Abonneer Log in

Over onveiligheid en onzekerheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 2 (februari), pagina 26 tot 34

Een verkenning van de bestaande literatuur en onderzoek naar het concept (on)veiligheid heeft iets weg van een kale reis. Er is een grote hoeveelheid materiaal. Maar er zijn weinig vernieuwende en vooral traditionele benaderingen van het fenomeen. Wat ‘veiligheid’ en ’onveiligheid’ veroorzaakt, blijft nog een open vraag. Al zijn er hier en daar zinvolle en soms hoogst interessante, maar zelden uitgewerkte suggesties tot antwoord in de literatuur.

Met de actuele aandacht binnen media en politiek wordt het thema daarenboven sterk geproblematiseerd. Dat maakt degelijk onderzoek tot een nijpende noodzaak.1 Er is een groeiend bewustzijn over de nood aan een breedmaatschappelijke omkadering van de onveiligheidsproblematiek. Maar hieraan is binnen het wetenschappelijk onderzoek tot op heden zelden of nooit voldaan. Nochtans is juist dat element cruciaal in de zoektocht naar een dieper en voller inzicht in deze problematiek. Met deze bijdrage willen we vanuit een breedmaatschappelijk, macrosociologisch kader het begrip ‘onveiligheid’ verhelderen en vooral de discussie en de literatuur hierrond nieuwe adem inblazen.
In een recent onderzoek stellen Vettenburg en Walgrave het als volgt: ‘Het onveiligheidsprobleem vormt reeds enkele jaren een dominant thema in de media en werd een belangrijk punt in de verkiezingsdebatten. (..) Onveiligheid wordt hierbij vaak - ons inziens ten onrechte - gereduceerd tot een criminaliteitsprobleem, namelijk de angst om slachtoffer van een delict te worden. (..) Meer en meer gegevens wijzen in de richting dat onveiligheidsgevoelens bredere gevoelens van onwelzijn kristalliseren, die te maken hebben met onzekerheden in onze huidige samenleving (o.a. inzake tewerkstelling, huisvesting, gezondheid) dewelke voortkomen uit fundamentele maatschappelijke processen (o.a. economische recessie, internationalisering) waardoor vaste structuren wegvallen’ (Vettenburg en Walgrave, 1998:1). We sluiten ons hierbij aan. Inderdaad, onveiligheid en dus ook de concrete interpretatie van een situatie die als ‘onveilig’ bestempeld wordt, wortelt in een bredere maatschappelijke context en spiegelt zich als het ware aan een tijdsdiagnose die kenmerkend is voor onze laatmoderne maatschappij. Vandaar dat de interpretatie van een situatie als onveilig en de hieraan mogelijk verbonden affectieve en gedragsmatige gevolgen, door veel meer worden beïnvloed dan louter en alleen door de huidige criminaliteit. Vandaar ook dat noch het repressief drukken van de criminaliteit of het ‘sturen van meer blauw in de straten’ duurzame oplossingen kunnen zijn. ‘Gevoelens van onveiligheid’ roepen spontaan bepaalde beelden voor ogen, aldus Huyse. ‘De bejaarde dame wier handtas wordt gestolen, de juwelier die voor de derde keer dieven op bezoek krijgt, de flatbewoner die zijn hifi-installatie ziet verdwijnen. Maar gaat het daarom? Is dat de kern van die gevoelens van onveiligheid? Ik denk het niet. Er is een angst in opkomst die veel dieper gaat en waaraan ook weinigen ontsnappen. De oorzaak ligt in ontwikkelingen die alle te maken hebben met de metamorfose die de samenleving momenteel ondergaat’ (Huyse, 1996:70).

