargo’s ruwe olie er iedere maand voor de markt worden vrijgegeven. ­Teneinde een hoge notering van de Brent te ondersteunen, wordt zelfs vaak een squeeze ingezet, een marktoperator die olieladingen opkoopt en dus aan de markt onttrekt teneinde de onder mekaar afgesproken ‘wegnemingsverplichting’ te honoreren.

Het prijsmechanisme functioneert dus niet zozeer op basis van een open vraag en aanbod maar volgt gewoon de wet van de grote oliemaat­schappijen. Zelfs het communistische China besliste in 1997 om zijn energieprijzen gradueel aan te passen aan de door de grote multinati­onals opgedrongen zogenaam­de wereld­prij­zen. De Opec beklaagde er zich nog begin 1998 over dat haar lidstaten en andere olieproducerende ontwikke­lingslanden price-takers waren geworden in plaats van price-set­ters.

Reporters op pad

De resultaten van dat hectisch marktgebeuren worden door een aantal pricing organisations via de media aan het publiek bekendgemaakt. Ze spelen derhalve een zeer belangrijke rol. Platt’s is de belangrijkste verkoper van beursnoteringen. Het is een gespecialiseerd nieuwsagentschap wiens reporters overwegend uit de journalistieke wereld komen. Een Platt’s-beoordeling - want dat is het in feite - is dan ook gewoon een journalistiek werkstuk, gebaseerd op subjectieve beoordelingen. Ze is subjectief omdat de prijzen constant veranderen omwille van het wisselend vraag- en aanbodpatroon en van de marktpraat.
Het betreft overigens een anonieme markt, w­aarbij veruit de meeste transacties via de telefoon en de telex worden afgehan­deld. Bovendien zijn de gegevens over de individuele trans­ac­ties, dus wie aan wie verkoopt, hoe­veel en tegen welke prijs­, praktisch nooit beschikbaar. Kortom, noteringen zijn de neerslag van wat journalisten opvangen. Vanaf de jaren vijftig is Platt’s het voorwerp geweest van onderzoek naar eventuele connecties met de industrie, met name door het FBI, Europese kartelbureaus en de Europese Commissie. Volgens Platt’s zelf werd het daarbij steeds clean bevonden. Naast Platt’s zijn er tientallen andere pricing organisations.

Noordzee-Brent

De Brent-olie van de Noordzee speelt dus een hoofdrol in het marktgebeuren. Is hij kwantitatief dan zo belangrijk? Het Brent-veld ligt ongeveer 475 km verwijderd van de noordkust van Schotland, ergens halfweg tussen Schotland en Noorwegen. Wat betreft productie betekent deze lichte oliesoort (met daarin opgelost grote hoeveelheden gas en condensaat) zo weinig dat hij in feite niet zou mogen optreden als referentie-olie. Trouwens, heel Europa produceert jaarlijks ‘slechts’ ongeveer 328 miljoen ton ruwe olie, wat amper 9 procent van de wereldproductie is.
Ontdekt in 1965 en opgestart in 1976 met een productie van 2000 barrels per dag, werd de olie toen direct in de olietanks geladen. Thans is een productieplatform boven het Cormorant-veld de draaischijf. Van daaruit vertrekt de diepste pijpleiding van de Noordzee naar Sullon Voe, 150 km ver op de Shetland-eilanden. Een tweede pijpleiding, de Flags, vervoert het aardgas naar St Fergus in Schotland. De vier produc­tieplatforms (Alpha, Bravo, Charlie en Delta) van het Brent-systeem, bereikten een topproductie van 415.000 barrels per dag in 1985 (samen met het Ninian-veld: 1.000.000 barrels). Van dan af daalde de productie tot minder dan de helft. Het veld is nu voor tachtig procent leeg en brengt vooral gas naar boven.

