Log in

Kannibalisme: het verschil tussen socialisme en liberalisme

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 4 (april), pagina 1 tot 2

René Dumont, tiersmondist en ecologist van het eerste uur, betichtte ooit de westerse mens van kannibalisme. Hij beschuldigde hem zelfs kinderen uit de derde wereld op te eten. Het beeld was te snijdend om niet fel afgeweerd te worden. Hij bedoelde echter dat de westerse mens, of hij nu gewone arbeider of rijke industrieel is, voedsel ontneemt dat kinderen kan voeden die anders van honger omkomen. Hij eet te veel, dat is zeker. Hij voedt zich bij voorkeur ook met vlees van dieren. Die verorberen op hun beurt massale hoeveelheden, waar mensen rechtstreeks of onrechtstreeks kunnen van leven. Er is in om het even welk EuAropees land gewoon te weinig landbouwgrond om de eigen bevolking te voeden. Er wordt daarom maar voedsel geproduceerd op grond elders in de wereld. De derde wereld voedt ons, of we dat nu graag horen of niet. En het is al meermaals gesignaleerd dat zelfs landen die met voedseltekorten kampen tegelijk voedsel exporteren naar westerse landen. Het komt zelfs voor dat voedselhulp geleverd wordt aan een land dat tegelijk blijft uitvoeren. Ik weet echt niet of dat woord kannibalisme zo overdreven was.

De Minister-President van de Vlaamse regering heeft zopas zijn toekomstvisie op papier gezet in ‘Vooruitzien, ideeën over een kleurrijk Vlaanderen’. In het hoofdstukje over voedsel durft hij op zijn minst een vraag stellen bij de moderne landbouwmethodes. Hij geeft toe dat de sector een probleem geworden is en hij verwijst naar de massale foksystemen, het gebruik van pesticiden, biogenetica en dieronvriendelijke praktijken. Overbemesting, waterverontreiniging, uitdroging en watertekort zijn er de gevolgen van. En hij pleit effectief voor respect voor milieunormen en voor een diervriendelijk beleid, dat een afbouw van de varkensstapel impliceert. Hoever hij daarin wil gaan wordt echter allerminst duidelijk. Natuurlijk kunnen boeren een rol spelen in het landschapsbeheer of in de toeristische sector. Zal dat evenwel voldoende zijn? In het volgende hoofdstuk, over milieu, ziet men zijn grens. Hij noemt het de grote verdienste van de groenen dat ze het milieuprobleem op de agenda geplaatst hebben van partijen en regering. Hun analyse is juist, maar hun manier van uitvoering is wat anders. Ik vrees dat dit in praktijk wil zeggen: laat ons proberen de kool en de geit te sparen. Groene principes goed en wel, maar de uitvoering moet zich schikken naar economische beperkingen.

Ik weet niet zeker of dit niet een tikkeltje onrechtvaardig is tegenover Patrick Dewael. Hij pleit onmiskenbaar voor een aantal zaken die verrassen: hij wil een Tobintaks en hij blijft consequent voor een afbouw van kernenergie. Ik moet bekennen dat ik dit tot voor kort onmogelijk achtte uit de mond van een liberaal. Ook het hoofdstuk over ethisch ondernemen klinkt beloftevol. Hij doet een oproep opdat bedrijven verder zouden kijken dan de enge winstmaximalisatie. Alleen wat hij schrijft over emissierechten is niet van aard om gerust te zijn. Hij pleit voor een soort handel in emissies. Bedrijven die reeds beter presteren dan de norm kunnen hun zogenaamde overschot verkopen aan bedrijven die nog niet zo ver zijn. Zo krijgen die laatste nog wat uitstel. Hij zou zijn principe kunnen toepassen op derde wereldlanden. Dat komt er dan op neer dat rijke landen hun overschot op de norm kunnen doorgeven aan minder ontwikkelde landen. Ze kunnen daar dan verder hun minder propere productie organiseren. Of ze kunnen hun vuiligheid blijven dumpen. Als het hier maar schoon is. Misschien kan er onderling nog wel concurrentie over ontstaan, tot en met koopjesperiodes. De Wael schrijft dit niet, laat ons wel wezen, maar het is hetzelfde principe. En het is net hetzelfde principe als: als ik zelf niet voldoende grond heb, produceer ik maar elders. Als ik daar voedsel ontneem dat de plaatselijke bevolking zou kunnen gebruiken, heeft die pech. Want ik betaal er toch voor?

