Abonneer Log in

Regenboogcoalitie: de zon schijnt niet voor iedereen!

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 4 (april), pagina

Frank en Ann wonen samen, en hebben 2 kinderen. Hij werkt voltijds en verdient 80.000 BEF per maand. Ann werkt deeltijds en verdient 25.000 BEF. Als loontrekkenden betalen ze samen maandelijks meer dan 50.000 BEF aan sociale bijdragen. Ze betalen ook 20.000 BEF per maand af voor hun huis. Frank wordt echter langdurig ziek. Als invalide valt hij terug op amper 30.000 BEF per maand. Frank en Ann moeten hun huis verkopen, en komen moeilijk uit de kosten voor hun schoolgaande kinderen.
Heb je morgen pech en kan je niet meer werken, dan val je terug op amper 30.000 BEF per maand. Het kan ons allen overkomen.

Tussen 1980 en 1998 stegen de lonen (daggemiddelde RSZ) met 125,11%, de invaliditeitsuitkeringen met 86,35%, en de inflatie met 88,94%. De invaliden hebben dus niet mee genoten van de stijgende welvaart van de afgelopen decennia. Ze leverden zelfs bijna 3% in in koopkracht.
Een invalide trekt gemiddeld 28.000 BEF als hij alleen woont, 26.000 BEF als er nog iemand in het gezin is met een (klein) inkomen en 41.000 BEF als de invaliditeitsuitkering moet dienen om het hele gezin te onderhouden.
Cijfers van het Planbureau maken duidelijk dat alle mensen die van een uitkering moeten leven in hetzelfde schuitje zitten. De gemiddelde werkloosheidsuitkering bedroeg in 1980 42% van het gemiddelde loon. In 1999 was dat nog 28%. Dat betekent dat de werklozen er eenderde op achteruit gingen ten opzichte van het inkomen van hun werkende collega’s. In pure koopkracht verloren ze gemiddeld 27,22%.
De gemiddelde pensioenen vallen terug van 34% op 32% van het gemiddeld loon. Er is een groot verschil tussen de recentste pensioenen, berekend op recentere (hogere) lonen en langere beroepsloopbanen bij de vrouwen, en de oudere kleinere pensioenen die al langer ingegaan zijn en lager zijn. Er bestaan in geen geval ‘rijke werknemerspensioenen‘: het gemiddeld pensioen bedraagt 26.000 BEF, het hoogste individuele pensioen bedraagt 54.000 BEF.

Wie vandaag de pech heeft inactief te worden, is dus een sukkelaar. Volgens het armoederapport van Vande Lanotte steeg het percentage armen bij werkloze zieken en gezinshoofden tot 16 en 37%, een verdubbeling sinds 1985. Ook bij meerinkomensgezinnen met een pensioen of een werkloosheidsuitkering steeg de armoede, tot respectievelijk 10 en 15%. Dat is het gevolg van de talrijke besparingsmaatregelen in de sociale zekerheid en van het feit dat de uitkeringen en de (te lage) berekeningsplafonds al twintig jaar niet aangepast werden aan de reële lonen. De werknemers betalen nochtans hoge sociale bijdragen.

Hieronder de berekening voor iemand met het minimum maandloon, iemand met het gemiddeld arbeidersloon (70.000 BEF bruto), iemand met het gemiddeld bediendeloon (110.000 BEF) en een kaderlid (200.000 BEF bruto).
We berekenen ook de sociale uitkeringen die daar tegenover staan, voor een alleenwonende, na één jaar inactiviteit.

Deze cijfers zijn onthutsend: de arbeiders en de bedienden met een gemiddeld loon zijn slecht erzekerd, en dit ondanks de hoge sociale bijdragen die ze betalen.
Maar het geld van de werknemers wordt gebruikt voor andere doeleinden. De werkgevers kregen sinds 1994 bijkomend 114 miljard bijdrageverlaging. De ‘alternatieve financiering’, die dit zou moeten opvangen, steeg slechts met 60 miljard. Sinds het aantreden van deze regering (1999) kregen ze 75 miljard extra. De bijdragen van de werknemers gaan ook naar de afbetaling van de staatsschuld. De overheid komt slechts tussen voor 22% van de uitgaven van het werknemersstelsel. Dat is het laagste percentage sinds onze sociale zekerheid opgericht werd in 1945. Dat is ook - samen met Frankrijk - de laagste overheidstussenkomst in de E.G. Een ander deel van die bijdragen gaat naar ‘solidariteit’ met andere bevolkingscategorieën: de armen en de niet verzekerden, de gemengde gezinnen werknemers/zelfstandigen. De kost van het tewerkstellingsbeleid, dat vroeger ten laste van het overheidsbudget was, wordt nu integraal ten laste van het werknemersstelsel gelegd. Wetenschapslui zijn het erover eens: meer dan de helft van de uitgaven van onze sociale zekerheid gaan naar ‘solidariteit’. Zo betalen de loontrekkenden de kinderbijslag voor bijna 90% van het totaal aantal kinderen. En zij dragen ook de integrale kost van de gezondheidszorg van 9,1 miljoen Belgen. Een zware last, want de uitgave voor de medische sector steeg sinds 1995 met meer dan 200 miljard (meer dan 50%).
Dat de regering ons dus niet komt zeggen dat er onvoldoende geld is. Deze regering (en de vorige) heeft tot hiertoe gewoon andere keuzes gemaakt in de sociale zekerheid: tussen 1999 en 2001 stegen de bijdrageverminderingen met 75 miljard en de uitgaven van de medische sector met 65 miljard. Indien de regering geen bijkomende bijdrageverminderingen meer geeft, of deze integraal compenseert, voorziet het meerjarenbudget voor 2002 28 miljard, en tegen 2004 zelfs 52 miljard overschot.
De regering heeft ook andere keuzes gemaakt voor het overheidsbudget. Zo werd bijv. voor 170 miljard belastingvermindering beslist. De verschillende bevolkingscategorieën worden ook niet gelijkwaardig behandeld. Voor het zelfstandigenstelsel, dat niets betaalt voor andere bevolkingsgroepen en waarvoor de overheid toch veel meer subsidieert (35%) dan voor de werknemers (22%), staat een verhoging van de uitgaven met 15 à 20% op de politieke agenda. We kunnen dus geenszins aanvaarden dat er geen 50 à 60 miljard (= 4% van de uitgaven van het werknemersstelsel) zou kunnen gevonden worden voor een herstel van de sociale uitkeringen zoals geëist door meer dan 40 sociale organisaties, waaronder alle vakbonden en mutualiteiten.