Veranderende maatschappij

Angst en bezorgdheid omwille van het bedreigende karakter die de onzekere toekomst uitstraalt, omwille van het gevaar voor de veiligheid (‘public safety’) en het eigen welbehagen, beide in de brede zin, en dus niet rechtstreeks gekoppeld aan criminaliteit. Depreeuw vertaalt het passend in vraagvorm: ‘Zijn het niet de effecten van veranderingen in de samenleving die onzekerheid met zich brengen, en is het niet dit laatste onbestemde gevoel dat als onveiligheid verwoord wordt?’ (Depreeuw, 1992:33). Niet toevallig kan men de Engelse term ‘insecurity’ zowel door ‘onveiligheid’ als ‘onzekerheid’ vertalen. Angst verwordt dan tot een symptoom van een complexe combinatie van onzekerheid over omgeving en toekomst, en het gevoel dat de ‘eigen veiligheid’ (‘personal safety’) bedreigd wordt (Garofalo en Laub, 1978). Willen we het geheel nog treffender verwoorden dan kiezen we in navolging van Bauman voor de notie ‘Unsicherheit’. De Duitse taal is hier immers bijzonder hulpvaardig: ‘it manages to squeeze into a single term complex phenomena for wich English needs at least three terms - security, certainty and safety - to convey’ (Bauman, 1999:17). Het epicentrum van deze maatschappelijke evolutie lijkt zich niet bij toeval te situeren in de laatmoderne grootstad, speerpunt van sociaal-culturele veranderingen. Een grootstedelijke context kenmerkt zich door een hoge mate aan diversiteit, anonimiteit en, zeker voor een niet onbelangrijk deel van de bevolking, isolatie en eenzaamheid. Op het verband tussen onzekerheid, onveiligheid en de stad komen we verder nog terug. Voorlopig onthouden we dat onzekerheid, veroorzaakt door een snel veranderende maatschappij, angstgevoelens kan opwekken.
Alvorens de kern van deze ingrijpende maatschappelijke veranderingen van naderbij te bekijken, halen we nog even Winkel en van der Wurff aan. In een kort, hierbij aansluitende en interessante denkpiste volgen ze de gedachtegang van de Amerikaanse antropologe Sally E. Merry. Opvallend is de gelijkenis met het onderzoek naar etnocentrisme. Ook hier heerst blijkbaar het adagio ‘onbekend is onbemind’ (zie o.a. Billiet, Carton en Huys, 1990). Bauman ziet deze verontrustende ontwikkeling en beschrijft het als volgt: ‘Fundamentalistische tendensen, in het bijzonder religieuze maar evengoed etnische en racistische, zijn allemaal te beschouwen als reacties op ervaringen van acute onzekerheid’ (Munters, 1998:93). De grondidee is simpel en overtuigend, aldus Winkel en van der Wurff: ‘het samenleven met vertrouwde, hulpverlenende en vriendelijke buurtbewoners zorgt voor een gevoel van veiligheid, terwijl het omringd zijn door onbekende, afwijzende en ongeïnteresseerde mensen gevoelens van onveiligheid aanwakkert’ (Winkel en van der Wurff, 1990:85). Etnocentrisme en racisme kunnen in dit opzicht dan ook worden gezien als een vorm van ‘territoriale onzekerheid’. Men concurreert letterlijk om de, sedert kort schaarse, publieke ruimte (Raes, 1994; zie ook Goffman, 1971). De stelling luidt dan dat ‘criminaliteit’ als een concrete legitimeringsbasis dient voor de vage en ambigue angst voor onzekerheid, het vreemde en het onbekende.