Men heeft het de laatste tijd nogal vaak over de derde weg en nu ook al over de vierde weg. Centraal staat de vraag naar wat het verschil uitmaakt tussen liberalisme en socialisme. Zelf wil ik absoluut geen pleidooi houden om morgen maar de revolutie uit te roepen. Ik leg er mij bij neer dat politiek een zaak is van heel kleine stappen. Ik kan er mee leven dat men zelfs heel dikwijls een heel eind teruggeslagen wordt. Ik denk echter dat het verschil nog altijd bij de vraag ligt of men wil uitkomen bij een ander economisch systeem of niet. Het liberalisme vindt dat niet nodig. Het doet aan symptoombestrijding, meer niet. Socialisten moeten verder durven gaan. En dat men dit niet afweert met: zie je wel dat socialisten alles door de overheid geregeld willen zien. Daar gaat het mij niet om. Voor mij is de overheid geen doel, zij is hoogstens een middel. Ook voor mij is de idee van een alles verlammende staatsbureaucatie een gruwel. Ook voor mij is een samenleving zonder persoonlijke vrijheid onleefbaar. Alleen hebben bureaucratie en totalitarisme niets met socialisme te maken. Dat heeft er mee te maken dat gezien wordt dat een voedselcrisis hier, een directe link heeft met de derde wereld. Daar leest men bij Dewael niets over. Hij heeft het over de kennismaatschappij. Kennis is onze grondstof. We moeten ons toeleggen op nieuwe producten, diensten en processen. Er moet geïnvesteerd worden in onderwijs en er moet werk gemaakt worden van levenslang leren. Ik wil hier niet echt bij stilstaan, want behalve de idee dat er een netoverschrijdende website moet komen, trekt heel weinig in dat discours de aandacht. En het is dan nog een eerder armzalige idee. Het geheel is al te vaak opgewarmde kost. Ik vraag er alleen aandacht voor om er op te wijzen dat op geen enkel moment gevraagd wordt waar al die kennis moet voor dienen. Ik beweer niet dat er geen nieuwe producten, diensten en processen nodig zijn. Ik zou alleen willen weten waarover men het daarbij heeft. De manier waarop vandaag voedsel geproduceerd wordt gaat terug op kennis. Het is wel kennis die zich geen barst aantrekt van de resultaten, want wie betaalt heeft gelijk. Zolang men die vraag niet durft stellen zal men rotzooi blijven produceren.

De lezer vergeeft me de brutaliteit van mijn uitlatingen, maar ik ben te lang beleefd gebleven. Socialisme legt zich niet neer bij de plundering van de derde wereld. Socialisme wordt aangegrepen door een analyse als die van Dumont. Want het durft erkennen dat er waarheid in zit. Het durft beschaamd toegeven dat het Westen inderdaad een vorm van kannibalisme beoefent. En natuurlijk is er een gemeenschappelijke wortel tussen liberalisme en socialisme. En natuurlijk moet geprobeerd worden zo ver mogelijk samen stappen vooruit te zetten. Alleen komt er ergens een moment waar de wegen zich scheiden. Dat is het moment waar de analyse wel gevolgd kan worden, maar de uitvoering toch wat anders is. Spijtig dat ik ook vaak socialisten het onderscheid tussen analyse en uitvoering hoor benadrukken. Realisme of zelfs staatsmanschap heet dat. Dat ze dan maar overlopen naar de liberalen. Het is me een riem onder het hart dat alvast Norbert De Batselier wel droomt van een brede koepelpartij, maar vanuit een globaal denken, een groot ideaal. Hij noemt kennis de meest democratische vorm van macht, maar voegt eraan toe dat kennis gestuurd moet worden vanuit een maatschappelijk kader. Hij nodigt de liberalen niet uit om onder zijn koepel te schuilen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 4 (april), pagina 1 tot 2