Abonneer Log in

Elektriciteitssector: veel uitdagingen, maar geen kernuitstap?

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 5 (mei), pagina 35 tot 40

Het gebruik van kernenergie staat in verscheidene Europese landen onder druk. Zwitserland, Duitsland en ook ons land kennen een moratorium. In Zweden heeft de bevolking zich in een referendum uitgesproken voor het stopzetten van de productie van kernenergie tegen 2010. Oostenrijk heeft plannen om kernenergie uit de elektriciteitsproductie te bannen. In Finland wordt momenteel de discussie gevoerd over het al dan niet bouwen van nieuwe kerncentrales.

In België heeft de federale regering in haar regeerakkoord van juli 1999 beslist om op termijn de elektriciteitsproductie d.m.v. kernenergie af te bouwen. Maar tegen 2010 moet België tegelijk zijn CO2-uitstoot met 7,5% naar omlaag brengen t.o.v. 1990. Dat is namelijk vastgelegd in het protocol van Kyoto. Bovendien zullen ook na 2010 nog verdere reducties nodig zijn om het broeikaseffect te bestrijden. Het leeuwendeel van de broeikasgassen bestaat uit CO2, dat vrijkomt bij de verbranding van fossiele brandstoffen (steenkool, stookolie, aardolie). Alle sectoren zullen dus belangrijke inspanningen moeten leveren om de uitstoot van broeikasgassen te beperken.
Op vraag van de staatssecretaris voor Energie en Duurzame ontwikkeling, Olivier Deleuze, organiseerde Arbeid & Milieu onlangs een studiedag over de uitstap uit de kernenergie in België. De eerste vraag die in dit kader moet worden beantwoord is: is er in ons land echt sprake van (het voorbereiden van) een uitstap uit de kernenergie?

De huidige context

Toename van het nucleair vermogen

Op een bruto toename van 2590 MW (zonder buitengebruikstellingen van klassieke centrales) is er1 sinds 1995 een toename van het nucleair vermogen van 860 MW, waarvan 725 MW en de daarmee gepaard gaande tewerkstelling, in het Franse Chooz.
Wie had het ook alweer over een uitstap uit de kernenergie? Zou men niet beter spreken van delocalisatie naar het buitenland van de werkgelegenheid in de elektriciteitssector?
Bovendien is het zo dat, daar waar de kerncentrales normaal gezien slechts 30 jaar mochten werken, hun werkingsduur nu door het regeringsakkoord met 10 jaar verlengd werd.
Tenslotte werd er geen enkele alternatieve investeringsbeslissing genomen (buiten de wenselijk geachte bevordering van hernieuwbare energievormen en van kwaliteitsvolle co-generatie). In de context van liberalisering en instabiliteit van de elektriciteitsmarkt wachten de producenten om nieuwe grote investeringen te doen. Daardoor zitten ze in een erg comfortabele situatie omdat, ten gevolge van de regeringsbeslissing, het huidige nucleaire park in werking zal blijven tot 2015 (40 jaar na de ingebruikstelling van de 1e kerncentrale). Daarmee wordt ook het debat over de productiemiddelen van elektriciteit die voorzien moeten worden om de bevoorradingsveiligheid van het land te verzekeren, naar de volgende regering doorgeschoven.
Als de producenten het op een dag nodig achten om opnieuw in kernenergie te investeren, onder meer in een stabielere internationale omgeving, zal de huidige regering de fakkel al doorgegeven hebben aan haar opvolger die misschien de akkoorden zal herzien en eventueel nieuwe kerncentrales van een ander type zal toelaten (kleinere, meer moduleerbare centrales) die dan technisch vermoedelijk op punt zullen staan.
Wie had het ook weer over uitstappen uit de kernenergie?

