Abonneer Log in

België en het Europees voorzitterschap

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 5 (mei), pagina 9 tot 16

We weten het onderhand: in de tweede helft van 2001 is België voorzitter van de Europese Unie. En daar lijkt een hele rage rond te ontstaan. Deze Europamanie heeft voordelen, maar schept ook verwachtingen die niet kunnen worden ingelost: een voorzitterschap dient niet om snel van alles te fiksen. Een te voluntaristische kijk is misplaatst. In deze bijdrage bekijken we wat een voorzitterschap precies inhoudt, wat de macht van een voorzitter is en vooral waar zijn beperkingen liggen.

Vanaf juli zullen Belgische ministers, diplomaten en ambtenaren plaatsnemen aan het hoofd van de Europese vergadertafels, voor de elfde keer sinds 1958 (de oprichting van de EEG)1. En dat zullen we geweten hebben. Er ging de voorbije maanden haast geen dag voorbij of een of andere groep kwam in het journaal of in de kranten vertellen wat zij verwachten van dit voorzitterschap: de derdewereldbeweging, bloemenkwekers, restaurant- en snackbaruitbaters, apothekers, studenten, landbouwers, staalarbeiders en concertorganisatoren, allemaal bleken ze een verlanglijstje te hebben. In de Wetstraat deed men vrolijk mee: ecotaksen, Tobintaks, armoede, pensioenen, goedkope elektriciteit, het Europees leger … ‘Allemaal aartsmoeilijke dossiers die we binnenkort eens in Europees verband zullen regelen’, is de teneur op menig ministerieel kabinet of in de parlementaire wandelgangen. Officiële teksten worden geleidelijk iets voorzichtiger, maar in het publiek voelen weinig politici zich geroepen de pret te bederven (dus de verwachtingen te temperen).
Er werd in ons land zelden zoveel over Europa gesproken als de voorbije maanden. Op zich is dat een goede zaak. Het doet het besef toenemen dat Europa op talrijke domeinen, soms aarzelend, soms doortastend, de bakens zet of zou kunnen zetten (van dodehoekspiegels tot defensie, van hulp aan Congo tot havendiensten, van nitraat in het water tot liberalisering van openbare nutsbedrijven). Niet alleen bij de publieke opinie, maar ook bij de politieke klasse komt eindelijk het inzicht dat Europa belangrijk is. Maar deze Europa-hype heeft een schaduwzijde: het beeld dat over het voorzitterschap wordt opgehangen, klopt namelijk niet helemaal. En daardoor zijn de verwachtingen wat hoog gespannen.

Een Europees voorzitter en zijn taken

Het voorzitterschap wordt uitgeoefend voor zes maanden, volgens een beurtrol die voor een aantal jaren is vastgelegd en waarbij elke lidstaat gelijk aan bod komt. Eigenlijk is het niet correct om te spreken over het ‘voorzitterschap van de Europese Unie’. Het voorzittende land zal namelijk niet de Europese Commissie, het Europees Parlement of het Hof van Justitie voorzitten. Het voorzitterschap heeft voornamelijk betrekking op de Raad. In de Raad vergaderen, al naargelang de punten die op de agenda staan, de ministers van landbouw, leefmilieu, transport, volksgezondheid, economie en financiën, enz. van de vijftien lidstaten. Heel fundamentele en meer horizontale kwesties worden besproken in de Raad Algemene Zaken, die uit de ministers van buitenlandse zaken bestaat. Het zijn deze vergaderingen die in de tweede helft van het jaar telkens door Belgische ministers zullen worden geleid. Met inbegrip van enkele informele bijeenkomsten zal het om een vijftigtal vergaderingen gaan.
Ook de werkgroepen en comités die de ruggengraat van de Raad vormen en het werk van de ministers voorbereiden (en die vaak de belangrijkste knopen doorhakken) zullen worden voorgezeten door Belgische vertegenwoordigers, vaak diplomaten en medewerkers van de Belgische Permanente Vertegenwoordiging (zeg maar de Belgische ambassade bij de Europese Unie). Het gaat hier om een paar honderd groepen: van de high level-groep met betrekking tot asiel en migratievraagstukken, over de groep textielvezels (zijderupsen) in het kader van de Landbouwraad en de ad hoc-groep biodiversiteit in de schoot van de Leefmilieuraad, tot de werkgroep Audiovisuele Zaken van de Cultuurraad. Het Coreper, dat als ‘tussenschot’ fungeert tussen de technische werkgroepen en de formele Raden, zal worden voorgezeten door de Belgische Permanente Vertegenwoordiger of zijn adjunct.
Ten slotte zit een voorzitter ook de Europese Raad voor: het sterk gemediatiseerde evenement, waar de staatshoofden en regeringsleiders de grote politieke krijtlijnen uittekenen. In oktober is er zo een informele bijeenkomst gepland in de Gentse Sint-Pietersabdij. Top of the bill wordt de decemberbijeenkomst in Laken.

