Abonneer Log in

Vlaanderen voor het Blok?

Het electorale succes van extreemrechts herbekeken

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 4 (april), pagina 8 tot 16

Politieke analyses besteden doorgaans weinig aandacht aan de kenmerken van het electorale systeem als verklarende factoren voor de groei van extreemrechts. En dit terwijl het begrip electoraal succes onvermijdelijk verband houdt met de specifieke kenmerken van het kiesstelsel.

De Britse politieke wetenschappers Andrew Reeve en Alan Ware stellen terecht: ‘Electoral systems are not mere details but the key causal factors in determining outcomes.’1 In wat volgt trachten we een eenzijdige benadering bij te stellen en schetsen we een alternatieve interpretatie van het electorale succes van extreemrechts in Vlaanderen. Deze diagnose dient eigenlijk als inleiding voor het voornaamste doel van dit artikel: het zoeken naar een afdoende remedie om het electoraal succes van het Blok tegen te gaan.

De dramatische opgang van extreemrechts in de recente gemeenteraadsverkiezingen schepte opnieuw aanzienlijk onbehagen en ongeloof ten huize van de Belgische sociale en politieke elite. De (progressieve) vrees voor een bruine vloedgolf die ‘schoon Vlaanderen’ overspoelt, werd opnieuw bevestigd in verscheidene Vlaamse steden, met als uitschieters Antwerpen waar het Vlaams Blok maar liefst 33 procent van de stemmen binnenrijfde en Mechelen waar meer dan 26 procent van de stemformulieren naar extreemrechts ging.
De afgelopen verkiezingen bevestigden tevens een andere vrees van politiek Vlaanderen: het Vlaams Blok heeft blijkbaar nog lang haar electorale plafond niet bereikt. Waar het Vlaams Blok aan de verkiezingen deelnam ging haar procentueel stemmenaandeel bijna onveranderlijk de hoogte in. Sterker nog, de resultaten van de recente verkiezingen tonen aan dat het Blok tegenwoordig stemmen plukt uit het vaarwater van alle traditionele partijen. Het profiel van de gemiddelde Vlaams Blok-stemmer is in het laatste decennium verschoven van een marginaal naar een eerder mainstream beeld. Het wordt met andere woorden steeds moeilijker om de ‘typische’ Vlaams Blok-kiezer te typeren in het kader van de klassieke sociologische categorieën zoals sociale klasse en opleidingsniveau.

Waar moeten we de verklaring voor de extreemrechtse opgang in Vlaanderen (en Europa) zoeken? Wat verklaart met name de enorme variatie in de populariteit van het rechts extremisme in uiteenlopende Europese landen en, meer bepaald, het gebrek aan een sterk extreemrechts alternatief in Groot-Brittannië, Nederland en zelfs Wallonië? Alle studies wijzen erop dat een genuanceerde verklaring voor de groei van extreemrechts in Europa moet rekening houden met de combinatie van een viertal factoren. Ten eerste zijn er idiosyncratische factoren zoals het bestaan van historische conflictlijnen en het voorkomen van ‘random shocks’ die op cruciale momenten de politieke agenda en het publieke debat bepalen. Een tweede factor zijn partijkenmerken zoals het mobiliserende potentieel van extreemrechtse organisaties of het charisma van politieke tenoren. Ten derde spelen bepaalde kenmerken van het electoraat een belangrijke rol, met name de affiniteit van de kiezer met bepaalde politieke en ideologische standpunten. Een vierde belangrijke factor, tenslotte, is het kiesstelsel: de wetten en reglementen die het kiesproces reguleren, van het bestaan van registratieprocedures en andere kiesdrempels, de nominatie van kandidaten tot de wijze waarop de stemuitslag wordt vertaald in een bepaalde zetelverdeling.