Onzekerheid in een (laat)moderne maatschappij

We willen wat dieper ingaan op de maatschappelijke context waarin onzekerheid en angst hun wortels hebben. We putten hierbij voornamelijk uit de inzichten van drie binnen de sociologie hoogaangeschreven auteurs: Ulrich Beck, Anthony Giddens en Niklas Luhmann. In wat volgt, verlaten we echter de concrete nabijheid van het thema ‘onveiligheid’ strictu sensu. Maar er zal evenwel steeds impliciet, en bij momenten expliciet, een duidelijke link zijn met concrete en individuele angstgevoelens, dus ook met de ‘angst voor criminaliteit’.
In onze (laat)moderne maatschappij specialiseert de politiek zich in het nemen van algemeenverbindende beslissingen, de economie in het voldoen van materiële behoeften, de wetenschap in de productie van nieuwe kennis en het onderwijs in de opvoeding van kinderen en jongeren. Maar ‘de moderne maatschappij bezit geen centrum, geen cockpit van waaruit men op dwingende wijze over de omgeving kan beschikken’ (Laermans, 1996:160). En dit heeft zo zijn gevolgen voor de mensen die een dergelijke maatschappij bewonen. Het openbreken van traditionele en systeemoverkoepelende waarden produceert immers een fundamentele onzekerheid. Het individu wordt niet langer van bovenaf gezegd hoe zich te bewegen doorheen de verschillende subsystemen. Het ene subsysteem (bv. godsdienst, politiek,..) wordt immers niet a priori belangrijker geacht dan het andere. Laat ons ter illustratie de positie van de Rooms Katholieke Kerk in ons Vlaamse landschap toelichten, tot voor kort het overkoepelend (zingevings)systeem bij uitstek. De Katholieke Kerk dient niet langer als ‘hemels baldakijn’, maar ontwikkelt zich tot een maatschappelijk subsysteem naast, maar ook onder druk van de andere subsystemen. Die eisten immers hun eigen autonomie ten aanzien van de godsdienst en verwierpen zijn voorgeschreven codes (Dobbelaere, 1996:290). Dit brengt echter met zich mee dat daar waar onzekerheid in het verleden gecounterd werd door vertrouwen in ‘divinatory practices’, dit in een functioneel gedifferentieerde samenleving niet langer het geval is. ‘It is as if, in the face of an increasingly uncertain future, a secure basis for the making of decisions now had to be found’ (Luhmann, 1993:13).
Het is nu juist de bewustwording over deze toenemende en schijnbaar onomkeerbare maatschappelijke onzekerheid, of beter, het besef dat onze maatschappij het modernistische project bij uitstek, ‘the production of order’2, dreigt te verliezen, wat de Duitse socioloog Ulrich Beck doet besluiten dat onze maatschappij aangekomen is in een fase van ‘reflexieve modernisering’. Reflexieve modernisering is het evolueren van een hoogindustriële samenleving naar een samenleving die zich bewust is van het contraproductief karakter van een continue ontwikkeling van o.a. wetenschap en industrie. Daar waar in een klassieke industriële samenleving ‘the logic of wealth production’ de bovenhand haalt op ‘the logic of risk production’, merken we in onze hedendaagse samenleving echter het tegengestelde. Beck spreekt dan treffend over ‘risk society’. De zekerheden en patronen van voorheen verdwijnen één voor één, wat het individu in een staat van quasi ‘ondraaglijke vrijheid’ brengt. Onze laatmoderne maatschappij wordt zich dus alsmaar meer bewust van het contraproductief karakter van de eigen grondbeginselen. De gevolgen worden duidelijk zichtbaar: ‘a set of risks and hazards, the likes of which we have never previously faced’ (Beck, 1992:2). Bovendien kan men, in tegenstelling tot de ‘vroege moderniteit’, niemand als verantwoordelijke aanwijzen voor de ‘hazards’ die in een risicomaatschappij woekeren.

Ook bij Giddens vinden we een sterk gelijkaardige tijdsdiagnose. Giddens vertaalt het problematisch karakter van de productie van orde in wat hij noemt ‘time-space distanciation’, de uitholling van de tijd/ruimte dimensie (Giddens, 1990:17). Hiermee beschrijft Giddens ‘modernisering’ als het proces waarin zowel ‘tijd’ als ‘ruimte’ worden uitgehold. De ‘onthechting van sociale systemen’, die volgt uit de ‘uitholling’ van tijd en ruimte, is cruciaal in het verdere verhaal en laat ons eveneens toe opnieuw aan te knopen bij de individuele gevolgen van de hier besproken maatschappijverandering. ‘In the world of late modernity, our social systems have stretched to global proportions, and so the individual experiences the world as having ‘shrunk’‘ (Bottoms & Wiles, 1995:18). De wereld verwordt dus tot ‘global village’, onderhevig aan een sterk doorgedreven globalisering. En dit niet alleen als een reële ontwikkeling maar sedert kort ook als virtuele ervaring: de wereld gevat in een druk op de linker muisknop.
Relaties binnen een dergelijke maatschappij steunen in niet onaanzienlijke mate op ‘trust’, vertrouwen dus. Giddens ziet vertrouwen immers als een soort ‘emotioneel vaccin tegen existentiële angsten’ (Giddens, 1991:3; zie ook Pleysier, Vervaeke en Parmentier, 2000). Vertrouwen is echter steeds impliciet verbonden met ‘risk’. Immers, schenk je iets of iemand het vertrouwen, dan is inherent het risico aanwezig dat dit vertrouwen wordt beschaamd. De uitkomst van een vertrouwensinvestering is immers niet langer voorspelbaar. ‘In other words, because we have no means of being sure where risk and safety lie, nothing can be trusted and anxiety, therefore, potentially finds a location in any area of daily life’ (Hollway en Jefferson, 1997:261). Vertrouwen is dus in zekere zin altijd blind vertrouwen (Giddens, 1990:33). Iets of iemand vertrouwen schenken is steeds een ‘leap into faith’, een sprong in het ongewisse, die men enkel maakt op basis van de ervaring dat het ‘meestal goed afloopt’. En hierin ligt nu juist het problematische en zelfs paradoxale karakter van onze laatmoderne samenleving. De onthechting van sociale systemen en relaties, ontstaan in de uitholling van tijd/ruimte, vraagt noodzakelijkerwijze de creatie van vertrouwen (‘trust’). Echter, deze evolutie vraagt niet enkel vertrouwen. Ze draagt het diskrediet van alle vertrouwen in zich. Het openbreken van tijd en ruimte resulteert immers in een toenemende onzekerheid en onvoorspelbaarheid op alle domeinen. ‘Insecurities are growing in all regions of social life: professions, the family, gender relations, marriage and so on’ (Beck, 1992:227). Maar de Engelse term ‘insecurity’ mag hier niet enkel als onzekerheid en onvoorspelbaarheid worden begrepen. Het gaat ook om een fundamenteel gevoel van onveiligheid, ontstaan door het in onbalans raken van het evenwicht vertrouwen/risico in onze risicomaatschappij (Giddens, 1990:36).

