Log in

'Globalisering, zegen en vloek'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 5 (mei), pagina 47 tot 48

Globalisering, zegen en vloek

Philippe Naert en Bruno
Coppieters (red.)\nUitgeverij Lannoo, Tielt, 2000

Het boek vaart onder de vlag van het VKW (Vereniging van Kristelijke Werkgevers). Het is gebaseerd op projecten van VKW Brussel en West-Vlaanderen. De titel wil de lading dekken: globalisering heeft volgens de voorzitter van de Brusselse afdeling een januskop, met goede en slechte kanten. Het is de bedoeling het verschijnsel vanuit verschillende benaderingen te belichten: financieel-economische aspecten, maar ook aspecten van arbeidsrecht, internationaal recht, corporate governance en concurrentiebeleid. Er is ook aandacht voor historische, antropologische en filosofische perspectieven. Het eerste hoofdstuk geeft een globale benadering, de daaropvolgende stellen telkens een van die aspecten centraal. De auteurs zijn eminente specialisten. De laatste twee hoofdstukken zijn geschreven door de voormalige politici Ruud Lubbers en Karel Van Miert.

Het is niet mogelijk alle hoofdstukken in detail te overlopen. Het eerste en meest uitgebreide geeft de richting aan en toont misschien meteen de beperkingen die alleen maar kunnen te maken hebben met de opdrachtgever. Ik ga daarom iets meer op dat stuk in. Philippe Naert en Bruno Coppieters sluiten eerst aan bij het beeld van globalisering als een vloek. Zij vinden dat op het eerste zicht een geloofwaardig verhaal. Per slot van rekening wordt het ook door experts gedaan. Wereldwijd neemt de inkomensongelijkheid toe. Schaalvergroting verhindert niet dat bedrijven massaal afdanken. Traditionele waarden - die winst niet als het ultieme doel zien - gaan verloren. De overheid is niet in staat de kwalijke gevolgen af te zwakken. De internationale misdaad tiert welig. Wie dacht dat dit de opening is naar een progressieve benadering van de globalisering is er echter aan voor de moeite. Het is eerder een schijnbeweging: het verhaal is op het eerste zicht geloofwaardig, maar het overtuigt de auteurs toch niet. En meteen volgen een hele rij argumenten om de barsten in de redenering aan te tonen. Bijvoorbeeld dat de armoede wel toegenomen is, maar dat armoede relatief is. De laagste inkomens hebben het niet slechter dan vroeger, maar omdat de rijken rijker geworden zijn, is ook de armoede verhoudingsgewijs - maar enkel verhoudingsgewijs - toegenomen.

Relatieve armoede is echter zo erg niet. Wat voor nonsens is dit? Zelfs de Unctad geeft tegenwoordig toe dat de armsten steeds meer gemarginaliseerd worden. 1,3 miljard mensen leven met minder dan 1 dollar per dag! Geen nood, de auteurs zijn ervan overtuigd dat de globale ongelijkheid tussen de landen op termijn wel vanzelf zal verdwijnen. En ze verwijzen naar de hoge technologische scholing van de Indische ingenieurs. In zijn stuk schrijft de vroegere premier van Nederland ergens dat globalisering de ultieme verspreiding van het verlichtingsdenken is. Ik weet niet zeker of hij dit helemaal opvat als ikzelf, maar voor mij komt dat neer op de overtuiging dat de vooruitgang onvermijdelijk is. En die vooruitgang is ook onvermijdelijk goed. De auteurs van het eerste hoofdstuk proberen dan maar aan te tonen dat alle problemen in feite niets met de wereldcontext te maken hebben. Ze zijn terug te brengen tot interne politieke besluitvorming. Onvermijdelijk komen zij dan terecht bij de lange duur van de werkloosheidsuitkeringen en de werkloosheidsval. Het was voorspelbaar dat zij ook zouden afgeven op sectorale onderhandelingen, die teveel een eenheidsworst opleveren. Ikzelf wil zeker niet beweren dat alle politieke besluitvorming op lokaal vlak boter aan de galg zou zijn, want totaal ondergeschikt aan ijzeren internationale regels. Alleen is het reduceren van bijna alles tot het probleem van de hoge brutolonen wel wat simpel.

