Abonneer Log in

Democratisering van de cultuur door grotere publieksparticipatie

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 8 (oktober), pagina 32 tot 35

Begin september zette de Vlaamse minister van Cultuur Bert Anciaux in de Gentse Vooruit zijn visie op het cultuurbeleid uiteen.

Geïnspireerd op zijn Beleidsnota Cultuur 2000-2004, haalde Anciaux drie aandachtsvelden aan. Ten eerste ziet hij kunst en cultuur als middelen van een groot maatschappelijk project, dat mensen moet helpen emanciperen en hen moet helpen om hun leven kwalitatiever in te vullen. Ten tweede benadrukt hij de voorname positie van de kunstenaar in de samenleving wiens autonomie moet worden gewaarborgd. Tot slot accentueert hij het belang van publieksparticipatie en democratisering van de cultuur.
Om deze doelstellingen te concretiseren dient de overheid een voorwaardenscheppend beleid te voeren en dus een voldoende groot aanbod te creëren. Gezien ‘het belang’ van de kunstenaar is de vrijwaring van zijn vrijheid primordiaal, maar om te vermijden dat de overheid tot een loutere subsidieverstrekker verwordt, mag de minister ook inhoudelijke accenten leggen. In het kader van het participatie- en democratiseringsproject benadrukt Anciaux ten slotte de nood om mensen cultureel competent te maken.

Inhoud

Vooral bij dat laatste punt wil ik even blijven stilstaan. Democratisering van cultuur is een mooi streven en de wil om dat doel te bereiken, is zeker en vast aanwezig. Bij de realiseerbaarheid ervan zijn enkele kritische bedenkingen echter op hun plaats. Zoals ook in de toespraak naar voren kwam, worden termen als democratisering, participatie en culturele competentie vaak in elkaars verlengde gebruikt en in bepaalde contexten zelfs aan elkaar gelijkgeschakeld. Door op dergelijk weinig doordachte wijze te jongleren met deze begrippen wordt echter voorbijgegaan aan hun eigenlijke inhoud.
Er ontstaat dus een conceptueel probleem dat in realiteit van democratisering een holle term maakt en een al even hol streefdoel. Getransponeerd naar de Vlaamse museumsector blijkt dat er hier van echte democratisering eveneens amper sprake is omwille van machtsverhoudingen, die in de musea zelf worden gecreëerd en in stand gehouden. Het feit dat participatie er dikwijls met publieksbereik wordt verward, draagt eveneens bij tot het falen van het democratiseringsproject aldaar.

Tegenspraak

Dat participatie belangrijk is, zal niemand ontkennen. In een echte democratie zijn het basisgedachten dat niemand wordt uitgesloten en dat iedereen dezelfde kansen en mogelijkheden krijgt. Anciaux heeft dan ook een belangrijk punt wanneer hij stelt te streven naar een democratie van de cultuur. Hij wil ophouden met enkel geld aan een culturele elite te geven, maar in het vervolg van zijn betoog spreekt hij zichzelf op dat vlak tegen. Om te democratiseren zou het namelijk vooral nodig zijn om het ‘niet-publiek’ cultureel competent te maken. Probleem is dat culturele competentie eigenlijk steeds neerkomt op het ‘bekeren’ van de ‘incompetenten’ tot de zogenaamde Hoge Kunsten! Iemand die toevallig graag naar musea gaat, maar een leek is op het gebied van bepaalde populaire muziek, heeft ‘het geluk’ om tóch cultureel competent te zijn, maar omgekeerd is dat niet het geval!

Niettegenstaande de minister het elitaire bastion wil doorbreken om democratisering te realiseren, blijft het door een dergelijk discours gewoon voortbestaan. Dergelijke discussies leiden bovendien tot welles-nietes-spelletjes zonder einde, die een efficiënte beleidsvoering verhinderen. Deze hokjesmentaliteit van elite versus populair beëindigen en één geheel van kunstuitingen als uitgangspunt nemen, zou al een stap in de andere richting kunnen zijn. Het is dan ook nodig het begrip culturele competentie te herformuleren. Het ontwikkelen van kennis om bepaalde dingen te begrijpen is uiteraard belangrijk, maar de term dient te worden opengetrokken en verruimd. Een schilderij kunnen uitleggen maakt iemand echt niet belangrijker dan iemand die zich beperkt tot de minder elitaire kunstuitingen.