De sociale voedingsbodem van extreemrechts

In een artikel waarin zij de stemverschuivingen op 24 november 1991 trachten te duiden, wijzen Billiet, Swijngedouw en Carton terloops op de rol die de veranderde leefwereld speelt in het begrijpen van het kiesgedrag.2 We bouwen in deze bijdrage verder op dit inzicht.
De eminente Duitse socioloog Ulrich Beck beschrijft in zijn invloedrijk boek Risikogesellschaft de transitie van de Westerse industriële samenleving, gekenmerkt door conflicten rond de productiefactoren arbeid en kapitaal, naar een nieuwe moderniteit waarin radicaal nieuwe thema’s het publieke en politieke discours bepalen.3 Waar de naoorlogse ‘welvaartsstaat’ zich voornamelijk kenmerkt door de productie en verdeling van welvaartsgoederen wordt de nieuwe ‘risicostaat’ gekarakteriseerd door de productie en verspreiding van (globale) risico’s. De verspreiding van nieuwe communicatietechnologieën maakt vervolgens dat informatie omtrent deze risico’s relatief makkelijk ter beschikking staat van de grote massa. Nieuwszenders zoals CNN, BBC World, en EuroNews - alsook het nieuwe supermedium, het internet - brengen de klok rond verslag uit van gebeurtenissen uit uiteenlopende hoeken van de wereld, met als voornaamste gevolg dat ook de nieuwe risico’s sneller onder de aandacht van het publiek komen. Het voorbeeld van de dioxinecrisis spreekt boekdelen: dagenlang werd in de Belgische pers bericht over het hoe en waarom van zware metalen in ons voedsel.
Op psychologisch vlak zorgt de toenemende berichtgeving omtrent risico’s voor een revolutie in de behoeftehiërarchie van de burger, met op kop een herwaardering van de zogenaamde veiligheidsnoden (stabiliteit en zekerheid).4 Studies over het onveiligheidsgevoel tonen aan dat de subjectieve ervaring van onzekerheid niet noodzakelijk correspondeert met een objectieve toename van risico’s, maar sterk wordt beïnvloed door de voortdurende aandacht die de media eraan besteden. Op sociaal-maatschappelijk vlak moet de informatievloedgolf deels verantwoordelijk worden gehouden voor het totstandkomen van een ‘gemeenschap van angst en frustratie’: angst voor de destructieve impact van de nieuwe risico’s in het dagelijkse leven alsook frustratie over de bestaande machtstructuren, met name de ontkenning en trivialisering van de nieuwe risico’s door het politieke establishment. De vraag stelt zich nu hoe de doorsnee burger deze gevoelens van politieke frustratie kanaliseert, en welke kanalen zich aanbieden binnen het bestaande bestel?

Politieke expressie en de rol van het electorale systeem

Een belangrijke functie van de politiek is het aanbieden van aangepaste kanalen om de frustraties te uiten die ontstaan uit gevoelens van sociale onmacht en ontevredenheid. Politiek is in de eerste plaats een kwestie van expressie en niet noodzakelijk, zoals voornamelijk door rationele keuzetheorieën wordt gesteld, een kwestie van het (indirect) bevredigen van persoonlijke belangen.5 Men kan politieke activiteiten zoals het verkiezen van een volksvertegenwoordiger grotendeels vergelijken met het juichen voor de favoriete ploeg in sportmanifestaties. ‘Juichen’ is een activiteit die in grote mate te verklaren is vanuit de interne bevrediging die een dergelijke expressieve uiting met zich meebrengt. Weinig supporters menen dat hun gejuich een direct effect zal hebben op de uiteindelijke uitslag van de wedstrijd. Zo ook met de politiek: de kans dat één enkele stem bij de stembusgang een doorslaggevend verschil uitmaakt is uiterst klein. De reden waarom mensen stemmen moet dan ook begrepen worden vanuit de expressieve waarde die dergelijke politieke uitgingen met zich meebrengt. Voortbouwend op de ‘expressieve theorie van het politieke handelen’ kunnen we nu het electorale succes van een extreemrechtse partij zoals het Vlaams Blok duiden.