Toename van het verbruik

Men laat het verbruik toenemen, ondanks de verbintenissen van Kyoto en ondanks het uitrustingsplan 1995-2005, waarin een beïnvloeding van de vraag wordt voorzien om tot een tragere aangroei van het verbruik te komen (nl. 8 TWH tegen 2005).
In het uitrustingsplan voor de elektriciteitssector 1995-2005 zijn nog meer declasseringen van belangrijke centrales gepland, terwijl sinds 1995 1961 MW gedeclasseerd werden (551 MW meer dan wat in het uitrustingsplan voor die periode gepland was). En Electrabel voorziet geen enkele investering meer in klassieke warmtecentrales.
Geen enkele van Electrabel onafhankelijke producent vestigt zich in België en weinig buitenlandse producenten slagen erin klanten op de Belgische markt te veroveren (onder andere BASF en FORD vormen daarop een uitzondering). Die blijft dan ook erg monopolistisch vanwege de aanhoudende vaagheid (en Electrabel heeft eerder belang hieraan bij te dragen) over de toekomstige organisatie van de markt. Het debat over de toekomstige organisatie van de markt wordt op politiek vlak immers in steeds kleinere kring gevoerd, waardoor de sociale partners zo goed als buitenspel gezet worden.
De bijdrage van de hernieuwbare energieën en van warmtekrachtkoppeling is vrij beperkt (maximum vermogen door de commissie Ampere geschat op 4725 MW tegen 2020).

Elektriciteitsinvoer

België heeft nu al een netto invoersaldo van elektriciteit. In de toekomst zullen we naar alle waarschijnlijkheid evolueren naar een stijging van de elektriciteitsinvoer (ten nadele van de tewerkstelling in de elektriciteitsproductie in België) in een context van toenemende onderuitrusting. In dit verband kan men trouwens vaststellen dat het verbruik in 2000 met 3,1% is toegenomen, terwijl de totale nettoproductie van elektriciteit met 1% gedaald is in vergelijking met 1999. De invoerprijzen dreigen aan belangrijke schommelingen onderhevig te zijn (cf. de situatie in Californië) in functie van de gebruikte brandstof (vooral gas), de aanvoercapaciteit via het groottransportnet en de doeltreffendheid van de regulering van de vrijgemaakte markt. Zo kan men zich afvragen of men zal kunnen verhinderen dat producenten binnen de EU het eens worden om het aanbod te beperken teneinde de prijzen te doen stijgen, hetgeen in Californië gebeurd is.
De beslissing over de keuze van de brandstof voor de elektriciteitsproductie zal pas rond 2010 vallen, zonder enige mogelijkheid om de producenten tot investeringen te dwingen. Een maximale samendrukking van de exploitatiekosten van de centrales in werking zal niet zonder gevolgen blijven voor de werkgelegenheid, de arbeidsvoorwaarden, de gezondheid en de veiligheid van de werknemers en de bevolking. De pogingen om de vruchten van het gereguleerde systeem uit het verleden te recupereren ten gunste van Suez, zullen blijven aanhouden. Ze kunnen die opbrengsten dan gebruiken voor het binnenhalen van buitenlandse markten met behoud van het Belgisch cliënteel van Electrabel.

En wat nu?

De vraag is voorlopig dus niet of de beslissing om uit de kernenergie te stappen vanuit economisch standpunt goed of slecht is, maar wel wat aanvullend beslist moet worden om de bevoorradingszekerheid van het land te waarborgen tegen een redelijke prijs, zodat ook de eindverbruiker redelijke prijzen krijgt voor het elektriciteitsgebruik dat aan zijn basisbehoeften beantwoordt (dit zowel op industrieel vlak als voor het huisverbruik).
Dat moet gebeuren met inschatting van de contraintes op het vlak van de bescherming van het leefmilieu, de gezondheid en de veiligheid van werknemers en bevolking.