Hoet

Er zitten echter niet alleen gaten in het algemene discours van de Vlaamse culturele overheid over democratisering. Niettegenstaande de participatie soms behoorlijk is, wordt op het niveau van de musea zelf eveneens geen echte democratisering bereikt. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het relatieve succes dat het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (SMAK) in Gent momenteel te beurt valt. Het SMAK heeft zich sinds haar heropening in mei 1999 een hip imago kunnen aanmeten waardoor het ook veel jongeren aantrekt. Vanuit kunsthistorisch oogpunt is de collectie, in vergelijking met het Parijse Centre Pompidou of de Londense Modern Tate, echter minder omvangrijk en imponerend.
Dat conservator Jan Hoet mede aan de basis ligt van het succesverhaal staat buiten kijf. Sinds de heropening vorig jaar is de man niet uit de media weg te slaan. De recente heisa rond de Grande Casserole van Marcel Broodthaers toont weer aan tot wat hij in staat is en wat hij in beweging kan zetten. Het SMAK heeft dit werk in bruikleen, maar het is eigendom van anonieme particulieren, die het in 1966 aankochten na de expositie Moules Oeufs Frites Pots Charbon in de galerie Wide White Space in Antwerpen. De eigenaars willen het werk nu verkopen en het museum is bang dat het naar het buitenland zal verdwijnen zoals ook met Blijde Intrede van Christus te Brussel van James Ensor en met Zelfportret van Thierry De Cordier gebeurde.
Hoet is eind mei gestart met een grote actie om tien miljoen frank bij elkaar te krijgen en zo de mosselpot in Gent te kunnen houden. Onder het mom van maatschappelijk belang en ,,het is Belgisch, dus moet het in België blijven’’ kunnen de bezoekers van het SMAK geld stoppen in de collectebus. Daar bovenop kunnen ze de ,,Red de Mosselpot’’- wijn, die begin juni door een resem obligate Bekende Vlamingen werd aangeduid, in het museum kopen. In september vond er bovendien een groot Mosselen-met-Broodt-festijn plaats en eind oktober worden er enkele wijnflessen geveild door het Antwerpse veilinghuis Bernaerts.

Leugen

Jan Hoet brengt opnieuw een mediaspektakel op gang, maar aan de inhoud van het kunstwerk en aan de figuur van Broodthaers wordt bijna volledig voorbijgegaan. Er wordt enkel een Belgisch gevoel opgewekt door te stellen dat het centrale element in Broodthaers’ oeuvre, de mossel, refereert aan de Belgische (eet)cultuur of aan de Brusselse bourgeoisie en dat het dus heel belangrijk is om het in België (lees: het SMAK) te houden. Broodthaers zelf zou echter wel eens heel anders tegen deze situatie kunnen hebben aangekeken. Hij beschouwde kunst als een radertje in een door marktwetten gedetermineerd symbolisch systeem.