In electorale studies wordt een belangrijk onderscheid gemaakt tussen ideologisch en niet-ideologisch gemotiveerd stemgedrag. De ideologisch gemotiveerde kiezer vindt zich in grote mate terug in het programma van het Vlaams Blok. Hij of zij stemt extreemrechts omdat de partij beleidspunten voorstaat die hem of haar nauw aan het hart liggen en dit in tegenstelling tot de niet-ideologische gemotiveerde kiezer. In hoeverre bestaat het Vlaams Blok-kiezerscorps uit ideologisch gemotiveerde kiezers? Een studie van Jaak Billiet en Hans De Witte geeft aan dat een keuze voor het Vlaams Blok voornamelijk berust op één substantieel beleidspunt in het extreemrechtse manifest, namelijk negatieve attitudes ten aanzien van allochtonen.6 Billiet en De Witte geven in dezelfde studie aan dat het gros van Vlaams Blok-kiezers niet op die partij stemt omwille van diepgaande extreemrechtse attitudes. Met andere woorden, spreken van een brede ideologische verankering van het electoraat in het Vlaams Blok-programma gaat niet op.
Het analyseren van het Vlaams Blok-kiezercorps gebeurt volgens ons beter langs niet-ideologische lijnen. Dit brengt ons tot de proteststemmers, kiezers die bij de stembusgang Vlaams Blok-stemmen uit protest met de manier waarop het traditionele politieke bedrijf opereert eerder dan uit algemene instemming met de beleidsvoorstellen van het Blok. De proteststemmer verwijt het politieke bestel - vaak terecht, soms ook onterecht - de voortdurende ontkenning en trivialisering van de nieuwe risico’s en hekelt een beleid van ‘cosmetische ingrepen’. In lijn met de expressieve theorie van het politieke handelen is deze burger voortdurend op zoek naar een manier om zijn of haar frustraties een gepaste politieke uitdrukking te geven. Rest ons enkel de vraag: waarom geeft de gefrustreerde burger uitdrukking aan zijn protest door bij de verkiezingen Vlaams Blok te stemmen? Drie factoren spelen ons inziens hier een rol.
De eerste twee factoren zijn algemeen bekend. Een partij zoals het Vlaams Blok spreekt een duidelijke taal die tegemoet komt aan de noden en eisen van de burger voor zekerheid en stabiliteit. De extreemrechtse retoriek van exclusivisme - de uitsluiting van het vreemde ten voordele van de eigen groep - sluit perfect aan bij het psychologische profiel van de gefrustreerde burger. Het overheersende anti-immigratiestandpunt van vele niet-ideologische Vlaams Blok-kiezers kan aanzien worden als een verdedigingsmechanisme, waarbij gevoelens van onbehagen de negatieve attitudes ten overstaan van immigranten versterken. Via een proces van cognitieve rationalisering worden allochtonen bestempeld als de zondebokken bij uitstek voor alle problemen in de risicosamenleving. Vervolgens is er ook het politieke gegeven dat het imago van extreemrechts in Vlaanderen niet aangetast is door enige bestuursverantwoordelijkheid. Onder meer door toedoen van het cordon sanitaire heeft de partij zich inderdaad nooit hoeven te bewijzen op het beleidsniveau, wat haar in staat stelt zich te profileren als een partij met pasklare ‘oplossingen’.

