Abonneer Log in

Voor een radicalere aanpak van het energieprobleem

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 2 (februari), pagina 42 tot 47

De laatste tijd hoort men stemmen opgaan om de kernenergie in ere te her­stellen. We kun­nen immers de ons opgelegde reductie van de CO2-uitstoot niet bereiken1, menen sommigen. Maar deze zou haalbaar zijn als we op kernenergie be­roep (blijven) doen. Dat is natuurlijk onzin. De datum die Kyoto voorziet voor het halen van de reductie is 2010. En de Belgische kerncentrales moeten pas vanaf 2014 worden stil­gelegd. Maar de bedoeling is duidelijk. Ook na 2010 zal er een energieprobleem zijn, waarvan de CO2-uitstoot trouwens slechts een onderdeel is. En men wil nu reeds de zaak op de agenda krijgen.

De cruciale vraag is die naar de motieven die tot zo’n voorstel aanleiding geven.2 Ik meen dat die bekend zijn. ­Het is de idee dat we ons geen leefbare, goede, moderne maat­schappij kunnen voorstellen die niet op een energieniveau drijft dat met het huidige vergelijkbaar is. Daarom staan we geen stap verder dan twintig jaar geleden. Ik denk aan het vurige pleidooi van professor Gillon voor kernenergie.3 Onze keuze voor de kapitalistische, wetenschappelijke en tech­nocratische maatschappij en bijbehorende idee van ‘het goede leven’ is blijkbaar zo evident dat we de nadelen van kernenergie, die hij overigens niet ontkent, er maar moeten bijnemen. Ik zou zelfs dur­ven stellen dat het terugdringen van ­de kernenergie slechts kans op slagen had, om­dat men nog kon geloven dat er alternatieven waren om over een even hoog energieniveau te blijven beschikken. De situatie is sedert het eerste rapport van de Club van Rome, De grenzen aan de groei uit 1992, nog dramatischer geworden. Zo hebben de auteurs van dit rapport, D.H. Mea­dows en D.L. Meadows, moeten vaststellen dat hun sombere voorspellingen nog steeds aan het uitkomen zijn.4 Die vaststelling dateert ook alweer van acht jaar ge­leden. Zou de situatie ondertussen omgeslagen zijn? Een weinig wenselijke kli­maatwijziging lijkt steeds waarschijnlijker te worden. En volgens recente berichten strek­ken de olievoorraden nog slechts 40 jaar ver en de aardgasvoorraden 60 jaar ver. Wat men ook van derge­lijke prognoses mag denken, zeker is dat de afrekening binnen afzienbare tijd komt. Onze kinderen en zeker onze kleinkinderen, zullen ermee geconfronteerd worden. Natuurlijk is men nu nog bereid de risico’s erbij te ne­men of weigert men de prognoses ernstig te nemen. Dat ge­beurt vaak door het wetenschappelijk karakter ervan in twijfel te trekken.

Sleutelen we aan het doel of aan de middelen?

Zelfs de voorstander van kernenergie aanvaardt blijkbaar dat er iets moet gebeuren. Maar wat? Hoe geraken we uit de impasse? Enkele overwegin­gen over de verhouding tussen doel en middelen kunnen hierbij behulpzaam zijn. We kunnen namelijk aan het doel of aan de middelen sleutelen, of aan beide tegelijk. Als vanuit de middelen bijvoorbeeld blijkt dat het doel niet haalbaar is, kunnen we het doel afzwakken. Maar als we het doel gehandhaafd willen zien, kunnen we pro­beren de middelen te wijzigen. Ook de ‘behoudsgezinden’ denken in termen van doel en middel. Ze staan immers zo zeer op het doel (op hun idee van ‘het goe­de leven’) dat ze bereid zijn er haast elke prijs voor te betalen­. Ik stel voor deze ver­houding tussen doel en middelen kritisch te bekijken. Ik laat hier­voor twee overwegingen volgen. De eerste slaat op onze idee van het goede leven, de tweede op ons middelenarsenaal. Ik bedoel ons productiesysteem en de vrijemarkteconomie die het omkadert.