Broodthaers zag kunst dan ook als een leugen: voor hem was het de institutionele, museale context, die kunstwerken tot kunstwerken maakte. In de jaren ’60 en ’70 ontwikkelde hij zijn ‘museumficties’ en richtte hij zijn eigen Musée d’art moderne. Département des aigles op. Op een heel kritische en bovenal ridiculiserende manier stelde hij het museum met haar typische classificatiesystemen aan de kaak. Het geeft dan toch een wrange bijsmaak dat Broodthaers momenteel slechts als Belgisch icoon wordt gebruikt en door een slechte of niet-lezing van zijn werk wordt gekarikaturiseerd. Niettegenstaande het feit dat Anciaux de autonomie van de kunstenaar en zijn kunst hoog in het vaandel draagt, kan hier overigens ook worden opgemerkt dat Broodthaers’ kunst toch niet meer zo ‘vrij’ is als ze op deze wijze wordt ‘gerecupereerd’.
In de catalogus en op de website van het museum is veel informatie over Broodthaers terug te vinden, maar in de media gooit Jan Hoet het over de populaire boeg en belicht hij de kritische, inhoudelijke kant niet. Hoet wil het werk natuurlijk koste wat kost behouden, maar tegen welke prijs? ,,Red de Mosselpot’’ is een evenement geworden waaraan iedereen mag en als het even kan zelfs moet deelnemen. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Het objectief van de participatie of beter publieksbereik is geslaagd, maar is dat dan democratisering? Tussen haakjes lijkt Hoet momenteel prima in zijn opzet te slagen want zelfs het beleid valt voor de strategie. Anciaux - die overigens zélf ook deelnam aan de wijnproeverij - heeft reeds 5.250.000 frank subsidies gegeven om de mosselpot te kunnen behouden.

Echte democratisering

In het geval van het SMAK is voor velen de fysieke drempelvrees overwonnen om een museum binnen te stappen, wat dus succes in termen van publieksbereik betekent. Hier lopen dan ook veel discussies vast. Als er veel bezoekers zijn, zijn de gewetens van beleidsmakers en musea gesust en stopt het debat. (Vooral) toespitsen op het aantal bezoekers en op de methoden om mensen ín het museum te krijgen, is niet genoeg en gaat in feite volledig voorbij aan het principe van werkelijke democratisering.

Werkelijke democratisering gaat verder dan de louter fysieke aanwezigheid van ‘participanten’. Er is ook en vooral nood aan een gelijkwaardige relatie tussen bezoeker en museummedewerkers. Om dat te bewerkstelligen, is het belangrijk over de tentoonstellingspolitiek te reflecteren. De manier van tentoonstellen zonder (veel) uitleg, de keuze voor een chronologische of thematische opbouw van de collectie, zijn allemaal elementen die remmend kunnen zijn. Hoewel culturele competentie als term ambigu is, zorgt meer kennis eveneens voor het verlagen van de participatiedrempel. Uiteraard verdienen in dit verband de educatieve diensten een pluim, die ondanks beperkte middelen toch reeds veel verwezenlijkt hebben.

Een echte democratisering wil ook zeggen een sociale democratisering. Door middel van een doelgroepenbeleid moeten alle mensen betrokken worden en dus ook bijvoorbeeld (etnische) minderheden. Ideaal zou zijn dat dergelijke mentaliteit in het personeelsbeleid wordt weerspiegeld door bijvoorbeeld allochtone suppoosten aan te werven.

Reflectie

Veel problemen op cultuurbeleidsvlak komen voort uit een tekort aan financiële middelen. Inderdaad, meer geld zou bijvoorbeeld het structurele personeelstekort grotendeels kunnen oplossen, maar een beleid vraagt meer dan dat. Als Anciaux een echte democratisering van de cultuur wil, zal reflectie op meer theoretisch en conceptueel niveau nodig zijn waar begrippen worden herdacht en geherformuleerd. Er moet worden afgestapt van de overtuiging dat er steeds meer bezoekers nodig zijn om democratisering te doen slagen. Deze pragmatische redenering volgt een valse argumentatie, die weinig of niets met democratisering te maken heeft.

Werkelijke democratisering begint eigenlijk pas ín het museum. Pas dan wordt het ‘bereikte publiek’ participant en kan de communicatie tussen mensen, objecten, museummensen en weer andere mensen beginnen. In dit museum als gedemocratiseerde, sociale omgeving is het dan uiteraard ook essentieel dat gelijkheid primeert. Dat wil zeggen dat er moet worden gestreefd naar een echte democratie tussen bezoeker en personeel en tussen bezoeker en kunstwerk, waar het idee dat zogenaamde elitaire kunst het nirvana is, eindelijk voorgoed wordt verlaten.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 8 (oktober), pagina 32 tot 35