Een derde reeks factoren heeft minder te maken met het Vlaams Blok zelf, maar wel met de institutionele context waarin het Blok opereert. Zoals eerder gesteld, willen we hier benadrukken dat institutionele factoren een centrale rol spelen bij het electoraal vertalen van politieke frustratie in een expressieve stem voor extreemrechts. Binnen het bestaande Belgische kiesstelsel en de praktijk van coalitieregeringen wordt politieke frustratie vandaag bijna automatisch afgeleid in de richting van het Vlaams Blok. Om te beginnen is er de opkomstplicht, waardoor de mogelijke kosten7 verbonden aan het uitdrukken van protest kunnen worden verwaarloosd. De opkomstplicht verhoogt in zekere zin het expressieve rendement van een goed uitgebrachte stem. Maar dit veronderstelt uiteraard dat het kiesstelsel de burger een doeltreffend alternatief moet aanbieden om als kiezer zijn of haar onvrede te uiten. En hier wringt het schoentje in de Vlaamse context.
Ten eerste, blanco of ongeldig stemmen wordt eenvoudigweg niet ervaren als een adequate vorm van politieke expressie.8 Volgens de expressieve theorie van het politieke handelen is het immers niet voldoende een stem te onthouden aan de traditionele partijen, maar is het belangrijk zich tevens te uiten - en gehoord te worden - als verontruste burger! Dit betekent dat een proteststem een zekere politieke dreiging aan het adres van het establishment moet inhouden vooraleer deze in aanmerking komt als medium van expressie. Dit leidt onmiddellijk tot een tweede probleem: behalve het Blok kan geen enkele Vlaamse partij vandaag als een echte protestpartij aanzien worden juist omdat zij geen dreiging vormen voor het establishment. Het is in dit kader dat de mislukking van de groene beweging en haar politieke vleugel kan worden gesitueerd. De Groenen vormen geen afdoende bedreiging voor het establishment - of worden althans niet zo aanzien - waardoor ze als het ware worden gediskwalificeerd als protestpartij. Met andere woorden, volgens onze analyse is het electorale succes van het Vlaams Blok grotendeels te verklaren door het gebrek aan een écht alternatief voor de expressieve proteststemmer.

Conventionele maatregelen tegen extreemrechts

Een correcte diagnose van het extreemrechtse fenomeen is een noodzakelijke voorwaarde om te komen tot een goede strategie ter bestrijding van het Vlaams Blok. Sinds Zwarte Zondag bestaat de voornaamste politieke strategie uit de uitsluiting van het Blok op het beleidsniveau - het beruchte cordon sanitaire. Maar gezien het gebrekkige resultaat van het ‘cordon’ werden recent een aantal alternatieve strategieën voorgedragen. Alvorens ons eigen voorstel uit de doeken doen, willen we deze conventionele initiatieven even nader evalueren en hun onvermogen als strijdmiddel tegen extreemrechts duiden.

  1. Cordon sanitaire. In antwoord op de toenemende electorale aantrekkingskracht van extreemrechts gingen klassieke Europese politieke kaders begin jaren negentig over tot het fnuiken van de extreemrechtse politieke stem - het cordon sanitaire was geboren. De procedure was aantrekkelijk in zijn eenvoud: sluit de rangen en maak hierbij de politieke emanatie van extreemrechts monddood. Maar het cordon is uitermate inefficiënt en het buiten spel zetten van het extreemrechtse electoraat komt bij elke volgende stembusgang als een boemerang terug in het gezicht van de traditionele politieke partijen. Daarbij komt nog dat het cordon hoe langer hoe meer een kwalijk antidemocratisch bijsmaakje krijgt: het systematisch uitsluiten van een partij die tot 33 procent van de stemmen behaalt, is moeilijk verenigbaar met de democratische principes van politieke gelijkheid en de integratie van alle burgers in het politieke proces.9 Het bestrijden van een antidemocratische partij met een antidemocratische maatregel getuigt van een dubbele politieke moraal.

  2. Constitutioneel verbieden van extreemrechts. Een radicale variant op het cordon is het constitutioneel verbieden van extreemrechts, een strategie die momenteel in Duitsland opgang maakt. Deze strategie lijkt ons in de Vlaamse context opnieuw weinig effectief en er zijn aanzienlijke normatieve en praktische bezwaren aan verbonden. Men moet zich eerst en vooral opnieuw de vraag stellen in hoeverre een democratisch bestel verenigbaar is met het verbieden van politieke partijen. De Duitse context verschilt uiteraard grondig van de Belgische situatie omdat extreemrechts in Duitsland uiterst gewelddadig optreedt en zich inlaat met tal van criminele activiteiten (o.a. het brandschatten van woningen van buitenlanders). Het Vlaams Blok heeft het op strategisch vlak heel wat slimmer gespeeld door zich van kindsbeen af veel moeite te getroosten om zijn radicaal-militante achterban in het gareel te houden en zich hierdoor een zekere salonfähigkeit eigen te maken. Tot de praktische bezwaren horen onder meer de economische kosten van dit initiatief. Het verzamelen van adequaat bewijsmateriaal en het uitvechten van een justitiële ‘oorlog’ in de daartoe geëigende arena’s vergen veel tijd en nog meer kapitaal. Kosten die volgens ons geenszins opwegen tegen de te verwachten baten van het initiatief.