Vraag en aanbod

Daarom ligt de prioriteit bij een sterke regulering van de vrijgemaakte markt met oog voor de coherentie tussen de keuzes die gemaakt worden aan de aanbod- en aan de vraagzijde.
In dit verband zetten sociale, economische en milieuoverwegingen ons ertoe aan te pleiten voor een ambitieus beleid om het elektriciteitsverbruik te beheersen en indien mogelijk zelfs te drukken:
- Milieuvoordeel: de minst vervuilende kwh is degene die niet verbruikt wordt;
- Sociaal voordeel: de minst moeilijk te betalen kwh is die welke men niet nodig heeft; maatregelen ter beheersing van de vraag naar elektriciteit scheppen werk;
- Economisch voordeel: tot op een zeker niveau van beheersing van de vraag is het economisch interessant om hierin te investeren. Dat bleek uit het uitrustingsplan 1995-2005 waarin het economisch potentieel tot beheersing van de vraag voor 2010 op 8 TWH geschat werd.
Die overwegingen zetten het ABVV ertoe aan binnen het Controlecomité voor Elektriciteit en Gas (CCEG) maximale druk uit te oefenen opdat de tarieven minder degressief en zelfs progressief worden. Op die manier komt er een passend signaal ten opzichte van de verbruikers en worden ze tot een lager verbruik aangespoord. Er moet ook druk worden uitgeoefend opdat de tarieven gunstig zouden zijn voor de ontwikkeling van de co-generatie van warmte en elektriciteit en van hernieuwbare energiebronnen. En in plaats van alibi’s te zoeken om niet meer te moeten investeren in productiemiddelen in België, moet de besparing van 8 TWH in 10 jaar gewoon gehaald worden.
Naast wat mogelijk en noodzakelijk is (in functie van de engagementen van Kyoto) ter beheersing van de elektriciteitsvraag, moet men passende maatregelen nemen aan de aanbodzijde.
Het is namelijk van belang te voorzien in een gediversifieerd aanbod: geen afhankelijkheid van één brandstof, maar wel mogelijkheid om van brandstof te veranderen zodat men elektriciteit kan produceren in functie van de brandstofprijzen op de internationale markten. Verder moet gezorgd worden voor een maximale bevordering van het gedecentraliseerd aanbod (co-generatie, hernieuwbare energiebronnen,…) in de wetenschap dat het ontwikkelingspotentieel van die productiewijzen niet meer zou bedragen dan 28% van het aanbod (27 TWH op 98 TWH in het beste van de scenario’s van een studie van Proost-Van Regemorter2) en moet een gezonde concurrentie tussen de producenten mogelijk gemaakt worden.

Om tot een gezonde concurrentie te komen, zou de markt zo georganiseerd moeten worden dat de tussenschakels en de eindcliënten de mogelijkheid hebben om langetermijncontracten met hun zelf gekozen producent te sluiten. Daarbij moet het elektriciteitstransmissienet performant en volkomen onafhankelijk zijn van de producenten en moet er een controle zijn op zijn opdracht van openbaar belang. Dat impliceert onder meer dat druk moet worden uitgeoefend om te vermijden dat de verbruikers tweemaal moeten betalen voor het transmissienet dat ze al gefinancierd hebben in het systeem uit het verleden en dat ze misschien een tweede maal dreigen te moeten betalen indien de in de transmissietarieven begrepen vergoeding gebaseerd is op zijn economische i.p.v. op zijn boekhoudkundige waarde. De gemaakte keuzes zouden ten slotte moeten bijdragen tot de economische groei van het land.
In dit verband doen cijfers van de studie Proost-Van Regemorter 2000, uitgevoerd in het kader van de Commissie Ampere, heel wat vragen rijzen. De auteurs stellen namelijk dat in een scenario van ‘eerbiediging van de Kyoto-doelstellingen en geen nucleaire investeringen meer’ de kostprijs voor de elektriciteitsproducenten en -consumenten in 2030 gelijk zou zijn aan 2,7% van het BBP 2000, d.i. 268 miljard BEF. De kostprijs met nucleaire investeringen zou 0,6% van het BBP 2000 bedragen, of 59,5 miljard BEF. Niet investeren in kernenergie kost de Belgische economie volgens die ramingen dus 2,1% van het BBP 2000 of 208,5 miljard BEF!
Wil men dus komen tot een nieuwe organisatie van de elektriciteitssector in het algemeen belang, dan moet er dringend een debat aangegaan worden.

