Abonneer Log in

Gelijke kansen

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 2 (februari), pagina 1 tot 2

Het valt voorlopig nog af te wachten welke reacties de open brief van SP-voorzitter Patrick Janssens zal losweken. Hij geeft weliswaar zijn eigen mening weer, maar is daarom niet minder interessant. Met de radicale opvatting inzake gelijke kansen die erin wordt aangekondigd, wordt het organisatorische project van de voorzitter nu ook inhoudelijk onderbouwd. Begin mei publiceert de voorzitter hierover een boekje en zullen we meer weten. Voor een blad als Samenleving en Politiek is het alvast niet onbelangrijk dat de partij op die manier weer een rode draad wordt aangereikt. Met harde feiten en heldere analyses, zoals Frank Vandenbroucke het graag stelt en ook - hopelijk - met politieke argumenten en ideologische meningsverschillen die er werkelijk toe doen in een geglobaliseerde samenleving.

Ons bekommert bijvoorbeeld de boodschap dat gelijke kansen niet halt houden aan de landsgrenzen of aan de grenzen van de Europese verzorgingsstaten. ‘In een alsmaar kleiner wordende wereld moeten sociaaldemocratische partijen oog hebben voor de internationale ongelijkheid’, schrijft Janssens. De idee wordt verder niet uitgewerkt, maar kan met enige goede wil als een uitnodiging worden gelezen om een effectieve aanpak van de ongelijkheid buiten de grenzen van een welvarende Europese Unie te kaderen in een dynamische opvatting over gelijke kansen op een pan-Europese of mondiale schaal. Feitelijk is daarmee niets nieuws gezegd, want in de teksten van het Toekomstcongres (1998) zijn de bouwstenen van een dergelijke opvatting reeds onder de loep gelegd. Het is echter de plicht van een progressieve partij om die ideeën te blijven propageren en de geesten scherp te houden voor alles wat niet rond de kerktoren (en de commerciële televisietoren) gebeurt.
Bijvoorbeeld. Aan het gemak waarmee we de laatste jaren de sores van onze Oost-Europese medeburgers zijn vergeten, willen slechts weinigen worden herinnerd. En toch heeft men in Oost-Europa te maken met een maatschappelijke ontwikkeling waarin de ongelijkheden enorm zijn toegenomen. De revolutie heeft ook veel verliezers opgeleverd (zie bijvoorbeeld, de grote aantallen vrouwen die de arbeidsmarkt verlaten of de penibele situatie waarin veel gepensioneerden zich bevinden). De vraag is dan: voelen we ons nog verplicht om een onevenwichtige sociaaleconomische ontwikkeling in Oost-Europa te helpen bijsturen? Willen we de sociale modernisering van die landen als een probleem van gelijke kansen herkennen? Per slot van rekening hadden de Oost-Europeanen de pech aan de ‘verkeerde’ kant van het ijzeren gordijn terecht te komen, nadat zij eerder al door de nazi’s als ‘ondermensen’ werden afgeschilderd en tijdens de oorlog de grootste verliezen aan mensenlevens moesten incasseren.
Onze redactielid en Europees parlementslid Anne Van Lancker heeft n.a.v. een conferentie van het Europees Sociaal Observatorium een aantal rake zaken gezegd over de relatie van de EU met de kandidaat-lidstaten in Oost-Europa (zie De Financieel-Economische Tijd, 14 november 2000). Daarmee gaat het volgens haar grondig fout. Pogingen om met die staten een dialoog over sociale bescherming op gang te brengen zijn mislukt. En van inspanningen om het sociale beleid en de invoering van sociale normen centraal te stellen in de toetredingsonderhandelingen is geen sprake. Dat is ook geen toeval. De ontwikkelingsfilosofie van de overgangseconomieën in Oost-Europa is tien jaar lang zeer liberaal geweest. In een advies van de economische en monetaire commissie van het Europees parlement heet het vandaag nog steeds dat ‘iedere poging om de kandidaat-lidstaten onrealistische sociale normen op te leggen hun groeivermogen en hun capaciteit om hun levenstandaard te verhogen, zal aantasten’. Kortom, men zegt wel dat het sociale beleid essentieel is voor de stabiliteit in die landen, maar men doet er niets aan. En dat is dom. Want het wordt stilaan duidelijk dat het uitbannen van de armoede de essentiële uitdaging wordt bij de uitbreiding van de EU.