Wat wordt er in deze context van een voorzitter verwacht?

In de eerste plaats eerder organisatorische en technisch-administratieve zaken: het leiden van de debatten en het ondertekenen van verslagen en besluiten. Het is ook de voorzitter die beslist hoeveel tijd er aan een bepaald punt wordt besteed en wanneer tot een stemming wordt overgegaan. Honderden vergaderingen zullen tussen juli en december 2001 dus letterlijk worden voorgezeten door Belgische ministers, diplomaten, medewerkers van de Permanente Vertegenwoordiging, … Op al deze vergaderingen moet bovendien ook nog eens de Belgische zetel worden ingenomen door andere Belgische ministers, diplomaten en medewerkers. Meestal neemt de vertegenwoordiger van het voorzittende land in de vergaderingen echter een low profile aan of werkt hij samen met de voorzitter.
In de tweede plaats is het de voorzitter die de (voorlopige) agenda van deze vergaderingen bepaalt.2 Uiteraard gebeurt dit niet in laatste instantie. Maanden op voorhand leggen de verschillende ministers, elk voor hun eigen domein, hun prioriteitenlijst neer met inbegrip van de voorlopige agenda’s van de Raden die zij zullen voorzitten. Indirect wordt hiermee ook in belangrijke mate de agenda van de voorbereidende werkgroepen bepaald. Omdat het bepalen van de agenda’s min of meer gecoördineerd wordt (meestal door het departement buitenlandse zaken), zal een voorzitter waar mogelijk ook streven naar een zekere afstemming tussen de verschillende beleidsdomeinen: een ‘rode draad’ in de werkzaamheden. Dit alles vindt onder meer zijn neerslag in het ‘werkprogramma’ dat een voorzitter opmaakt en bij het begin van zijn voorzitterschap aan het Europees Parlement voorstelt. Op het eerste zicht beschikt een voorzitter via deze agenda-setting over een grote macht. Hij kan nieuwe dossiers op de agenda schuiven en zwijgen over dossiers waarvoor hij geen belangstelling heeft. In realiteit is deze vrijheid niet zo groot en moet deze initiërende of (omgekeerd) werende functie ernstig worden gerelativeerd. Dat punt is belangrijk genoeg om er later in deze bijdrage op terug te komen.
Ten derde, en dit is misschien wel de belangrijkste functie, wordt van de voorzitter een bemiddelende rol verwacht. Een voorzitter moet compromissen smeden. Via bemiddelingsvoorstellen moet hij zoveel mogelijk lidstaten trachten te overtuigen en zoeken naar de grootste gemene deler. Bovendien is hij de go-between tussen de lidstaten en de andere instellingen (Commissie, Europees Parlement). Uit deze bemiddelende functie kan een voorzitter doorgaans het meeste prestige halen (niet zozeer bij de publieke opinie die vaak moeite heeft met tussenoplossingen, wel bij de betrokkenen): een doorbraak forceren in moeilijke dossiers wordt sterk geapprecieerd. Van een voorzitter wordt dan ook vooral neutraliteit verwacht: ‘partijdige’ bemiddelingen worden niet echt gewaardeerd. Frankrijk maakte zich tijdens zijn laatste voorzitterschap (de tweede helft van 2000) regelmatig schuldig aan partijdigheid, en dit gaf het hele voorzitterschap een wrange nasmaak. Bij commentatoren in verscheidene lidstaten was te horen dat het om een slecht voorzitterschap ging.
Ten vierde heeft een voorzitter ook een vertegenwoordigende functie. Hij is het gezicht en de spreekbuis van de Unie in de media, ten opzichte van de andere Europese instellingen en op de internationale scène: tijdens missies3, in de internationale instellingen en op multilaterale evenementen (bijvoorbeeld de Klimaatconferentie).