Daarom heeft men in alle stilte vanaf 1990 zijn beteke­nis geher­waardeerd door hem te vervangen door het begrip Brent-sy­stem, een verzameling van een dertigtal velden in het gebied, waaronder Brent, Hudson, North Cormo­rant, Ei­der, Hut­ton Murchison, Thistle, South Cormo­rant, Northwest Hutton en Pelican. Zo bereikt men opnieuw een cumulatieve productie van 480.000 barrels per dag, die echter in 2000 tot 340.000 barrels is gedaald. Het Brent-veld zelf produceert naar verluidt nog amper 140.000 barrels.
Zelfs de Britse Minister voor Energie Tim Eggar stelde in 1996 openlijk de vraag of het niet tijd werd een andere prijsbasis aan te nemen, ook al omdat de reserves van de twee andere referentie-olies, de WTI en vooral de Dubai, eveneens praktisch opgesnoept zijn. De Westerse oliemaatschappijen willen voorlopig echter de huidige situatie handhaven want ze garandeert een opwaardering van de olieprijzen. De Brent wordt immers geëxploiteerd door Shell en Exxon/Mobil in naam van een vijftiental andere leden van de joint venture. Het betekent dus dat deze twee maatschappijen zwaar wegen op de prijsvorming van de ruwe olie en de olieproducten.

Hoge prijzen

De wazige context van het oliegebeuren leent zich gemakkelijk tot doemdenken over de toekomstige olieprijzen. Ook thans beweert men weer dat het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw een periode van dure olie zal zijn. Nuchter bekeken is dat echter vrijwel onmogelijk. Inderdaad, in een normaal werkende economie van vraag en aanbod hoeven er geen hogere prijzen te komen want er is nog aardolie voor eeuwen, ook rekening houdend met de bevolkingstoename.
De grote oliemaatschappijen hebben steeds hun best gedaan om de mensheid te waarschuwen voor een nakende olieschaarste. Dat doet immers de waarde van de grondstof stijgen. Reeds aan het einde van de negentiende eeuw waarschuwden ze ervoor dat de reserves hoogstens goed waren voor enkele tientallen jaren verbruik. Sedertdien hoorden wij ieder jaar hetzelfde refrein. Na de Tweede Wereldoorlog en de opzienbarende opgang van de industrie beweerde men dat tegen het toenmalig productieritme het definitief gedaan zou zijn rond de jaren zestig. Hoewel dat niet uitkwam, voegde in 1972 ook de Club van Rome zich bij de schijnheilige onheilsprofeten door te verklaren dat de reserves rond 2000 zouden zijn uitgeput. Daar staan wij nu.
Niet alleen blijft de petroleumaanvoer zeer groot en zeer universeel, ook de overblijvende reserves zijn reusachtig. De oliewereld bekijkt de toekomst nu positief. De Mineralölwirtschaftsverband, Duitslands overkoepelende petroleumorganisatie, schrijft nu openlijk dat de oliereserves nog goed zijn voor eeuwen. Waarom die plotse ommekeer? Omdat in de maatschappij de roep naar alternatieve energieën steeds luider klinkt en dus voor de petroleumbusiness de tijd gekomen is om de voordelen van de ruwe olie en ditmaal ook zijn onmetelijke reserves in de kijker te stellen. De voorspellingen die thans de ronde doen, overbruggen eeuwen. Reserves zijn immers een functie van geld en van techniek.

Toekomst

Trouwens, de toekomst van de olie ligt in de zeeën, van de kust tot de diepzee, want de oceanen bedekken tweederden van de aarde. Men boort er reeds tot op diepten van meer dan 3000 meter. Tijdens de voorbije jaren heeft men bijvoorbeeld gigantische nieuwe oliereserves ontdekt langs de westkust van Afrika, van Algerije tot Angola. Bovenop de voorraden aan conventionele olie zijn er ook gigantische reserves van niet-conventionele olies, zoals teerzanden, zeer zware olies. Deze bevinden zich hoofdzakelijk in Canada, de Verenigde Staten, Venezuela en Rusland.
Een voorbeeld van de geweldige mogelijkheden in deze sector is de lancering in augustus 1998 van het SINCOR-project dat ertoe zal leiden dat rond 2002 de exploitatie zal beginnen van 160 miljard ton zware olie uit het Orenoco-bekken in Venezuela. De oliereserves van dat land zullen daardoor op de hoogte komen van deze van Saudi-Arabië, tot nog toe de grootste ter wereld. Ondertussen heeft men ook een reusachtige nieuwe industrie ontwikkeld, namelijk LNG (Liquid Natural Gas). Daarbij wordt een cryogeen wonder omgevormd tot business as usual.
Kortom, er ligt een universum van energetische mogelijkheden aan de horizon. Wij bevinden ons nog steeds in het steentijdperk van de olie en meer algemeen van de energie. Dat weten de oliemagnaten. Het moet dus niet verwonderen dat deze fossiele rijkdom, ten bate van de Westerse verbruikerslanden en hun oliemaatschappijen, wereldwijd op allerlei manieren wordt beschermd. De olie-afhankelijkheid is immers de achillespees van de industrie en de commercie.