  3. Afschaffen van de opkomstplicht. Meer recent wordt in de Belgische context de afschaffing van de opkomstplicht naar voren geschoven als wondermiddel tegen het rechts extremisme.10 Dit voorstel is gebaseerd op de expliciete veronderstelling dat vooral het Vlaams Blok-kiezerscorps zal thuisblijven. Dit kiezerscorps zou traditioneel behoren tot een welbepaald sociaaleconomische segment van de bevolking - laaggeschoold, niet-kapitaalkrachtig, etc. - dat volgens tal van analyses inderdaad eerder geneigd is niet aan de verkiezingen deel te nemen.11 Men kan zich om te beginnen opnieuw vragen stellen bij het democratisch gehalte van dit argument. Paradoxaal genoeg werd het meervoudig kiesrecht eertijds gepromoot om redenen die grotendeels gelijk lopen met de argumentatie met betrekking tot het Blok: de vrees dat de ‘domme massa’ de politieke verantwoordelijkheid niet aankan is blijkbaar reden genoeg om haar politieke participatie te fnuiken.
    Maar daarbij komt nog dat het Blok (en extreemrechts in het algemeen) juist bekend staat om zijn sterk mobiliserende capaciteit en zijn trouwe kiezers. Bovendien vinden we, zoals eerder gesteld, de Vlaams Blok-kiezer tegenwoordig terug in alle lagen van de Vlaamse bevolking. Deze argumenten ondermijnen de idee als zou een vrijwillig kiesstelsel de ‘typische’ Vlaams Blok-kiezer demobiliseren. Indien een significante subgroep Vlaams Blok-kiezers overwegend expressieve proteststemmers zijn, is het te verwachten effect van een afschaffing van de opkomstplicht eerder marginaal. Een meer realistische projectie lijkt ons dat de afschaffing van de stemplicht veeleer een effect zal hebben op de twijfelende kiezers van de traditionele partijen, hetgeen het Vlaams Blok electoraal in de kaart speelt.

  4. Migrantenstemrecht. Een ander recent voorstel, het invoeren van het migrantenstemrecht, lijkt ons al even problematisch. Het migrantenstemrecht dient geëvalueerd te worden op onafhankelijke gronden en er zijn ongetwijfeld goede democratische redenen te vinden om het in te voeren, maar als strijdmiddel tegen extreemrechts lijkt het ons contraproductief. Dirk Jacobs heeft berekend dat indien het migrantenstemrecht vóór 8 oktober in Antwerpen was ingevoerd, dit het stemmenaantal van het Blok van 33 tot 30 procent had teruggebracht.12 Een dergelijk resultaat kan bezwaarlijk als effectief worden gekarakteriseerd. Meer nog, men mag verwachten dat bij de invoering van het migrantenstemrecht, de huidige trend om migranten als zondebok voor alle problemen af te schilderen, nog zal toenemen. Dit versterkt het gevoel van angst en onzekerheid en vervolgens het anti-immigratiestandpunt - iets wat extreemrechts uiteraard in de kaart speelt. Kortom, ongeacht de democratische voordelen van het migrantenstemrecht, lijkt het ons geen afdoend strijdmiddel tegen het Blok.