Cruciaal bij dit alles zijn de hulp van de Europese Commissie en vooral het secretariaat-generaal van de Raad, niet alleen technisch, maar ook inhoudelijk. Dit secretariaat-generaal vormt immers het ‘geheugen’ van de Raad: voorzitters komen en gaan, maar het secretariaat-generaal blijft. Deze medewerkers helpen bij het zoeken naar compromissen. De Secretaris-Generaal, die deze functie cumuleert met die van Hoge Vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid neemt, net als de Commissie, bovendien een deel van de vertegenwoordigende taak op zich.

De Europese agenda en de invloed van de voorzitter

Hierboven vermeldden we dat het de voorzitter is die de voorlopige agenda’s van de vergaderingen bepaalt. Dit moet gerelativeerd worden. De dagelijkse werking van Europa verloopt namelijk niet in brokken van zes maanden en kent een eigen dynamiek, die grotendeels bepaald wordt door het lopende programma en door de ‘opdrachten’ die een voorzitter meekrijgt van de staatshoofden en regeringsleiders. Dit blijkt als we de prioriteitenlijst bekijken die de Belgische regering begin mei voorstelde. Deze lijst past volstrekt in het bestaande Europese programma. Wel worden sommige aspecten te ambitieus voorgesteld: aan de invoering van de euro zal het Belgisch Voorzitterschap bijvoorbeeld niet veel verdienste meer hebben. En pleiten voor een ‘sociaal Europa’ klinkt indrukwekkend, maar zal niet veel verder reiken dan het nogal vrijblijvend uitwisselen van goede ervaringen tussen de lidstaten. Gewoon omdat Europa nog niet rijp blijkt voor méér. En een Voorzitter kan daar weinig aan veranderen. Ik kom hier nog op terug. Daarnaast kan ook actualiteit de agenda nog beïnvloeden en ten slotte zijn er de side events, waarin een voorzitter wel sterker zijn eigen accenten kan leggen.

De lopende agenda

Een voorstel tot wetgeving is meestal maanden-, soms jarenlang ‘onderweg’ en kent een eigen dynamiek. Voor het grootste deel van de Europese activiteiten situeert het initiatiefrecht zich bij de Europese Commissie.4 Deze doet voorstellen tot richtlijnen, beschikkingen of verordeningen, die vervolgens aan de Raad en het Europees Parlement worden voorgelegd. Vervolgens vindt tussen beide instellingen een pingpongspel plaats, waarbij amendementen en meningen over deze amendementen over en weer circuleren. Het duurt vaak maanden vooraleer de Raad een definitief besluit neemt (al dan niet samen met het Europees Parlement, dit hangt af van de gebruikte beslissingsprocedure). In zowat elk beleidsdomein zijn tientallen dossiers ‘hangende’. Op het lopende milieuprogramma staan momenteel bijvoorbeeld een dertigtal dossiers.
Een lidstaat kan tijdens zijn voorzitterschap dus niet zelf een voorstel tot richtlijn uitschrijven en op de agenda plaatsen. Wil een voorzitter een dossier op de agenda krijgen, dan zal hij de Commissie een voorstel moeten ‘influisteren’ en vragen om dit te lanceren tijdens het voorzitterschap. Hierbij moeten twee opmerkingen worden gemaakt: in de eerste plaats zal de voorzitter zich weinig illusies moeten maken. Het duurt bijna steeds langer dan zes maanden voor een voorstel ook wet wordt, dus zal hij niet meer zelf de vruchten van zijn démarche kunnen plukken. Wel kan een eerste bespreking op Raadsniveau een trend zetten en de discussie in een bepaalde richting oriënteren. In de tweede plaats is het zo dat vooraleer de Commissie een voorstel officieel lanceert, er opnieuw vaak maanden en jaren van intens overleg aan voorafgaan, zowel intern (tussen de verschillende directoraten-generaal binnen de Commissie, zeg maar de ‘ministeries’) als met belangengroepen, experts, invloedrijke lidstaten, andere internationale organisaties. Met andere woorden, als België nu de Commissie zou vragen om een bepaald voorstel tot richtlijn uit te werken, dan zijn we al snel een paar jaar verder vooraleer het voorstel werkelijk op tafel ligt.
Wil een land echt wegen op de Europese agenda, dan zijn systematische (vaak informele) contacten met de Commissie cruciaal. België heeft wat dit betreft geen sterke traditie. Dit was overigens ook een vaststelling van regeringscommissaris Willockx die bestudeerde waarom België vrij slordig omspringt met de implementatie van Europese regels. Te vaak wordt de overheid pas met een voorstel tot richtlijn geconfronteerd op het moment dat de Commissie dit voorstel indient bij de Raad en het Parlement en er nog slechts in de marge kan worden gemorreld. De centrale vraag op vele administraties blijkt eerder te zijn ‘wat moeten we uitvoeren?’ dan ‘op welke manier is dit tot stand gekomen, en kunnen we dit beïnvloeden?’. Een gebrek aan proactieve aanpak, heet zoiets. Maar we dwalen af.
De Commissie heeft namelijk ook steeds wetgeving ‘in voorbereiding’. Het is de gewoonte dat een lidstaat enkele maanden voor zijn voorzitterschap van start gaat, overleg pleegt met de Commissie en vraagt om bepaalde voorstellen waarrond de Commissie reeds werk verrichtte, te versnellen (lancering tijdens het eigen voorzitterschap) of precies te vertragen (dossiers die een voorzitter liever niet behandelt). Maar heel ruim zijn de marges niet en uiteindelijk beslist de Commissie zelf wanneer ze een voorstel ter tafel legt.