De prijzen

Toen in ons land de keuze gemaakt werd om in de nucleaire filière te stappen, ging dit gepaard met de beslissing om de kerncentrales op 20 jaar af te schrijven en de afschrijving te beginnen nog vóór de bouwfase (het ABVV was het daarmee niet eens en verliet dan ook gedurende enkele jaren het CCEG). Zo zijn de basisinvesteringen van de eerste 4 kerncentrales (Tihange 1 en 2, Doel 1 en 2) volledig afgeschreven (de basisinvestering van Tihange 3 zal volledig afgeschreven zijn in 2002 en die van Doel 3 en 4 in 2005), terwijl het nu vaststaat dat ze nog 15 jaar kunnen blijven werken. Die keuze vroeg geen enkele inspanning vanwege de aandeelhouders. Door het toegepaste systeem van de ‘cost plus’ werden de oorspronkelijke snelle afschrijvingen via de tarieven op de verbruikers verhaald. Na afschrijving moeten de verbruikers normaal een voordeel krijgen, omdat de kosten dalen en dit dus moet leiden tot lagere tarieven in ruil voor de in het verleden geleverde inspanningen. Het probleem is dat de tarieven dermate hoog zijn vanwege de indexering van de exploitatiekosten sinds 1989, jaar waarin de nucleaire afschrijvingen nog altijd aan de gang waren. De bedoeling van dit systeem bestond erin om de producenten tot productiviteitswinsten aan te sporen ten gunste van de gemeenschap: in een eerste fase steeg hun marge (verschil tussen kosten en geïndexeerde tarieven) naarmate ze hun kosten konden drukken; in een tweede fase corrigeerde de regulator de tarieven naar beneden toe op grond van de evolutie van de gekende rendabiliteit van de productie- en transmissieactiviteit van elektriciteit.
Nu de nucleaire afschrijvingen bijna ten einde zijn, zullen de kosten fors moeten dalen.
Door de correcte toepassing van de conventies van de sector zouden de Belgische verbruikers lagere prijzen moeten betalen, prijzen die zelfs lager zouden liggen dan in onze buurlanden.

Er rijzen echter meerdere problemen

Vermits de exploitatiekosten steeds geïndexeerd worden in de tarieven, kan de regulator in het beste geval enkel een correctie doorvoeren voor een overdreven rendabiliteit die pas een jaar later uit het systeem voortvloeit, en dit enkel voor de toekomst: geen terugwerkende kracht, dus wat gewonnen is voor de sector, blijft gewonnen.
Bovendien zijn de reorganisatie van de markt en de regeringsbeslissingen van die aard dat de klemtoon gelegd wordt op de nood aan gelijkschakeling van onze prijzen met die van het buitenland (systeem price cap), terwijl ze op basis van het ‘cost plus’ systeem veel lager zouden moeten zijn dan in het buitenland.
Tenslotte geeft de liberalisering van de elektriciteitsmarkt Electrabel een goed voorwendsel om niet langer alle nodige informatie te verstrekken voor de voortzetting van het ‘cost plus’ systeem, nl. de vertrouwelijkheid van de informatie gezien de mogelijke komst van concurrerende producenten.
In feite zou in de toekomst een omgekeerde logica dan die van de stranded costs gehanteerd moeten worden: aanzienlijke bedragen, die omschreven kunnen worden als ‘gestrande winsten’ (bijkomende marges voortvloeiend uit de snelle afschrijvingen van het verleden…), zouden ingevolge het vroegere systeem en de liberalisering van de elektriciteitsmarkt door Electrabel vrijgemaakt moeten worden. Ze kunnen dan dienen voor de financiering van de ontmanteling van centrales, de verwerking van kernafval, enz., en vermijden dat die kosten ook ten laste van de gemeenschap komen. Ze kunnen ook gebruikt worden voor de financiering van programma’s voor rationeel energiegebruik, d.w.z. voor een aantal maatregelen van algemeen belang. Allen op die manier zullen we erin slagen te vermijden dat de Belgische verbruikers tweemaal voor de in werking zijnde kerncentrales moeten betalen!