Bloed en olie

De Amerikaanse militaire ruggesteun is daarvan de meest zichtbare. Immers, een zeer groot deel van de huidige rijkdom bevindt zich in de onstabiele derde wereld, terwijl de Verenigde Staten daarentegen ongeveer eenvierde van ‘s werelds olieproductie en ongeveer de helft van de autobrandstoffen verbruiken. Ondanks zijn hoge eigen productie is dat land derhalve sterk afhankelijk van een ononderbroken beschikbaarheid van ruwe olie uit andere landen. Daarom is een agressieve oliepolitiek topprioriteit in het Amerikaans buitenlands beleid, daarin gesteund door de overige Westerse industrielanden. De geregelde militaire interven­ties in het Midden-Oosten zijn daarvan het meest frappante voor­beeld. Dat komt ook de grote Westerse oliemaatschappijen bijzonder goed uit. Het is geen geheim dat bijvoorbeeld de herhaalde verlenging van het olie-embargo tegen het traditioneel zeer anti-Westerse Irak jarenlang meer dan de volledige steun kreeg van de Angelsaksische oliemaatschappijen.

Ook elders in de wereld kijkt Amerika scherp toe. De gezamenlijke niet-Russische Kaukasus-regio wordt door de Amerikaanse militairen openlijk als hun area of responsibility beschouwd. Volgens de Sunday Times4 steunden British Petroleum en Amoco een militaire coup in Azerbeidzjan in ruil voor olieconcessies. Samen met andere Westerse oliemaatschappijen zouden ze in 1993 dat land ook hebben geholpen in zijn oorlog tegen Armenië. Dergelijke actieve interventies van Westerse oliemaatschappijen in onstabiele landen zijn schering en inslag. In Soedan zwijgen de Westerse oliemaatschappijen terwijl veiligheidsdiensten van de regering en hun milities hele dorpen bombarderen en uitmoorden om ,,de veiligheid van olierijke gebieden te verzekeren’’. Minder spectaculair maar zeker even doeltreffend om de olieheerschappij in Westerse handen te houden zijn de ,,smeerfabrieken’’. Recent was er het schandaal rond de oliemaatschappij Elf waarbij zowat iedereen met een beetje macht, zoals politici, presidenten, journalisten en andere helpers, van milde giften genoten.

Hoge olieprijzen?

In de oliehandel speelt corruptie een belangrijke rol. Het is geen geheim dat aan­zienlijke hoeveelhe­den olie bijvoorbeeld West-Europa binnenstro­men tegen prijzen die aanzienlijk onder de internationale prijzen liggen. Nigeria is een schoolvoorbeeld van zwarte oliecir­cuits. Het land zou jaarlijks 1 miljard dollar (40 miljard frank) of het equivalent van 150.000 barrels olie per dag verlies lijden alleen al door het niet correct aangeven van hun olie-export door de daar opererende Westerse oliemaat­schappijen. Z­akenlieden uit de V.S.A., E­uropa en Japan worden regelma­tig benaderd door ben­den uit Lagos met het aanbod om buiten de offi­ciële kanalen van de Nigerian National Petro­leum Corporation olie te kopen tegen bradeerprijzen.
In 1995 begonnen op verzoek van de Nigeriaanse regering twee interna­tionale inspectiebu­reaus de olie-export te controleren. Zonder gevolg evenwel. De Minister van Petroleum Dan Etete zei begin 1997: ,,Na drieëneenhalve decennia van olieproductie in dit land zijn de nettowinsten voor onze natie deerniswekkend laag. De transfer van technologische kennis is ondoelma­tig, de bijdrage tot het Bruto Nationaal Product is op haar laagste niveau en, erger nog, Nigerianen worden geweerd op sleutelfunc­ties. S­ommige oliemaat­schappijen worden beschul­digd van betrokken­heid in taksont­duikingssystemen, schijn­contracten, oneer­lijke behandeling van Nigeriaan­se arbei­ders en contractan­ten, misbruik van het eigen productie-aandeel en gebrek aan boekhou­ding.’’