De macht van een voorzitter is dan ook vooral ‘negatief’: hij kan niet uit het niets dossiers te voorschijn toveren, maar hij kan wel bepaalde dossiers enige tijd doodzwijgen, dit wil zeggen: weigeren om ze te agenderen (hoewel er ook hier grenzen zijn: in bepaalde besluitvormingsprocedures zijn termijnen voorzien waarbinnen de Raad zich moet uitspreken).
Anders gezegd, het overgrote deel van de Europese agenda kent een eigen dynamiek waarop een voorzitter (zelfs na grondig overleg met de Commissie en het Europees Parlement) slechts heel indirect kan wegen. Men kan de Europese besluitvorming vergelijken met een stroom, waarin zich tientallen, soms honderden dossiers gedurende jaren voortbewegen. In de tweede helft van 2001 komt deze stroom aan het Belgisch voorzitterschap voorbij. Sommige dossiers spoelen aan in een finale fase en moeten afgewerkt worden. Het gaat dan meestal om dossiers die al twee, drie, soms meer voorzitterschappen geleden in de stroom kwamen en die nu rijp zijn: de posities van alle betrokkenen (Commissie, Parlement, lidstaten, enz.) zijn gekend en er moet een ultiem compromis worden geformuleerd. Andere dossiers spoelen aan en vragen om een standpuntbepaling van de Raad (bijvoorbeeld het antwoord van de lidstaten op de amendementen van het Europees Parlement - afhankelijk van de besluitvormingsprocedure zijn hier strikte termijnen aan verbonden), vooraleer ze weer in de stroom worden geworpen om pas vele maanden later ten volle beslissingsrijp te zijn. Van dossiers die de Commissie nog maar recent in de stroom wierp, kan de voorzitter er enkele uitvissen voor een eerste bespreking en andere laten voorbijdrijven (deze kunnen door de volgende voorzitter voor het eerst worden opgepikt). De lopende agenda bepaalt dus voor het overgrote deel welke dossiers in welk stadium ter sprake zullen komen.