  5. Toekennen van bestuursverantwoordelijkheid. Tot slot wordt in sommige kringen geargumenteerd dat de toekenning van bestuursverantwoordelijkheid aan extreemrechtse partijen een afdoende remedie inhoudt. Indien het cordon wordt doorbroken, zo wordt gesteld, zal immers snel blijken dat het Vlaams Blok niet geschikt is als bekwame bestuurder en zich zal verplicht zien zijn extremistische beleidsvoorstellen pragmatisch bij te stellen. Maar het is helemaal niet zeker dat dit denkspoor de verwachte resultaten zal afwerpen. Eerst en vooral moet worden opgemerkt dat het onwaarschijnlijk lijkt dat het Vlaams Blok zijn beleid zal afzwakken. Het is algemeen gekend dat de extremistische punten van het Vlaams Blok-programma eerder binnenshuis worden uitgespeeld om de meer gematigde kiezer niet af te schrikken.13 Tegelijkertijd kan het Vlaams Blok zich moeilijk veroorloven zijn extremistische kernpunten te laten varen. Dit zou de militanten tegen de haren in strijken en mogelijk leiden tot een schisma binnen de partij. Men mag dus eerder verwachten dat het Vlaams Blok zich strategisch zal opstellen en zich niet hals over kop in het beleid zal storten - temeer omdat de partij in grote mate reeds de agenda bepaalt rond de voor haar meest relevante beleidspunten, de staatshervorming en de immigratiewetgeving.
    Indien het Vlaams Blok binnen een coalitie zou worden opgenomen zijn er twee scenario’s denkbaar, elk al even onaantrekkelijk. In een eerste scenario leidt het extremisme van het Blok binnen het beleid onvermijdelijk tot een secundaire vorm van marginalisatie - een ‘intern’ cordon, als het ware -, waarbij de Vlaams Blok-standpunten steeds worden verdrukt. Hierbij komt de partij natuurlijk opnieuw in de positie van de underdog terecht en vormt bij de volgende stemgang voor de proteststemmer opnieuw de uitgelezen kandidaat. In een tweede scenario probeert de coalitiepartner dit te vermijden door een deel van de Vlaams Blok-agenda te verwezenlijken. Maar een dergelijke strategie is eveneens onwenselijk omdat de democratische kosten van een op extreemrechtse leest geschoeid beleid exuberant zijn. De extreemrechtse beleidsagenda druist immers regelrecht in tegen de democratische grondvesten van Westerse politieke regimes. Naar aanleiding van de publicatie van het 70-punten programma werd reeds in 1992 in het Parlement een motie ingediend, gesteund door alle andere partijen, die het Vlaams Blok-programma veroordeelde als in strijd met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.14