De nucleaire veiligheid

Kernenergie mag niet behandeld worden zoals gelijk welke andere productie in een vrijgemaakte markt. Want de concurrentie zet de producenten ertoe aan hun kosten, o.m. hun personeelskosten, te drukken ten koste van de veiligheid van de kerncentrales. Gezien de veroudering van bepaalde materialen, zou de verlenging van de levensduur van de kerncentrales gepaard moeten gaan met grotere financiële verbintenissen voor hun veiligheid.
Een regelmatige, onafhankelijke controle is dan ook onontbeerlijk. Er moeten daarbij sancties worden voorzien zodat alle nodige uitgaven voor de veiligheid van de centrales ook echt gedaan worden.

Conclusies

Ons land bevindt zich vandaag feitelijk nog niet in een uitstapscenario. Bewijs hiervan is de regeringsbeslissing om de levensduur van de kerncentrales met 10 jaar te verlengen en het nucleair vermogen voor het Belgisch cliënteel met 860 MW te verhogen sinds 1995.

In de huidige context (Kyoto, …) moet dringend werk gemaakt worden van een REG-beleid met o.m. ambitieuze maatregelen om de (groei van de) elektriciteitsvraag te drukken - wat het ABVV al naar voren had gebracht bij de bespreking van het uitrustingsplan 1995-2005. Dit plan voorzag in een besparing van 8 TWH tegen 2005 maar tot op vandaag werd er bijna niets gedaan om die doelstelling te halen.

In het licht van de huidige overgang naar een vrijgemaakte elektriciteitsmarkt moeten ook dringend maatregelen genomen worden zodat de Belgische consumenten kunnen genieten van de vruchten van het gereguleerd systeem uit het verleden en geen tweemaal moeten betalen voor het elektriciteitstransmissienet en de huidige kerncentrales.

Mede met de verlenging van de levensduur van de kerncentrales en de druk op de kosten omwille van de liberalisering van de sector, moeten dringend maatregelen genomen worden om de veiligheid van de kerncentrales in werking te waarborgen (controle, investeringen, …) alsook m.b.t. het financieel ten laste nemen van de kerncyclus stroomafwaarts (beheer kernafval, ontmanteling, …) volgens strikte en doeltreffend gecontroleerde veiligheidsnormen.

De regering heeft beslist om de levensduur van de kerncentrales te verlengen en dat heeft geleid tot het uitstellen van het politieke debat over de toekomstige productiemiddelen. De structuren om sociaal overleg mogelijk te maken op grond van wetenschappelijke studies en met name de Algemene Raad van de CREG, moeten daarom dringend operationeel worden. Dan zal er onder meer overleg mogelijk zijn over de toelatingsvoorwaarden voor het bouwen van de diverse mogelijke elektriciteitsproductiemiddelen.

Noten
1. Op basis van “Production et Transport, Faits et chiffres 1999, CPTE”; van jaarrapporten van Electrabel en van de bedrijfsfederatie der voortbrengers en verdelers van elektriciteit in Belgie.
2. What do the Ampere results imply for future Electricity Production in Belgium - an analysis with MARKAL model, S.Proost - D. Van Regemorter, CES-KULeuven, 2000.
3. Met dank aan Dirk Van Evercooren voor redactionele hulp.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 5 (mei), pagina 35 tot 40