‘Opdrachten’

Op bijeenkomsten van staatshoofden en regeringsleiders (Europese Raad) worden de Europese bakens uitgezet. Hier worden de grote plannen gemaakt en tevens de richtsnoeren voor het buitenlands optreden van de Unie vastgelegd. Dit alles moet dan in de loop van de volgende maanden of jaren worden uitgewerkt, meestal door de verschillende gespecialiseerde Raden. Vaak wordt een timing vooropgesteld, waardoor de volgende voorzitters de facto een aantal ‘opdrachten’ mee krijgen. Het is niet de bedoeling van deze bijdrage om het hele Belgische programma te bespreken, maar er kan bij wijze van voorbeeld verwezen worden naar de Top van Tampere (oktober 1999), van Nice (december 2000) en van Stockholm (maart 2001). In Tampere stonden het asiel- en migratiebeleid, de Europese rechtsruimte en de bestrijding van criminaliteit op de agenda. Er werden (schuchtere) beleidsimpulsen gegeven, en toen al werd beslist dat dit in de tweede helft van 2001 zou moeten worden geëvalueerd. Ongetwijfeld een belangrijke en stevige dobber. In Nice werd afgesproken dat het debat over ‘de toekomst van Europa’ moet worden opgestart, wat onder Belgisch voorzitterschap kan leiden tot een ‘Verklaring van Laken’. In Stockholm werd bepaald dat voor eind 2001 indicatoren inzake arbeidskwaliteit en sociale uitsluiting op tafel moeten liggen. Een opdracht voor de Europese ministers van Arbeid en Sociale Zaken, onder voorzitterschap van Frank Vandenbroucke. Maar ook met betrekking tot de liberalisering van de postdiensten moeten voor eind 2001 de knopen worden doorgehakt. En er moet eveneens een Europese voedselautoriteit worden opgericht.
In deze reeks opdrachten zitten een aantal dossiers die Belgische ministers sterk interesseren, maar ook dossiers waarvoor minder appetijt bestaat. Een Belgische premier kan op bijeenkomsten van de Europese Raad wel lobbyen en laten merken voor welke dossiers België veel belangstelling toont, maar hij kan deze niet uit het niets op de Belgische agenda laten zetten. Het blijft steeds gaan over dossiers die al op een of andere manier aan het lopen zijn (de sociale dossiers bijvoorbeeld sinds Lissabon (maart 2000)). Anders gezegd, het gaat opnieuw (binnen zekere marges) over het versnellen of vertragen van dossiers die er hoe dan ook aankomen. Ook zonder Belgisch voorzitterschap zou dus binnenkort werk worden gemaakt van een voedselautoriteit, van de evaluatie van het migratiebeleid, enz.

Actualiteit

Daarnaast is het mogelijk dat ook de actualiteit nog een stempel drukt op de Europese agenda (lees: deze grondig overhoop haalt, tot wanhoop van de voorzitter). Er kan van alles gebeuren: de landbouwcalamiteiten trekken hele strepen door de agenda van de landbouwministers; de schipbreuk van olietanker Erica bracht de Europese machinerie rond maritieme veiligheid in hogere versnelling; het ontslag van de Commissie Santer leidde in 1999 tot veel verwarring onder Duits voorzitterschap; …
Niets is uitgesloten en een voorzitter moet leven met het idee dat onvoorziene omstandigheden minutieuze voorbereidingen ferm in de war kunnen sturen. Een internationale crisis, bijvoorbeeld in het Midden-Oosten of in de Balkan, kan straks het Europees buitenlands beleid flink discrediteren. En indien in de landbouw plots weer een en ander ontspoort, kan dit aanleiding geven tot een fameuze budgetcrisis. Zeker dit laatste kan een donkere schaduw werpen over het Belgische voorzitterschap.

Side events

Voor de volledigheid moet nog worden gewezen op de zogenaamde side events. Naast meer culturele nevenactiviteiten organiseert elk voorzitterschap traditioneel ook in de meest diverse beleidsdomeinen een aantal workshops, seminaries, debatten, enz. Een voorzitter beslist autonoom over de agenda van deze bijeenkomsten.5 Het belang van een goed georganiseerde activiteit mag niet onderschat worden. Door de juiste mensen samen te brengen en goede afspraken te maken met de Commissie en met volgende voorzitterschappen kan hiermee op indirecte wijze aan agenda-setting naar de toekomst toe worden gedaan. Nieuwe thema’s kunnen op die manier immers worden geïntroduceerd. Maar indien echt gehoopt wordt op een verdere opvolging, bijvoorbeeld een wetgevend initiatief van de Commissie, blijft het aangewezen om in te pikken op de actualiteit of op lopende dossiers.