Blom en Nijhuis formuleren het, met Luhmann, treffend als volgt: ‘beslissen wordt riskant wanneer de mogelijkheid wordt ingecalculeerd dat de beslissing in de toekomst wel eens betreurd zou kunnen worden’ (Blom en Nijhuis, 1996:281). Luhmann hanteert in dit kader het onderscheid risico/gevaar (risk/danger). Zowel risico als gevaar ontstaan uit de onzekerheid die bestaat over het optreden van een mogelijke schade in de toekomst. Kunnen we het optreden van schade toewijzen aan een externe factor, zonder eigen toedoen dus, dan spreken we over gevaar. Omgekeerd, wanneer de toekomstige schade het gevolg van een eigen beslissing is, dan spreken we over risico (Luhmann, 1993:21-22). Met andere woorden, ’gevaren ondergaan we, risico’s gaan we aan’ (Blom en Nijhuis, 1996:278). Echter, een waar risicosyndroom of zelfs neurotische obsessie is slechts mogelijk wanneer in onze (laat)moderne maatschappij de ‘differentie risico/gevaar overwoekerd raakt door de tegenstelling beslisser/getroffene’ (Blom en Nijhuis, 1996:282). Luhmann spreekt dan over de ‘universalisering van het getroffen-zijn’. Niet-beslissers worden voortdurend getroffen door riskante beslissingen van anderen, waar de niet-beslisser geen controle over heeft. ‘Het riskante beslissen van de één kan voor de ander kortom een gevaar worden, ook al ziet de getroffene dat het voor de beslisser om een risico gaat’ (Blom en Nijhuis, 1996:282). Tsjernobyl, met hiv besmet transfusiebloed in Frankrijk, bse in Engeland, of (nog) dichter bij ons, de dioxinecrisis, zijn ‘dankbare’ voorbeelden. Het niet onmiddellijk willen leggen van de link tussen ‘dioxine in het kippenvoer’ en ‘dioxine in de kippen en eieren’ was een riskante beslissing maar betekende, zo is gebleken, een gevaar voor de hele bevolking.
De gevolgen voor het individu kwamen reeds meermaals impliciet aan bod, maar vragen hier nog een verduidelijking. Er wordt het individu niet langer vanuit één overkoepelend subsysteem (bv. godsdienst, politiek,..) ingefluisterd hoe zich doorheen de andere subsystemen te bewegen. Dit is dus een eerste bron van fundamentele onzekerheid. Maar elk van deze subsystemen is ook onderhevig aan een toenemende, systeeminterne onzekerheid: de economie kampt met werkloosheid, flexibilisering, deeltijds werk,..., de politiek met lokale, regionale, provinciale, nationale en supranationale beleidsniveaus, het gezin met bom-moeders, latrelaties,... (Raes, 1994). Bovendien wordt het individu verplicht zich binnen elk subsysteem afzonderlijk te profileren (‘achievement’) en op een snelle en geruisloze manier het ene subsysteem voor het andere te kunnen ruilen. We zijn, om Giddens nogmaals te herhalen, ‘disembedded’, wat ingewikkelder klinkt dan het in werkelijkheid is, aldus Bauman. Het betekent heel simpel dat we aan het ‘zweven’ zijn: voor vaste grond onder de voeten moeten we zelf zorgen (Munters, 1998:90). Dit is dus een tweede bron van fundamentele onzekerheid. Het mag duidelijk zijn dat beide bronnen van onzekerheid, die overigens niet strikt gescheiden kunnen worden, een cumulatief versterkende impact hebben op het individu. Zodoende scherpt deze algemene toename aan onzekerheid en onvoorspelbaarheid het wantrouwen en angstgevoelens onder de bevolking aan. Er is bovendien in de literatuur reeds gewezen op de nefaste gevolgen van een dergelijke ontwikkeling op het economisch bestel (zie o.a. Fukuyama, 1995).