Elke partij en elke organisatie die opkomt voor ‘gelijke kansen voor iedereen‘ zou steun moeten geven aan de eisen van de manifestatie van 20 mei. Samen met alle sociale organisaties in België, vraagt het ABVV dat alle sociale uitkeringen vanaf 1 januari 2002 zouden gekoppeld worden aan de reële lonen, zoals dat al het geval is in Nederland en Duitsland. Slechts op deze manier kunnen we voorkomen dat de uitkeringen verder achteruit gaan t.o.v. de evolutie van de gemiddelde welvaart in België. Alle sociale uitkeringen moeten een inhaaloperatie krijgen van 3% op 1 januari 2002. Voor de minima vragen we 6%. Dat is niet meer dan wat dit en volgend jaar ook geëist en/of toegekend wordt aan de ambtenaren of de werknemers van de privésector. Voor sommige groepen die zeer zwaar inleverden moet er een speciale inspanning gedaan worden, zowel voor hun uitkeringen als voor hun toegang tot de gezondheidszorg. Voor sommigen - we denken hier bijv. aan alleenstaande werklozen en invaliden, samenwonende werklozen, gezinshoofden met een partner met een klein inkomen - zijn deze maatregelen zeer noodzakelijk om hen terug een uitkering te geven die in verhouding staat met hun vroeger loon en om de armoede te bestrijden.

Het volstaat niet om de minima te verhogen

De verhoging met 10% van de bestaansminima, die minister Vande Lanotte aankondigde, zou tot gevolg hebben dat meer dan 924.000 uitkeringstrekkers, die sociale bijdragen betaalden gedurende gans hun actieve loopbaan, beneden dit verhoogde bestaansminimum zouden vallen. Men kan zich ook niet beperken tot de verhoging van alle sociale minima (niet alleen het bestaanminimum, maar ook de minima in de sociale zekerheid). Tenzij we morgen willen ontwaken in een Angelsaksisch model met (verhoogde) basisuitkeringen. Indien, vertrekkend van de huidige situatie, alleen de minima in de sociale zekerheid zouden verhoogd worden (b.v.met 10%) en de andere sociale uitkeringen dezelfde zouden blijven, dan zou de disproportionaliteit bijdrage/uitkering immers nog verder toenemen. Voor sommige categorieën (vooral in de werkloosheid) zou van vandaag op morgen zelfs nog enkel een basisuitkering overblijven. D.w.z. dat het (met 10%) verhoogde minimum het huidig maximum zou evenaren of zelfs overschrijden!
De evolutie naar een systeem van basisuitkeringen gaat trouwens razendsnel (en zonder politieke of sociale discussie). Nog slechts 33 % van de invaliden krijgt een uitkering als een percentage van het loon. In 1987 was dit nog 45%. Bij de werklozen is het nog slechter: slechts 15% van de werklozen krijgt nog een uitkering die een percentage is van het vroegere loon.

Daarom willen wij de onderlinge samenhang van alle eisen van ons actieplatform benadrukken.Sociale doeleinden worden slechts bereikt indien individueel en collectief belang convergeren. Of om het anders te zeggen: wij horen dagelijks onze leden protesteren tegen het feit dat ze weinig terugkrijgen in verhouding tot het bedrag aan sociale bijdragen dat ze betalen. Werknemers zijn en blijven slechts bereid om meer dan 50% sociale bijdragen op hun brutoloon te betalen en solidair te zijn met hun collega’s, indien ze daarvoor ook iets terug krijgen. Indien ze daardoor ook voldoende verzekerd zijn wanneer ze zelf geen werk en geen loon meer hebben. Anders wordt het draagvlak van onze sociale zekerheid uitgehold.
Het is door dit gebrek aan draagvlak bij de middengroepen dat het overblijvende sociale zekerheidssysteem in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zo gemakkelijk werd afgebouwd. Dat willen we vermijden, daarom willen de verdere verwording van een Bismarck- naar een Beveridge-systeem stoppen. Dat is onze 1-meiboodschap. De ultieme test om te evalueren of de lofzangen van de regenboogcoalitie voor het middenveld newspeak of realityspeak zijn. En om te weten hoe zwaar het gelijkheidsteken weegt in de daadwerkelijke beslissingen van deze regering.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 4 (april), pagina