Dus …

De Europese agenda kent een dynamiek die grotendeels losstaat van wensen, eisen of prioriteiten van de voorzitter. Dossiers van ‘nationaal belang’ op de agenda plaatsen is niet eenvoudig. Bovendien zou dit ook niet verstandig zijn. Eerder werd immers aangehaald dat een belangrijke taak van het voorzitterschap bestaat uit bemiddelen. Een goed voorzitter maakt compromissen, wat overigens een Belgische kwaliteit heet te zijn. Als een voorzitter een dossier moet finaliseren waarin hij zélf een uitgesproken belang heeft, gaat hij bijna steeds op zijn bek: indien hij een compromis voorstelt, verwaarloost hij zijn eigen zaak. En dat is moeilijk uit te leggen aan zijn publieke opinie. Indien hij niet naar een compromis streeft maar zijn nationale standpunt tracht door te drukken, zal hem dat in Europa niet in dank worden afgenomen.
De kans dat hij in dit laatste slaagt, is ten andere niet zo groot. Het reglement van menig lokale kaart- of vissersclub, waarbij de stem van de voorzitter dubbel telt of bij staking van stemmen de voorzitter beslist, is in de Unie namelijk niet van toepassing. De uitkomst van een dossier hangt volstrekt af van de standpunten van de andere lidstaten. Dit geldt zeker indien unanimiteit vereist is.6 Een voorbeeld: als de Belgische premier na de teleurstellende verdragsherziening van Nice aankondigt dat de zaak in december in Laken wel zal worden rechtgezet met een ronkende verklaring over de toekomst van Europa, is hij waarschijnlijk te optimistisch. Dit debat staat inderdaad op de agenda, maar aangezien de neuzen in de vijftien hoofdsteden in geheel verschillende richtingen wijzen, zal het een discussie van heel lange adem worden en het ziet er niet naar uit dat de Lakense verklaring bijzonder sensationeel zal zijn. Het is nog de vraag of men in 2001 verder zal raken dan afspraken over hoe het debat verder moet gevoerd worden. Maar dat is een ander onderwerp.
Dit alles geldt uiteraard ook in heel concrete dossiers: de voorzitter is geen dictator en kan zijn standpunt niet opdringen. Hij moet rekening houden met gevoeligheden en compromisbereidheid in andere lidstaten. En dan heeft België de tegenslag dat onder meer Frankrijk net voor belangrijke verkiezingen staat. Verkiezingen in aantocht scherpen de gevoeligheid voor nationale belangen aan en verminderen de compromisbereidheid.
Anders gezegd, de macht van een voorzitter over de agenda is al niet zo groot, zijn macht over de uitkomst nog veel minder. Hij kan een dossier al eens wat prominenter op de agenda zetten, misschien een ongewenst dossier tijdelijk weren, maar er zijn vele (onder meer procedurele) beperkingen. Hij kan enkele accenten verplaatsen, maar een echte beïnvloeding van de Europese agenda vereist een langetermijnstrategie en een proactief optreden. En dit heeft niets te maken met het voorzitterschap.