Leven in een risicomaatschappij

In wat volgt concentreren wij ons echter op de gevolgen op individueel, sociaal-psychologisch vlak. Deze versterken op hun beurt en niet in geringe mate, mogelijke nefaste ontwikkelingen binnen verschillende sociale subsystemen (zoals economie, politiek,...). Het leven in een risicomaatschappij en de daardoor niet aflatende en onvermijdelijke confrontatie met risico en gevaar houdt volgens Giddens een ernstige bedreiging in voor onze ‘feelings of insecurity’. Bovendien gaat het hier hoofdzakelijk om gevaren (‘dangers’) die niemand wenst te lopen en die zich voltrekken, of misschien ook niet, zonder enige mate van controle hierover door ‘millions of human beings’. Het ontbreken van controle of louter al de subjectieve perceptie van oncontroleerbaarheid heeft onmiskenbaar psychologische gevolgen. Hieruit volgt een logische vraag: hoe gaan we om met het voortdurende bewustzijn van dreigende gevaren die we enkel kunnen ondergaan? Hoe gaan we met andere woorden om met die allesomvattende onzekerheid? Net zoals het karakter van onze laatmoderne samenleving zich kenmerkt door ambivalentie, zo ook het ‘antwoord’ op bovenstaande vraag. ‘Feelings of ontological security and existential anxiety will coexist in ambivalence’ (Giddens, 1990:139). Het vertrouwde en niet vertrouwde, het eigene en het vreemde, het is allemaal gemixed, aldus Bauman, ‘alles is ‘co-present’: gemengde scholen, gemengde steden, gemengde omgevingen, niet opgedeeld in gebieden om te wonen, te werken of je te ontspannen, maar alles door elkaar’ (Munters, 1998:96). Dit noemt Bauman toepasselijk ‘the anarchy of modern city life’.