Het ‘goede leven’

Het doel van iedere economie is het ‘het goede leven’. We kunnen de inhoud van onze idee van het goede leven wijzigen om hem in overeenstemming te brengen met de bestaande middelen. Maar dan zo, dat de nefaste gevolgen als broei­kasef­fect en uitputting van de grondstoffen uitblijven. De vraag luidt dan of we ons een interessante maatschappij kunnen voorstellen met een veel geringer energiever­bruik uit hernieuwbare energiebronnen. Het ant­woord zal eerder droevig ­uitvallen. Dat lijkt zelfs de opvatting te zijn van Glorieux en Laenens van Agalev. Ze zeggen dat hun plei­dooi voor CO2-taksen of energie­tak­sen, en voor het opleggen van stren­ge normen voor rationeel energieverbruik geen populaire boodschap is. Ingrijpende veranderingen zullen zeker nodig zijn. Maar moeten deze bij voorbaat als nefast beschouwd worden? In plaats van op te komen voor soberheid en matiging, want dat zal wel het bedoelde onpopulaire zijn, zou men beter wijzen op een aantal kan­sen die hier bestaan.5 Intellectuelen en politici in het bijzonder hebben hier de belangrijke taak erop te wijzen dat we de equivalentie goede leven= steeds meer consumptiegoederen moeten laten schieten. Ze moeten de gedachte verspreiden dat het goede leven ook bevor­derd wordt door bijvoorbeeld minder slachtoffers in de verkeersoorlog, door minder en minder stres­serende arbeid, door ‘onthaasting’, door in een omge­ving te kunnen vertoeven die nog ‘natuur’ kan genoemd worden, enzovoort. Ik onderschat het belang van allerlei consumptiegoederen niet, maar wat he­den groei ge­noemd wordt, is er al te exclusief op geconcentreerd. En dat gebeurt ten koste van andere aspecten van het goe­de leven. Het eerstgenoemde voorbeeld, dat met het ‘auto­systeem’ te maken heeft, hoort bij uitstek tot ons onderwerp. Is ons goede leven werkelijk zo ‘goed’? Ik wil met mijn vraag zeker niet de spirituele toer op gaan in een pleidooi voor niet-materiële waarden. Ik wil nog minder het huidige individualisme be­vorderd zien waarin iedereen maar voor zichzelf moet uitmaken wat voor hem goed is. Het probleem is politiek, het gaat om maatschappelijke en politieke overwegingen en beslissingen.

