Abonneer Log in

De stijl van de rechtsstaat

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 8 (oktober), pagina 30 tot 31

Gedurende ettelijke jaren werd ik door het lot, zoals dat heet (er zijn niet zoveel selectieprocedures die nog gebruik maken van een dergelijk systeem), aangeduid om voorzitter te zijn van een stembureau. Door nu zelf op de lijst van de SP te staan, ben ik daar voor de gemeenteraadsverkiezingen eens van verlost geweest. Maar goed. Je eerste opdracht is het dan om vier bijzitters bijeen te sprokkelen op basis van een lijst met de jongste volwassenen uit het kieskanton. Dat verloopt meestal niet van een leien dakje.

Dokters- of werkgeversattesten worden bij de vleet opgestuurd met redenen van verhindering (sommige artsen weten zelfs reeds drie weken op voorhand dat hun patiënt die dag ziek zal zijn), anderen verklaren als principiële anarchisten gewetensbezwaren te hebben tegen verkiezingen terwijl nog anderen met familiefeesten, vakanties, kinderen of een verhuizing op de proppen komen. Na heel wat papierrommel en vervelende telefoons lukt het meestal wel om een stembureau samen te stellen en de verrichtingen in het stemlokaal naar behoren tot een goed einde te brengen. Ik heb alvast nooit van mijn bevoegdheid gebruik moeten maken om mijn kiesbureau aan te vullen met de eerste de beste kiezer die als eerste zijn stem wil komen uitbrengen. Dat is maar goed ook, want ik vind het niet zo’n fraaie bevoegdheid.

Gemiste kans

Wat me bij deze procedure telkens weer stoort, is de manier waarop gezagsdragers - in dit geval de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg - dat ritueel inkaderen. Bijzitters worden opgeroepen met een brief waarin uitsluitend op de strafrechtelijke gevolgen van hun niet-verschijning wordt gewezen, terwijl ze voor de gedane arbeid van een hele zondagvoormiddag met de ronde som van 200 frank worden beloond. Op geen enkele manier wordt hun de democratisch-politieke betekenis van hun bijzitterschap duidelijk gemaakt. Een bedankbriefje omdat ze hun burgerplicht hebben gedaan, kunnen ze al helemaal vergeten.

Dat is een gemiste kans voor de democratie, een gemiste kans om mensen wat meer burgerzin aan te kweken. Het is immers toch vrij uniek dat in ons land het hele verkiezingsgebeuren in handen van de rechterlijke macht, maar vooral in handen van de burgers zélf werd gelegd. Dat drukt een zeker wantrouwen uit tegenover de administratie en haar ambtenaren, die in heel wat andere landen die klus moeten klaren. Neen, in ons land zijn het de burgers die de verkiezingen controleren: in het stemlokaal én in de telbureaus. Daarvoor worden of werden in talrijke landen revoluties gevoerd, maar in ons land is dat democratische recht uitgehold tot een corvee die men node doet uit angst voor bestraffing. Bovendien zal dat corvee in de toekomst wellicht grotendeels verdwijnen (althans wat de telbureaus betreft) door de introductie van de computer.
De technologie maakt burgerparticipatie overbodig. Dat is jammer. Door een andere aanpak zou men wel degelijk mensen positief kunnen motiveren om hun burgerplicht als bijzitter in een stem- of telbureau te verrichten. Zodat ze er fier op zouden zijn dat zij, de burgers zelf, de verkiezingen in handen hebben. Dan denk ik niet zozeer aan een hogere vergoeding voor het gepresteerde werk, maar wel aan een andere behandeling. Waarom bijzitters niet oproepen met een brief waarin in de eerste plaats de democratische betekenis wordt uitgelegd van de burgerdienst die van hen wordt gevraagd? Waarom hen niet officieel bedanken voor het gedane werk? Waarom die bureaucratisch-strafrechtelijke toon, die meteen wantrouwen uitdrukt jegens de burger?

Initiatief

Misschien zouden de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg hier een initiatief kunnen nemen om de democratische rechtsstaat wat steviger te verankeren. Want enige stijl is hierbij van groter belang dan vaak wordt gedacht. Mensen als verantwoordelijke burgers tegemoet treden is iets anders dan met het strafwetboek zwaaien. Dat komt betuttelend over en heeft voor gevolg dat een recht nog slechts als een last wordt gezien, als een top-down gehoorzaamheidsplicht in plaats van als een bottom-up democratisch recht. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Uit ervaring weet ik dat wanneer je mensen duidelijk maakt wat de democratische betekenis is van het zetelen in een stem- of telbureau, ze al heel wat gemotiveerder zijn. Een beetje zoals al die vrijwilligers die bij wielerkoersen in diepe ernst het parcours bewaken. Laat dat strafrechtelijk discours - dat in de meeste gemeenten toch zonder gevolg blijft - dus maar beter varen en schrijf potentiële leden van kies- of telbureaus op een waardige manier aan: als volwaardige participanten aan het proces van democratische besluitvorming en niet als bange wezels die schrik hebben voor straf.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 8 (oktober), pagina 30 tot 31