Onzekerheid, onveiligheid en de stad

Alhoewel Giddens hierboven zekerheid/veiligheid en ‘existential anxiety’ (angst) ogenschijnlijk naast elkaar plaatst, dient men toch bewust te zijn van het oorzakelijke verband tussen beide noties. In die zin gaat Giddens niet zover om ‘anxiety’ eerder als een product van de moderniteit te zien, doch wel als de resultante van een toenemende maar nog niet allesomvattende onzekerheid. De oorzaak van deze ‘existential anxiety’ ligt niet zozeer in de moderniteit als dusdanig, maar in de onaangepastheid van het individu aan de toenemende onzekerheid die de moderne conditie met zich meebrengt. Immers, en hieruit blijkt een eerder optimistische Giddens, het steeds dieper doordringen van ‘feelings of insecurity’ in moderne sociale systemen, wordt gecounterd door de creatie van wat Giddens ‘globalized communities’ noemt : ‘small bubbles of security in an insecure world’ (Bottoms en Wiles, 1995:20; Giddens, 1990:141). We denken hierbij aan winkelcentra (de zgn. ‘malls’), luchthavens, McDonalds, PizzaHut... die universeel identiek zijn, en zodoende de niet met de omgeving vertrouwde ‘reiziger’, een ‘vertrouwde omgeving’ of een stukje zekerheid aanreiken. Weerom wordt de link tussen de centrale concepten ‘onzekerheid’, ‘angst’ en ‘vertrouwen’ geëxpliciteerd.
Wanneer we in wat volgt bovenstaande theoretische beschouwingen expliciet terugkoppelen aan het concept veiligheid/onveiligheid, en dan voornamelijk de hiermee gepaarde concrete angstgevoelens, dan blijkt nogmaals de concrete relevantie van een gefundeerde theoretische ‘bovenbouw’. Herhaaldelijk wordt in de literatuur immers een niet onbelangrijke aanzet tot verdere reflectie gegeven, echter zelden trekt men dit verder door. Laat ons zeggen dat meerdere malen een tipje van de sluier wordt gelicht, wat ons steunt in de uitwerking en omkadering van het theoretische raamwerk. Garofalo en Laub beschrijven in een publicatie uit 1978 dat wat ze eigenlijk pogen te meten en te conceptualiseren als ‘fear of crime’ klaarblijkelijk iets veel diffuser is ‘than the perceived threat of some specific danger in the immediate environment’. Volgens hen is de bevolking wel degelijk bezorgd en angstig over criminaliteit, alleen lijkt het hier veeleer om een abstract concept te gaan. Onveiligheid en angst voor criminaliteit winnen aan duidelijkheid wanneer ingepast in een ruimer conceptueel denken. Garofalo en Laub kaderen het ‘fear of crime’-probleem op deze wijze binnen het veel bredere ‘quality of life’. ‘What exists is some sort of unfocused, or multifocused, anxiety of mistrust which leads to uneasiness and discomfort rather than to incapacitation’ (Garofalo en Laub, 1978:248).

Ook Taylor en Hale gaan in navolging van Garofalo en Laub voorbij aan een concreet en nauw met criminaliteit verbonden concept, en koppelen dit vage en eerder onbestemde angstgevoel aan de snel veranderende condities waar men binnen een grootstedelijke context mee geconfronteerd wordt; ze spreken dan ook over ‘general urban unease’ (Taylor & Hale, 1986:154,186). We wezen inderdaad reeds op het (laat)moderne, stedelijke leven die een uitstekende voedingsbodem voor dergelijke ontwikkelingen in zich draagt. De stad wordt immers omschreven als het centrum van dynamisme, vernieuwing, verandering en creativiteit, maar ook van isolatie, anonimiteit, de-traditionalisering, de-moralisering en anomie (zie o.a. Walgrave, 1995). Het ligt voor de hand dat deze gedachtegang in aanzienlijke mate teruggaat op Tönnies klassieke distinctie ‘Gemeinschaft/Gesellschaft’ en de literatuur in zijn kielzog waarin ‘urban culture’ aanzien wordt als een ervaring van anonimiteit, eenzaamheid, isolatie en vluchtige relaties (Savage en Warde, 1993:99). Ook Durkheim sprak over de stad als ‘citadel of loneliness’. Verstedelijking en moderniteit werden in deze ‘vroege’ stadssociologie als wezenlijk problematisch beschouwd, ‘als stonden zij haaks op de menselijke natuur. (..) De stad is een sociale ruimte die persoonlijkheidscrises opwekt bij ontstentenis aan duidelijk afgebakende, vertrouwde identificatiepunten. In de stad wordt de mens onderworpen aan een onevenwichtig teveel aan psychische stimuli en aan een teveel aan buitenproportionele complexiteit’ (Raes, 1995:71). Ook deze band tussen angstgevoelens, criminaliteit en urbanisatie blijft in de literatuur niet onbesproken.3 Niettemin stellen we vast, in navolging van Hale, dat er van een diepgaande theoretische onderbouw opnieuw nauwelijks sprake is.