Duurzame ontwikkeling

Een tweede bedenking gaat over de middelen. Ik vrees namelijk dat het onmogelijk zal zijn om met het huidige arsenaal aan middelen, waaronder taksen en aansporingen en strengere normen, het tij te keren. Hoe nuttig ze ook mogen zijn, er zal meer nodig zijn. Er is een kritischer kijk op onze econo­mie ver­eist dan heden het geval is. Men zal het productieproces ­on­der de loep moeten nemen. Hoe produce­ren we? Welke zijn onze verwachtingen over de opvoering van de productiviteit? Welke is de aard van de productiemiddelen en de consumptiegoederen? Men zal minder op het initiatief van de vrije markt moeten rekenen­. De over­heid zal meer armslag moeten krijgen. Ik illustreer die idee straks met enkele verwij­zingen. Helaas, meer dan ooit lijkt de sociaaldemocratie zelfs haar laatste weerstand tegen de (idealisering van) de vrije markt op te geven. Zo spreekt Antho­ny Giddens6 wel over duurzame ontwikkeling (sustainable development). Maar daarmee wordt het begrip bedoeld dat in het Brundlandtrapport (1987) uiteengezet werd. Dat houdt in dat de toekomstige generaties niet door de huidige ont­wikkeling ge­compromitteerd mogen worden. Ik zou nochtans denken dat duur­zame ont­wikkeling in de eerste plaats slaat op de productie van zowel duurzame produc­tiemiddelen als duur­zame eindgoederen. Het doet pijn te moeten vaststellen dat het geloof in de ‘abstracte’ vrije markt in socialistische middens toeneemt. Maar laat mij nogmaals naar Anthony Giddens verwijzen (blz. 41-42). Hij wijst de idee niet af dat het kapitalisme gestuurd en gereguleerd moet worden, voor­al omwille van de idee van equality (waarvan ik het belang niet betwist). Maar het valt op hoe andere motieven om in te grijpen niet vernoemd worden. Hij aan­vaardt wel dat een van de taken van de overheid (blz. 48) de volgende is: ‘een directe economi­sche rol vervullen, als de voornaamste werkgever, in macro- en micro-economische interventie en het voorzien in infrastructuren’. Maar dat is niet de rol waartoe ik de overheid of de politiek beperkt wil zien. Giddens is er blijkbaar zeker van dat de vrije markt ongeveer alles kan klaren. Zou de sociaaldemocratie niet wat radi­caler mogen zijn? En dat is niet eens bedoeld als een aanval op de markteconomie ten voordele van een of andere idee van planning.
Het is inderdaad niet zo dat ingrepen in zowel productie als in consumptie, de idee van de vrije markt ondersteboven halen. Want, we hebben de kern­energie een halt kunnen toeroepen. We kunnen om gezondheidsredenen maatregelen tref­fen tegen het roken. De overheid zorgt waar het nodig is voor welke infrastructuren ook. Dat zijn allemaal maatregelen die de vrije markt niet vernietigen. Waar­om kunnen we dan ook niet de productie van duurzame tuigen, auto’s bijvoorbeeld, opleggen? Waarom ageren we niet tegen de ‘verouderingstechnieken’? Waar­om zoeken we niet naar middelen om bijvoorbeeld te vermijden dat con­sumptiegoederen de hele wereld rond­reizen vooraleer ze bij de consument aanbelanden? Men zou het gebruik van auto’s met een te groot vermogen kunnen verbieden. Waarom zou de overheid niet bepaalde pro­ducten en bepaalde productieprocessen mogen stimuleren, of zelfs ook zelf pro­duceren? Waarom blijft men zo bedeesd als het op het ‘reguleren’ van energie en milieuproblematiek aankomt? Ik vrees dat steeds dezelfde ­problematiek terugkeert. Men gelooft al te onvoor­waardelijk in de vrije markt. Men vertrouwt er al te zeer op dat het vrije initiatief als het ware automatisch voor iedereen het aller­beste voortbrengt. Het vrije initiatief zorgt inderdaad voor productiviteitsverhogingen en voor innovaties zowel op het niveau van de productie als van de consumptie. Men gelooft in efficiëntie en men vergeet direct dat dit be­grip een doel-middel-verhouding is, die alleen zinvol is wanneer met het doel het globale welzijn bedoeld is. Ik verwijs hier graag even naar Barry Commoner.7 Hij wijst erop dat in nu reeds lang vervlogen tijden, onder het bewind van Jimmy Carter, de overheid slechts op het allerlaatste ogenblik ervan afgezien heeft (onder druk van welke lobbies?) een reusachtige bestelling van zonnecellen te doen. Daardoor hadden ze op slag veel goedkoper kunnen worden. En het onderzoek had ook een duwtje in de goede richting kunnen krijgen. Als men weet dat zonnecellen ondertussen veel rendabeler zijn geworden, waarop wacht men dan?8
Het valt mij steeds weer op hoe abstract men het econo­mische (en ook ecologische) discours houdt. Men heeft het er bijna steeds over productie en pro­ducten in het algemeen. Het is alsof de economie niet in de eerste plaats de produc­tie en de consumptie van welbepaalde goederen is. Bij het energieprobleem (en de uitstoot van CO2) is het zonneklaar dat de wagen zo’n belangrijke factor is dat het bijna ridicuul is om het zo maar in het algemeen over belastingen en tak­sen te heb­ben. Het volstaat te beden­ken dat de kleine helft van alle energie er voor het ‘autosysteem’ is. Energie om de wagens te produceren, om de wegen aan te leggen en te onderhouden en natuurlijk om de voertuigen zelf draaiende te houden (het vervoer, dat ongeveer de helft van die helft is).9 Men ziet zó dat er hier ‘onmiddellijk’ zeer veel CO2-uitstoot kan beperkt worden. Het Kyoto-percentage zou gemakkelijk te halen zijn, door de mensen ertoe te bewegen veel minder kilometers te vreten. Maar zelfs een snelheidsbeperking zou reeds enig soelaas kunnen brengen. Men weet bovendien zeer goed dat als het percentage niet gehaald wordt, dit in grote mate te maken heeft met de toename van het verkeer. En laat mij herhalen dat de vermindering van het vervoer een directe en duurzame bevordering van het goede leven inhoudt. Want het verband tussen het aantal gereden kilometers en de dodelijke en zware ongevallen is intens. En ik zal het hier niet hebben over allerlei andere niet-bevorderlijke zaken, zoals stank en lawaai die een bedreiging voor de gezondheid zijn, enz. Ik besef natuurlijk dat men moeilijk tot de noodzakelijke maatregelen zal kunnen komen als men de gees­ten niet bewerkt door, onder meer, intensieve publieke debatten te organiseren.10
‘Ik ben socialist en voor de vrije markt’, schrijft Luc Vanneste. Dat ben ik ook. Ik ben dus een reformist, maar ik wil, eveneens zoals Luc Vanneste, een revo­lutionair reformist zijn. Dit betekent dat het cruciaal is de productie aan te pakken en ik denk vooral aan duurzame productie. Ik zou ook alles kunnen samenvatten door te zeggen dat de economie democratisch moet worden. Daarmee bedoel ik dat de vraag over wat en hoe moet geproduceerd worden in principe niet (totaal) aan de ondernemingen kan worden overgelaten. Het moet een zaak van politieke besluitvorming worden.