De dispuutstem als strategie tegen extreemrechts

Bestaat er een alternatieve remedie voor de extreemrechtse ‘plaag’? Ons antwoord op deze vraag is een éénduidig ‘ja’. Als het probleem er één is van gebrekkige electorale kanalen, dan lijkt (een deel van) de oplossing het aanreiken van dergelijke kanalen. Ons antwoord op de electorale opmars van extreemrechts situeert zich in een grondige herziening van het Belgische kiessysteem: meer bepaald, het amenderen van het huidige kiesstelsel door het invoeren van een dispuutstem. In dit voorstel heeft de kiezer bij de stemgang naast de lijststem en voorkeurstem ook de mogelijkheid om een stem uit te brengen die expliciet uitdrukking geeft aan zijn of haar onvrede met de bestaande politieke structuren. Via de ‘dispuutstem’ laat de kiezer op een expressieve wijze weten dat hij of zij zich al dan niet terugvindt in de beschikbare alternatieven.
Zoals eerder vermeld geeft de literatuur aan dat een extreemrechtse stem zowel een indicatie kan zijn van ernstige onvrede met de bestaande politieke alternatieven - het uiten van protest bij de stembusgang - als een bewuste keuze vóór het extreemrechtse alternatief - een duidelijke keuze gebaseerd op een rationele evaluatie van de aanwezige alternatieven op het beleidsniveau. Voor de proteststemmer komt een radicalisering van de electorale keuzeset tegemoet aan de nood om uitdrukking te geven aan zijn of haar politieke frustratie. Het radicaliseren van de electorale keuzeset vervult dus vooral een belangrijke politieke signaalfunctie. Het is in haar rol als ‘politiek signaal’ dat we de herwaardering van de expressieve proteststem moeten zoeken: de legitimiteit van een politieke coalitie wordt niet langer uitsluitend bepaald door ‘ruwe’ electorale cijfers, maar tevens door haar resultaat in verhouding tot het aantal dispuutstemmen. Indien proteststemmers niet langer een partijpolitiek alternatief dienen te gebruiken als signaal voor hun frustratie en onvrede, en een deel van het Vlaams Blok-kiezerscorps langs protestlijnen kan worden gekarakteriseerd, betekent dit uiteraard ook dat het Vlaams Blok tijdens het electorale treffen aan de dispuutstem zal verliezen.15
Merkwaardig genoeg heeft ook de ideologisch gemotiveerde Vlaams Blok-stemmer baat bij de invoering van de dispuutstem. Het uitzuiveren van proteststemmers heeft als effect dat ‘echte’ Vlaams Blok-kiezers een herwaardering vinden binnen de partij. Zo is het opvallend dat het Vlaams Blok de afgelopen jaren heeft getracht haar meer radicale elementen te controleren in een poging om de meer gematigde aanhang niet te verliezen. Het salonfähig maken van het Vlaams Blok behoort, terecht, tot de meest indrukwekkende operaties in de Vlaamse partijpolitiek. Maar dit gaat uiteraard ten koste van de Vlaams Blok-militant, die het algemene succes van de partij moet afwegen tegen zijn of haar ideologische voorkeuren. Hoewel de partij er zelf op achteruitgaat heeft de dispuutstem alleszins het effect dat de radicale extremist zich beter thuis voelt in ‘zijn’ partij.
In de specifieke context van de opkomstplicht, zoals in België, vervult de dispuutstem trouwens ook een belangrijke onafhankelijke legitimerende functie: de kiezer is niet langer ‘verplicht’ om een keuze te maken tussen verschillende partijpolitieke alternatieven. De voorgestelde radicalisering van de electorale keuzeset geeft immers zowel aanleiding tot een nieuw electoraal initiatief (een versterking van de ‘vrijheid van keuze’) als tot een inhoudelijk verschillend alternatief (een versterking van de ‘vrijheid van opties’).16 Op electoraal-institutioneel vlak zorgt de dispuutstem dus voor een herwaardering van een centraal democratisch organisatieprincipe. Dit is een belangrijk punt in de Belgische context, omdat wegens het gebrek aan een gelijkaardige extreemrechtse dreiging in Wallonië, het invoeren van de dispuutstem in nationale of Europese verkiezingen op onafhankelijke gronden moet worden verantwoord.

Hoe geloofwaardig is de invoering van de dispuutstem als middel om de politieke frustratie van de ontevreden burger te kanaliseren? Veel hangt hier uiteraard af van het ‘expressieve gehalte’ van de dispuutstem, hoe ze institutioneel wordt onderbouwd, en met name welke consequenties het kanaliseren van proteststemmen met zich mee brengt voor de gevestigde orde. Deze aspecten van het model vragen natuurlijk om nader onderzoek. Maar we kunnen met enige zekerheid zeggen dat, om geloofwaardig over te komen, de kwantitatieve boodschap (‘x aantal dispuutstemmen bij een verkiezing’) in ieder geval een aanzet moet geven tot specifieke politieke initiatieven die zich richten op de heersende politieke frustratie. In het postelectorale tijdvak kan dit bijvoorbeeld een praktische vertaling vinden in het opzetten van adequate structuren ter remediëring van de nieuwe veiligheidsnoden - denk aan onderzoekscommissies, ombudsdiensten, of lokale studiegroepen.
In deze bijdrage hebben we getracht uiteen te zetten hoe het electorale succes van een extreemrechtse partij zoals het Vlaams Blok moet worden gezien in het licht van een sociale voedingsbodem die vervolgens wordt gekanaliseerd langs specifieke institutionele gegevens. Het is de institutionele component die ons toelaat om niet alleen de consolidatie van het Vlaams Blok te duiden, maar tevens een uitweg te bieden om de opmars van het Blok tegen te gaan en op termijn misschien zelfs om te keren. Uiteraard behoeven de basisveronderstellingen van dit model, de politieke achtergrond die nodig is om dergelijke hervormingen door te voeren, en de verwachtte effecten op de Vlaamse politiek, een nadere analyse.17 Laat ons afsluiten met op te merken dat meerdere landen (o.a. Australië en verscheidene staten in de VS) hun burgers de electorale optie van een ‘no preference’ of een ‘none of the above vote’ verlenen - een stem waarmee de kiezer aangeeft dat hij of zij zich niet terugvindt in de beleidsagenda’s van de aanwezige politieke alternatieven. De dispuutstem staat dus zeker niet alleen in het internationale electorale landschap.