Uitleiding

Het ‘onveiligheidsgevoel’, of beter, het interpreteren van de omgeving als onveilig, kadert naar onze mening in een breder, macro-sociologische tijdsdiagnose, die zich laat samenvatten door een ‘toenemende en allesomvattende onzekerheid in alle domeinen van het maatschappelijke leven’. Onzekerheid duidt ook op vrijheid, mogelijkheden en kansen. Het is echter, gelet op het recent karakter van deze ontwikkelingen, de onaangepastheid aan de onzekerheid die individuen doet piekeren over hun toekomst en persoonlijke veiligheid. Niet zelden is dit ook een bron van angst. Het individu wordt binnen elk maatschappelijk subsysteem geconfronteerd met een toenemende onzekerheid over hoe zich binnen elk systeem te profileren. Bovendien wordt deze onzekerheid niet langer gecounterd door een overkoepelend systeem die ons de weg binnen andere systemen toont. Er is immers niet langer een overkoepelend (zingevings)systeem. Het is bijgevolg niet zozeer de onzekerheid die ons angstig maakt, maar het ontbreken van een dominant patroon om de onzekerheid op te heffen. ‘Angst voor criminaliteit’ is dan een concrete, situationele vertaling van een meer existentieel angstgevoel, voortkomende uit een steeds toenemende en beklemmende onzekerheid in alle facetten van het dagelijkse leven. Het komt erop neer, en hiermee kunnen we ons inziens treffend afsluiten, dat wanneer alle stapstenen van het leven bewegen, wanneer alle houvast verdwijnt, het individu zich onzeker en onrustig voelt. ‘Het ene tapijt na het andere wordt vanonder onze voeten weggetrokken. Dat geeft een onveilig gevoel’ (Huyse, 1996:73).

Stefaan Pleysier, Geert Vervaeke, Johan Goethals, Carolien Peeters en Bruno Verbeeck
afdeling Strafrecht en Criminologie van de K.U.Leuven 4

Noten
1/ De partijpolitieke (verkiezings)strijd rond het thema ‘onveiligheid’ en de niet onaanzienlijke aandacht van de media hierrond ontlokt ons volgende bedenking. Was de discussie rond het concept en de inhoud ervan vooralsnog nagenoeg exclusief terrein van de academische wereld, dan dient dit recent gedeeld te worden met politiek, media en ‘publieke opinie’. Gevolg is het te pas en te onpas gebruik en ad hoc invullingen van tot op heden, ook binnen academische kringen, nauwelijks doordachte noties. Ferraro en LaGrange waarschuwden reeds ‘that the phrase ‘fear of crime’ has acquired so many divergent meanings that its current utility is negligible’ (Ferraro en LaGrange, 1987:71). Bovenstaande evolutie lijkt ons dit gevaar pijnlijk aan te scherpen.
2/ Hiervoor verwijzen wij naar Zygmunt Bauman; ‘Among the multitude of impossible tasks that modernity set itself and that made modernity into what it is, the task of order (more precisely and most importantly, of order as a task) stands out as the least possible among the impossible and the least disposable among the indispensable’ (Bauman, 1991:4).
3/ Ook hier dient het causaal (en pessimistisch) verband te worden genuanceerd; veeleer is de onaangepastheid aan het dynamische karakter van de laatmoderne stad oorzaak van bovenstaande ervaringen (eenzaamheid, isolatie,…) dan de stad in se.
4/ Stefaan Pleysier is als assistent en socioloog verbonden aan de afdeling Strafrecht, Strafvordering en Criminologie van de Katholieke Universiteit Leuven. Prof. dr. Geert Vervaeke en Prof. dr. Johan Goethals zijn respectievelijk hoofddocent en hoogleraar aan de afdeling Strafrecht, Strafvordering en Criminologie van de Katholieke Universiteit Leuven. Carolien Peeters en Bruno Verbeeck zijn beide werkzaam als wetenschappelijk medewerker op het project ‘Evaluatie van de veiligheids- en samenlevingscontracten’ (afdeling Strafrecht, Strafvordering en Criminologie van de Katholieke Universiteit Leuven).