Men wil de publieke opinie vooralsnog niet alarmeren over de sociale gevolgen van de uitbreiding. De cijfers en prognoses liegen echter niet. In de Europese Unie is vandaag 17% van de mensen arm, gaande van 9,4% in Denemarken tot 33,3% in Portugal. Dankzij de Structuur - en Cohesiefondsen is het inkomen per hoofd van de bevolking in de armere regio’s dichter bij het EU-gemiddelde gekomen: van 63% in 1988 naar 69% in 1997. Met de toekomstige uitbreiding tot 27 lidstaten spreken we niet langer over 17%, maar over 30%, waarbij de armoede zich vooral zal concentreren in tien van de twaalf nieuwe lidstaten. Het aantal armen zou verdubbelen. In een recent rapport van de Commissie wordt het formaat van die uitdaging ook niet langer ontkend (Second Report on Economic and Social Cohesion, 31 januari 2001). Volgens de Commissie zal men na de toetreding van twaalf nieuwe lidstaten in de EU, drie soorten leden vinden: de welvarende lidstaten (12), de arme lidstaten (8 landen met een gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking dat schommelt rond de 40% van het toekomstige EU-gemiddelde) en die staten die zich ‘tussen de twee’ bevinden (7 landen met een inkomen van ongeveer 80% van het toekomstige EU-gemiddelde). Tot die laatste groep behoren Cyprus, Malta, Slovenië en de Tsjechische Republiek, maar ook Spanje, Portugal en Griekenland. Vooral voor die laatste landen verandert er heel wat. Door de integratie van de arme sloebers uit Oost-Europa zullen zij gecatalogeerd worden onder de rijkere lidstaten en vervolgens niet langer in aanmerking komen voor structurele hulp. Maar dat in een Unie met 27 ook voor de Westhoek en de Borinage geen structurele hulp meer moet worden verwacht, heeft men nog niet verteld aan de mensen. Voor een politiek van gelijke kansen op pan-Europees vlak zullen offers moeten worden gebracht.
Voor sociaaldemocraten is hier een zinvol politiek project weggelegd. Het gewicht van de Europese Unie zal in de komende decennia naar het Oosten verschuiven. Dat is een onontkoombare ontwikkeling. Wie tekent voor de uitbreiding, is zich daarvan bewust. Achter de asielzoekers die vandaag arriveren, zit de armoede van een half continent. En wie tracht te ontkennen dat het wegwerken van die armoede een sociaaldemocratische bekommernis bij uitstek is, zal de rekening vroeg of laat gepresenteerd krijgen. Daarom is het goed om een paar zaken op een rijtje te zetten.
Eén. De economische groeicijfers in Oost-Europa zijn minder florissant dan eerder door neoliberale economen voorspeld. Alleen Polen, Hongarije en Slovenië zijn er tot dusver in geslaagd om het niveau van economische activiteit van 1989 te overtreffen. Twee. De samenhang tussen economische groei en sociale politiek is zoek. In vrijwel alle Oost-Europese landen nemen de sociale ongelijkheden toe en blijkt de transitie naar een markteconomie een zeer complex proces. Drie. We hebben in West-Europa te weinig oog gehad voor de complexiteit van dat proces. En we hebben verzuimd te helpen bij het zoeken van een uitweg uit hét dilemma van de sociale politiek in Oost-Europa: hoe méér sociale bescherming verzekeren voor het groeiende aantal behoeftigen en tegelijkertijd de totale sociale uitgaven inkrimpen vanwege al dan niet reële budgettaire beperkingen? In de praktijk konden internationale financiële instellingen de nieuwe sociale politiek mee moduleren: voorwaar een unicum in de geschiedenis van de Europese revoluties (Esping-Andersen). Vier. Het is nog niet te laat om wat meer begrip te tonen voor de toegenomen armoede in de kandidaat-lidstaten van de EU. Nu in de Unie een gemeenschappelijke strategie is afgesproken om de sociale bescherming te moderniseren, kan wellicht ook wat actiever worden gedacht aan samenwerking met de kandidaat-lidstaten op dat vlak. Een partij die radicaal opkomt voor gelijke kansen is dat aan zichzelf verplicht.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 2 (februari), pagina 1 tot 2