Over het sop en de kool

Als de macht van een voorzitter dan toch zo beperkt is, waarom dan al dat gedoe? Een voorzitterschap kost veel geld en legt een zware belasting op het politieke en ambtenarenapparaat van een land. Ook vanuit een meer algemeen perspectief wordt er kritiek geleverd: het rotatiesysteem zou de continuïteit en de interne dynamiek uit het Europese beleid halen en naar de buitenwereld toe ontstaat verwarring indien steeds een andere lidstaat als stem van de Unie spreekt. De Hoge Vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid en de Commissie nemen weliswaar een deel van de vertegenwoordigende functies op zich en de belangrijke rol die is weggelegd voor het secretariaat-generaal van de Raad zorgt voor continuïteit, maar men mag niet blind zijn voor de nadelen van het roterend voorzitterschap.
En toch heeft het voorzitterschap ook positieve effecten. In de eerste plaats wordt ‘Europa’ dichterbij gebracht. Als het hele circus van staats- en regeringsleiders straks neerstrijkt in Gent en Laken, zullen onze media bol staan van de Europaberichtgeving. Het voorzitterschap maakt Europa tot een nationaal thema.7 Het feit dat veel nationale of regionale wetgeving slechts de omzetting is van Europese beslissingen, wordt over het algemeen onvoldoende beseft. De massale en ietwat gedwongen kennismaking met Europa kan politici, ambtenaren en publieke opinie dan ook een beter inzicht verschaffen in het belang van Europese besluitvorming in talloze domeinen. Het debat over de meerwaarde van Europa wordt aangezwengeld en dit is bijzonder nuttig.
Bovendien blijkt het voorzitterschap een goede gelegenheid om de achterstand in de omzetting van Europese richtlijnen in te lopen. Een voorzitter wil immers geen slecht figuur slaan en een goed voorzitterschap poetst het imago van een land (en zijn politici!) op: Dehaene werd ei zo na Commissievoorzitter in juni 1994, zes maand na het afsluiten van het vorige Belgisch voorzitterschap. Willy Claes was als minister van buitenlandse zaken eveneens een opgemerkt figuur tijdens ditzelfde voorzitterschap en werd korte tijd later Secretaris-Generaal van de NAVO. Zeker een klein land kan uit een voorzitterschap veel internationaal prestige puren.

Besluit

De uitoefening van het Europees voorzitterschap is een zware taak. De macht van een voorzitter is echter beperkt. Hij kan misschien een discussie opstarten en wat accenten verschuiven, maar niet out of the blue eigen prioriteiten op de agenda plaatsen, laat staan beslissingen doordrukken. Het beeld van de voorzitter-dictator (of sympathieker: de voorzitter-tovenaar) die van aan het tafelhoofd beslist wat er wanneer en in welke vorm op de agenda komt en er ook nog eens de uitkomst van bepaalt, snijdt geen hout. Het voorzitterschap dient dus niet om op een drafje een boel hete Belgische hangijzers te regelen en kan ook niet gebruikt worden om de Belgische visie op de Europese integratie snel door te drukken. En gelukkig maar, want wij zouden het ook niet appreciëren moesten na ons pakweg Spanjaarden, Denen of Britten hetzelfde doen en de Europese agenda volproppen met hun nationale thema’s.
Het voorzitterschap is vooral een uitdaging in de zin dat ambtenaren en politici enkele maanden intensief zullen meedraaien in de Europese molen. Deze ervaring kan velen onder hen voldoende inzicht, kennis en ervaring verschaffen om naar de toekomst toe daadwerkelijk en efficiënt te participeren aan de Europese besluitvorming. Het voorzitterschap heeft misschien wel vooral deze socialiserende functie.
Misschien werden de voorbije weken en maanden te grote verwachtingen gecreëerd. Ambitie is een mooie zaak, maar het kan ook contraproductief werken. Wie eind 2001 de afrekening maakt en zijn agenda toetst aan de feitelijke realisaties, zou wel eens ferm ontgoocheld kunnen zijn. De Europarage zou dan snel voorbij zijn. En een koffer vol desillusies biedt geen stimulans om werk te maken van een toekomstgericht en proactief Europabeleid, vanaf 2002.

Noten
1. België was overigens de allereerste EEG-voorzitter. Het vorige Europees voorzitterschap vond plaats in 1993.
2. Art. 4 van het reglement van orde van de Raad van 6 juni 2000.
3. Dit gebeurt meestal samen met de volgende voorzitter.
4. Met betrekking tot vraagstukken rond visa, asiel, migratie, politiële en justitiële samenwerking hebben ook de Lidstaten initiatiefrecht.
5. Elk voorzitterschap organiseert bovendien een handvol zogenaamde informele Raden, om op ministerieel niveau tot een meer informele uitwisseling van ideeën te komen en de groepssfeer te bevorderen. Ook de agenda van deze informele Raden wordt autonoom door de voorzitter bepaald.
6. Al naargelang de aard van het dossier moet er een gekwalificeerde meerderheid of unanimiteit worden gevonden. Unanimiteit is ook vereist voor het bepalen van politieke conclusies of resoluties.
7. Vandaar dat het misschien niet zo een goed idee is om de bijeenkomsten van de Europese Raad systematisch in Brussel te organiseren in plaats van in de verschillende lidstaten.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 5 (mei), pagina 9 tot 16