Bronnen
-
Bandura, A. (1977). Self-efficacy: Toward a unifying theory of behavioral change. Psychological Review. 84, 191-215.
- Bauman, Z. (1991). Modernity and Ambivalence. Cambridge. Polity Press.
- Bauman, Z. (1997). Postmodernity and its Discontents. Cambridge. Polity Press.
- Bauman, Z. (1999). In Search of Politics. Cambridge. Polity Press.
- Beck, U. (1992). Risk Society. Towards a New Modernity. London: Sage.
- Billiet, J., A. Carton & R. Huys (1990). Onbekend of onbemind? Een sociologisch onderzoek naar de houding van de Belgen tegenover migranten. Leuven: SOI/Departement Sociologie.
- Blom, T. en T. Nijhuis (1996). Risico en gevaar: een blik op Luhmanns risico-sociologie. Tijdschrift voor Sociologie. 1996, 2, 275-288.
- Bottoms, A. en P. Wiles (1995). Crime and insecurity in the city. Fijnaut, C., J. Goethals, T. Peters en L. Walgrave (Eds.). Changes in society, crime and criminal justice in Europe. Volume I. Crime and insecurity in the city. Samenleving, criminaliteit en strafrechtspleging, 4a. Antwerpen: Kluwer.
- Depreeuw, W. (1992). Hoe onveilig zijn onzekerheidsgevoelens? Welzijnswerk kroniek, 16, 1, 32-36.
- Dobbelaere, K. (1996). Luhmann en de analyse van de godsdienst: enkele denkpistes. Tijdschrift voor Sociologie. 1996, 2, 289-303.
- Ferraro, K.F. en R. LaGrange (1987). The measurement of fear of crime. Sociological Inquiry. 57, 70-101.
- Fukuyama, F. (1995). Trust. The Social Virtues and the Creation of Prosperity. London: Penguin.
- Garofalo, J. en J. Laub (1978). The Fear of Crime: Broadening Our Perspective. Victimology: An International Journal. 3, 3-4, 242-353.
- Giddens, A. (1990). The Consequences of Modernity. Cambridge: Polity Press.
- Giddens, A. (1991). Modernity and Self-Identity. Self and Society in the Late Modern Age. Cambridge: Polity Press.
- Goffman, E. (1971). Relations in Public. Microstudies of the Public Order. Harmondsworth: Penquin.
- Hale, C. (1996). Fear of Crime: A review of the literature. International Review of Victimology. 4, 79-150.
- Hollway, W. en T. Jefferson (1997). The risk society in an age of anxiety: situating fear of crime. British Journal of Sociology. 78, 2, 255-266.
- Huyse, L. (1996). De lange weg naar Neufchâteau. Leuven: Van Halewyck.
- Laermans, R. (1996). ‘We kunnen ons geen alternatief voorstellen’: Luhmanns analyse van de moderne maatschappij. Tijdschrift voor Sociologie. 1996, 2, 145-161.
- Luhmann, N. (1993). Risk: A Sociological Theory. New York: de Gruyter.
- Munters, R. (Ed.) (1998). Zygmunt Bauman. Leven met veranderlijkheid, verscheidenheid, onzekerheid. Amsterdam: Boom.
- Pleysier, S., G. Vervaeke en S. Parmentier (2000). ‘Het’ vertrouwen in ‘de’ instelling: enkele beschouwingen. Panopticon, 21, 1, 63-79.
- Rachman, S. (1978). Fear and Courage. San Francisco: W.H. Freeman and Company.
- Raes, K. (1994). Onveiligheid in een normenloze wereld. Bedenkingen bij de Nederlandse Integrale Veiligheidsrapportage. Samenleving en politiek, jg.1, 1994, nr.3 (maart), 4-13.
- Raes, K. (1995). De naakte samenleving. Pleidooi voor een onpersoonlijke maar vertrouwde publieke cultuur. Justitiële verkenningen. 21, 5, 62-95.
- Savage, M. en A. Warde (1993). Urban Sociology, Capitalism and Modernity. London: MacMillan.
- Taylor, R.B. en M. Hale (1986). Criminology. Testing Alternative Models of Fear of Crime. The Journal of Criminal Law & Criminology. 77, 1, 151-189.
- Vettenburg, N. en Walgrave, L. (1998). (On)welzijn en (on)veiligheidsgevoelens in de grootstad. In opdracht van de Vlaamse minister voor Cultuur, Gezin en Welzijn. KULeuven: Onderzoeksgroep Jeugdcriminologie.
- Walgrave, L. (1995). Criminological prevention in the city. Fijnaut, C., J. Goethals, T. Peters & L. Walgrave (Eds.). Changes in society, crime and criminal justice in Europe. Volume I. Crime and insecurity in the city. Samenleving, criminaliteit en strafrechtspleging, 4a. Antwerpen: Kluwer.
- Winkel, F.W. en A. Van der Wurff (Red.) (1990). Angst voor Criminaliteit. Theorie Onderzoek Interventie. Amsterdam: Swets & Zeitlinger.

onveiligheid - sociologie

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 2 (februari), pagina 26 tot 34