Dat kan alleen maar omdat de opdrachtgevers bij het VKW horen. Dat huist nog zo dicht bij de kerktoren dat de zuil nog ongegeneerd in de naam mag doorklinken. Hiermee wil ik zeker niet geschreven hebben dat men het boek beter dichtlaat. Ook het eerste hoofdstuk bevat nog altijd een aantal aantrekkelijke ideeën. Ik verwijs bij wijze van voorbeeld naar wat zij schrijven over corporate governance en professionalisering van KMO’s. Belangrijk is ook de uitdrukking ‘bedrijfsanorexia’. Dat is de idee dat een bedrijf in goede doen een gezond vetlaagje moet hebben. Het is verkeerd om te willen terugvallen op het absolute minimum aan werknemers, wil men over voldoende slagkracht beschikken. Ik denk zelfs dat moet ingegaan worden op hun uitnodiging om wat zij noemen het corporatistische model van het middenveld te overstijgen. Alleen spijtig dat zij op cruciale momenten door de mand vallen. Ik kan er bijvoorbeeld nog inkomen dat de ngo’s elkaar voor de voeten lopen en te veel inspelen op de grillen van de publieke opinie. Dat milieunormen slechts zinvol zijn vanaf een bepaald welvaartsniveau kan dan wel aangetoond worden met een referentie naar Maslow, maar het is opnieuw gewoon kortzichtig.

Het eerste hoofdstuk schetst een algemeen beeld. In de volgende hoofdstukken vindt men stukken over een aantal deelaspecten die af en toe boeien. Erik Buyst betoogt dat globalisering zeker niet nieuw is. Hij hanteert een openheidsgraad (aandeel export in bbp). Daarmee probeert hij aan te tonen dat pas in de jaren 70 opnieuw het niveau van openheid bereikt werd van voor de eerste wereldoorlog. Hij waarschuwt dat vrijhandel na verloop van tijd onvermijdelijk wantoestanden uitlokt en leidt naar de roep om protectionisme. Voor de eerste wereldoorlog was dit de invasie van landbouwproducten uit de VS. Tegenwoordig worden de laaggeschoolden onder druk gezet. Eugeen Roosens is antropoloog. Hij vertelt een weinig passionerend dubbel verhaal over uniformisering en fragmentarisering. Hij vindt de oplossing in een scheiding tussen natie en staat. Mensen worden bewoners van een planeet, niet gedwongen om hun eigen cultuur te verliezen. Bruno Coppieters legt filosofische wortels bloot. Hij gaat te rade bij Hesiodos, Heracleitos, Nietzsche, Heidegger en Girard. Hij probeert een bodemgrens vast te stellen, waaronder concurrentie verwordt tot hyperconcurrentie. En hij vindt twee soorten grenzen, van individuele en van collectieve aard. Individueel houdt wederzijds berekend belang en een soort mystieke perplexiteit de concurrentie onder bedwang. Collectief gaat het om de contract- en de polisidee. Leuk, maar weinig nieuws. Roger

Blanpain heeft bijgeleerd. Tot voor kort kon men van hem een onvoorwaardelijke ode aan de kennismaatschappij verwachten. Vandaag heeft hij door dat de schaduwzijde een duale samenleving is, die zelfs de democratie bedreigt. Origineel zal hij natuurlijk niet meer worden. Jan Wouters probeert de uitdagingen voor het internationaal recht te achterhalen. Eric Bodson vraagt zich af of het kleine Vlaamse bedrijf nu echt moet meedoen met de corporate governance-mode. En precies in de geest van de kleine bedrijven pleit hij voor een pragmatische benadering. Ruud Lubbers vertelt een zeer algemeen verhaal over voor- en nadelen van globalisering. Op zijn minst twijfelt hij aan het dictaat van de economie. Karel Van Miert ten slotte houdt een onvoorwaardelijk pleidooi voor vrijhandel.

De samenvatting van de verschillende hoofdstukken is zo beperkt dat ze de auteurs toch wat onrecht aandoet. Ik wil niet meer dan een aanwijzing geven van wat de lezer te wachten staat. Het blijft lezenswaardig, ook al staan er weinig verrassingen te wachten. Niet onbelangrijk is dat het boek prachtig uitgegeven is, zoals alle boeken uitgegeven zouden moeten worden. Het prijskaartje is dan natuurlijk navenant.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 5 (mei), pagina 47 tot 48