Ook de GOS-republieken worden genoemd in het zwarte oliecircuit. Uit de voormali­ge Sovjet­Unie, waar een onvoorstel­bare chaos heerst in de oliehandel, overstroomt goedkope olie de Westerse markt in die mate dat zelfs de Opec zich daar­over erg bezorgd toont. Terwijl bijvoorbeeld de inter­nationale note­ringen begin 1997 een olieprijs tussen 23 en 24 dollar het vat aangaven, werd de Russische olie daadwer­kelijk 8 dollar lager op de binnenlandse markt verhandeld.5 Vanzelfsprekend ook buiten de grenzen. Als gevolg van de sterke stijging van de olienoteringen in 1999 verkozen Kazachstaanse privé-maatschappijen hun olie-export naar Europa op te voeren en op de eigen markt een tekort te doen ontstaan omdat ze voor een ton geëxporteerde olie 65 tot 70 dollar (8,8 tot 9,4 dollar per vat) kregen tegenover in het land zelf slechts 25 à 30 dollar per ton (3,4 tot 4,1 dollar per vat).
Amerika blijft niet ten achter. Medio 1999 diende de SDO, een vereniging van onafhankelijke Amerikaanse producenten, klacht in tegen de dumpingprijzen van olieproducenten uit Mexico, Irak, Saudi-Arabië en Venezuela die in de Verenigde Staten ,,ruwe olie verkopen tegen een prijs die lager ligt dan de productiekosten’’. En in Azië wordt ook de Indonesische maatschappij Pertamina beschuldigd van corruptie. Praktisch de hele top van Pertamina werd begin 2000 door president Wahid aan de dijk gezet omdat ze ,,een melkkoe was voor een aantal mensen met een machtsfunctie’’.

Weg naar criminalisering

De samenwer­king en de onder­linge verwevenheid van de multina­ti­onale olie­maat­schap­pijen is opti­maal en vertoont ongetwijfeld alle kenmerken van kartelvorming. Niemand minder dan Sir David Si­mon, ex-voorzit­ter van British Petroleum en nadien Minister van Handel in de Labour-regering, stelt in het tijdschrift van de International Petroleum Exchange in Londen6 het volgende: ,,De internati­o­nale oliemaat­schappijen beconcurreren elkaar niet meer echt. Zij werken praktisch alleen nog maar in associa­tie met el­kaar. De tijd van de destructieve competi­tie is voor­bij’’.
In het spoor daarvan heeft zich trouwens sedert enkele jaren een opzienbarende golf van megafusies en joint ventures in de olie-indus­trie inge­zet die heeft geleid tot de vorming van onvoorstelbaar machtige megaconcerns. Jacques Attali, hoogleraar economie en ex-adviseur van de voormalige Franse president Mitterand, zegt in verband met de mondialisering van de economie onomwonden7: ,,Nu krijgen wij te maken met de mondialisering, wat niets anders betekent dan dat de markt het van de democratie aan het winnen is. In Amerika is de markt al dominant, zij het dat ze daar antitrustwetten kennen die wij in Europa niet hebben. De stap na de internationalisering van de economie is de criminalisering. Als er geen staatssysteem is om de economie te reguleren, dan wint de misdaad.’’

Noten
1. 159 liter. In vaktaal wordt meestal barrel gebruikt.
2. Irak telt voorlopig niet mee.
3. Aardolie in Nederland, juli 1991.
4. 26 maart 2000.
5. The Economist, 15 maart 1997.
6. Pipeline
, juni 1997.
7. Volkskrant_, 30 oktober 1999.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 5 (juli), pagina 35 tot 42