Noten
1. De Kyoto-norm zegt dat België tegen de periode 2008-2012 7,5% minder broeikasgassen moet uitstoten dan in 1990. “Als gevolg van de afwezigheid van een doelmatig beleid en een toename van het energieverbruik, de industriële activi­teit en het autoverkeer, zitten we anno 2000 op een niveau dat liefst 16 procent boven de te behalen doelstelling ligt” (Eloi Glorieux en Leen Laenens in De Standaard van 20 november 2000).
2. Ik ga ervan uit dat de redenen die tot de afbouw van de kernenergie deden besluiten, nog steeds gelden.
3. L. Gillon, De kwestie kernenergie. Welke energie voor onze toekomst, Ant­werpen/Amsterdam, 1979. Ik heb dit boek besproken in Tijdschrift voor diplomatie, december 1980, blz. 205-218.
4. D.H. Meadows, D.L. Meadows, J. Randers, De gren­zen voorbij. Een wereld­wijde catastrofe of een duurzame wereld, Utrecht, 1992.
5. Meadows en Meadows tonen ­aan ­dat we in 1992 reeds te ver ge­gaan zijn inzake milieuvervuiling en uitputting van grondstoffen. Als we in de niet al te verre toekomst catastro­fen willen vermijden, moeten we inbinden. Ze beschouwen dat niet als een dramatische keuze, vermits deze inper­king voor de mensheid tegelijk grote kan­sen voor een beter leven inhoudt.
6. A. Giddens, The third way, Cambridge, 1998, blz. 56.
7. B. Commoner, Making Peace with the Planet, ­Londen, 1990, blz. 148.
8. Ik besef dat België en het Vlaamse Gewest niet alleen maatregelen kunnen nemen. Deze moeten minstens op Europese schaal gerealiseerd worden.
9. Het cijfer slaat op de VS, maar wie gelooft dat het in Europa an­ders is?
10. De maatregelen die men zou kunnen doorvoeren, zijn talrijk en verscheiden. Ik betwist de bestaande maatregelen niet. Ook niet de ingreep via taksen en belas­tingen. Ik geloof echter niet dat de opsomming van eventuele maatregelen hier het discussiepunt moet zijn. Ik heb de gehele problematiek besproken in: W. Coolsaet, Naar een oplossing van het verkeersprobleem, Gent, 1990.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 2 (februari), pagina 42 tot 47