Noten
1. Andrew Reeve and Alan Ware (1992) Electoral Systems: A Comparative and Theoretical Introduction. London: Routledge, p. 7.
2. Jaak Billiet, Marc Swijngedouw, Ann Carton (1993) ‘Protest, ongenoegen en onverschilligheid op 24 november ... en nadien’, Res Publica, 35, pp. 221-235.
3. Ulrich Beck (1986) Risikogesellschaft: Auf dem Weg in eine andere Moderne. Frankfurt am Main: Suhrkamp Verlag.
4. Abraham H. Maslow beschrijft het bestaan van een individuele behoeftehiërarchie in (1954) Motivation and Personality. New York: Harper & Row.
5. Zie met name Geoffrey Brennan en Loren Lomasky (1993) Democracy and Decision: The Pure Theory of Electoral Preference. Cambridge: Cambridge University Press.
6. Jaak Billiet en Hans De Witte (1995) ‘Attitudinal Dispositions to Vote for a “New” Extreme Right-Wing Party: The Case of “Vlaams Blok”’, European Journal of Political Research 27: 181-202.
7. Dit zijn de voting costs die centraal staan in rationele keuzemodellen van het stemgedrag en die de basis vormen van de zogenaamde rational voter paradox.
8. Met het invoeren van elektronisch stemmen wordt ongeldig stemmen bovendien onmogelijk gemaakt.
9. Dit is zeker het geval wanneer men ‘politiema’, American Political Science Review, 91, p. 1-14.
10. Financieel Economische Tijd 10-10-2000.
11. Zie met name Arend Lijphart (1997) ‘Unequal Participation: America’s Unresolved Dilemma’, American Political Science Review, 91, p. 1-14.
12. Knack 30ste jaargang nr. 42 van 18 tot 24 oktober 2000.
13. Hans De Witte ‘On the ‘Two Faces’ of right-wing extremism in Belgium’, Res Publica.
14. Marc Swyngedouw (1998) ‘The Extreme Right in Belgium: Of a Non-existent Front National and an Omnipresent Vlaams Blok’, in Hans-Georg Betz and Stefan Immerfall (reds.).The new politics of the Right. New York: St. Martin’s Press.
15. Het is uiteraard mogelijk dat de traditionele partijen ook ‘potentiële’ proteststemmers herbergen die bij de invoering van de dispuutstem eveneens hun ontevredenheid via een uitdrukkelijk protest laten horen. Om redenen die we hier niet verder uitwerken denken we dat dit enkel het democratisch gehalte van een electoraal systeem kan verhogen.
16. Zie Eckhard Jesse (1990) Elections: The Federal Republic of Germany in Comparison. New York: Berg, pp. 21-24.
17. Wat de politieke achtergrond betreft, moeten we zowel de medewerking van de traditionele politieke partijen als een sensibilisering vanwege de media verzekeren.
18. Beide auteurs zijn aspiranten bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen (FWO) en doctorandi aan het Government Department, London School of Economics and Political Science. Dit artikel was geschreven terwijl Jurgen De Wispelaere een Social and Political Theory Program Visitor was aan de Research School of Social Sciences, Australian National University, en Michaël Wagemans een Visiting Research Fellow aan het Institute of Political Science, University of Oslo. We danken beide instituties voor een stimulerende academische omgeving. Dank ook aan Geoffrey Brennan, Rachel Gibson en Bob Goodin voor menige discussie.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 4 (april), pagina 8 tot 16