Log in

Europese eenheid van munt en waarden

Een halve eeuw na zijn lancering staat het Europese project wellicht voor zijn grootste uitdaging ooit. In tegenstelling tot de oprichtingsfase van de Europese Gemeenschap - toen de Koude Oorlog de eenmaking van een vrij Europa bevorderde en de Verenigde Staten van Amerika het Oude Continent als een partner nodig hadden - moet Europa nu zijn eigen doelstellingen zelf naar voor brengen.

Tot 1990 waren economische groei en het opheffen van de interne grenzen de kenmerken van een nooit geziene ontwikkeling. Het succes van de Europese Gemeenschap werd op indrukwekkende wijze bevestigd toen de Centraal- en Oost-Europese vrijheidsbeweging in 1989 de volkeren daar mobiliseerde onder het motto ‘Terugkeer naar Europa’. Dat was meer dan een vriendelijke steunbetuiging. Het was een historische eis en een politieke uitdaging - maar anders dan dikwijls wordt gesuggereerd. Het ging niet alleen om toegang tot een sterke munt maar om te behoren tot de Europese Gemeenschap van waarden.
Sedertdien is er veel veranderd. De Europese Gemeenschap reageerde door de interne markt te vervolledigen en een gemeenschappelijke munt in te voeren. De voorbije jaren heeft zij zich enkel beziggehouden met wat in 1989 al op tafel lag - economische mondialisering en de functionele aanpassing van Europa aan de vereisten van de wereldconcurrentie. Het krachtniveau waar Jacques Delors voortdurend om vroeg, kon niet worden afgeleverd toen men de sociale kant moest vormgeven van de nieuwe economische basisvoorwaarden.

Achterlopen

Zonder de kracht om te creëren en zonder een politiek antwoord op de vereisten van economische ontwikkeling, zullen wij in het beste geval enkel bereiken wat anderen ons opleggen. Wie zich beperkt tot aanpassing zal uiteindelijk merken dat zij achterlopen op de wereldontwikkelingen. Een beoordeling van de relatief eenvoudige weg die Oost-Duitsland aflegde naar de Europese Unie door de Duitse eenmaking geeft enig idee hoe inefficiënt een aanpassingsstrategie is om politieke en sociale integratie binnen een breder Europees kader te bereiken.
In Duitsland zijn wij economisch gezien halfweg - ondanks massieve steun -, maar sociale en culturele integratie blijkt een groeiend probleem te zijn. Het model van de Oost-Duitse modernisering door aanpassing aan West-Duitse normen schiet tekort. Aan de ene kant verloor Oost-Duitsland te veel van zijn creativiteit en zelfvertrouwen, kapitaal dat het had voor wat een nieuwe samenlevingsvorm had kunnen zijn die uit twee verschillenden systemen groeide. Aan de andere kant verdedigde West-Duitsland dikwijls zijn normen en hield het vast aan het status quo in plaats van de kans te grijpen voor een vernieuwende aanpak.
De uitbreiding van de Europese Unie is daarom niet enkel een kwalitatieve maar ook een kwantitatieve opdracht. Mensen die met praktische zaken in de EU bezig zijn, weten ook dat een gemeenschap van 25, misschien 30, Europese Staten een behoefte aan institutionele hervormingen met zich meebrengt. De omvang van de opdracht heeft evenwel meer weg van een nieuwe oprichting: de term ‘uitbreiding’ is een te vage omschrijving.

Uitdaging

Wie het probleem wil oplossen door enkel de instellingen van de toetredingslanden aan te passen, schat de uitdaging verkeerd. Er is een politieke doelstelling nodig, een filosofie voor geheel Europa om de vereiste nieuwe middelen en regels in te stellen. Stabiele instellingen betekenen niet noodzakelijk standaardisering. Europa moet de rijkdom van democratische tradities van individuele landen vrijwaren en voeden zodat democratische participatie zich kan ontwikkelen. Een Europese vaardigheid om te handelen vereist procedures die de betrokkenheid van de verschillende sociale en politieke actoren versterkt. Europese legitimiteit ontstaat niet vanzelf, maar berust op lokaal, regionaal of nationaal verankerde overheden en hun deelneming in de Europese besluitvorming.
Zonder een Europese identiteit zal Europa noch een creatieve kracht binnen de wereldconcurrentie zijn, noch in staat zijn haar interne verscheidenheid aan te pakken. Diversiteit aanvaarden vereist een basis van gemeenschappelijke waarden. Europese waarden die in moderne tijden zijn ontwikkeld met de opbouw van de natie-staat bestaan uit de ervaring van burgerlijke emancipatie, de socialistische arbeidersbeweging en de christelijke sociale leer.
Vrijheid, gelijkheid en solidariteit vormen een canon van waarden die alle democratische partijen in Europa delen. De Europese constitutionele staat in haar vorm als een sociale staat onder het recht was een antwoord geweest op een vroegere periode van mondialisering. Zij veroorzaakte haar eigen ervaringen om te kunnen omgaan met de opties en risico’s die een mondialisering inhield. Daardoor zal de sociale staat niet verdwijnen als een kenmerk van Europese beschaving. Maar het zal evenmin de enige waarborg blijven voor politieke en sociale cohesie.
Nieuwe vormen van arbeids- en machtsverdeling zullen noodzakelijk worden en zullen moeten worden gebaseerd op de principes van ondergeschiktheid en federalisme. De vertegenwoordiging van specifieke belangen en gemeenschappelijke Europese behoeften zal toepasselijke actieniveaus vereisen. Europa zal niet samen kunnen groeien zonder gemeenschappelijke normen voor het opstellen van een grondwet.

Handvest

Een eerste stap is genomen. Het Europese Handvest over Fundamentele Rechten weerspiegelt de kern van een toekomstige Europese Grondwet. ‘Menselijke waardigheid’ is de basis voor ‘vrijheid’; individuele en sociale rechten zullen voortkomen uit ‘gelijkheid’ en ‘solidariteit’. Het Handvest zal bindende regels scheppen waarmee schendingen van mensenrechten of beperkingen van burgerlijke vrijheden worden vastgesteld. Het tegenwoordige debat over criteria om extreemrechtse partijen in verscheidene Europese landen aan te pakken, zal aldus sterk worden gesteund. De drie wijzen die de situatie in Oostenrijk bekeken, hebben al verwezen naar het Handvest.
In deze context is één ding duidelijk geworden. Een gemeenschappelijke munt volstaat niet om een gemeenschappelijke Europese beschaving op te richten. Onmisbaar daarbij zijn fundamentele waarden om een kader te vormen van oriëntatie en fundamentele rechten dat stevig en bindend is voor iedereen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 9 (november), pagina 29 tot 30