Log in

Mag het iets meer zijn?

redactioneel

Een paar dagen geleden kreeg ik de 1-mei-affiche van de SP in de bus. Centraal op de affiche staat een gelijkheidsteken. De erbij horende slogan luidt: Gelijke kansen voor iedereen!. Ik was emotioneel geschokt door die affiche. Moesten we daarmee naar het Feest van de Arbeid? Zelfs Karel De Gucht is het wellicht eens met die slagzin. Tijdens het Take Off-weekend van de - nu nog - Jongsocialisten werd duidelijk dat ik niet de enige was met een uitgeslagen Richterschaal. Gelukkig maar, volgens de partijcommunicatie zijn het enkel oude zakken en mensen die al 50 jaar militeren, kortom sekteleden, die gehecht zijn aan de oude socialistische retoriek. Ik ben tenslotte nog maar 33 en niet in de partij gepokt en gemazeld. Maar ondertussen is me duidelijk geworden dat gelijke kansen voor iedereen niet het 1- meithema is, maar het nieuwe thema tout court. Wat het erger maakt. Anderzijds ben ik bekomen van de eerste schok zodat een min of meer rationeel vervolg van deze tekst haalbaar lijkt.

Laten we elkaar heel goed verstaan: (1) ik behoor niet tot de groep ‘zuiveren’ die meent dat het met een partij beter gaat als ze minder kiezers heeft. Integendeel, ik hoop op een grote linkse partij: om en bij een kwart van het Vlaamse electoraat zou moeten kunnen en een nog grotere linkerzijde is te verkiezen. (2) Wellicht gaat het over woorden, over de verpakking. Het lijkt me zelfs waarschijnlijk dat er geen dispuut is over de richting van de SP en de concrete programmapunten. (3) Ik behoor niet tot de groep die nostalgisch de achteruitkijkspiegel aait. Terzake dan: er is inderdaad nood aan gelijke kansen. Zo blijkt dat vrouwen maar toch vooral allochtonen minder kansen hebben op de arbeidsmarkt. We weten pijnlijk nauwkeurig dat kinderen uit de lagere sociale strata een kleinere kans hebben succesvol door het onderwijs te stromen dan kinderen uit de hogere strata. De onderwijsgeschiedenis is veeleer te typeren als een expansie dan als een democratisering. Bij het begin van het maatschappelijk spel hebben niet alle spelers een gelijke kans. De dobbelstenen zijn inderdaad vervalst, zoals Patrick Janssens laat optekenen in Knack (nr. 17 van jg. 2001). We zijn het daarover allemaal eens.

De gelijkekansenideologie is gericht op de maatschappelijke aanvangskansen. Het beeld van de vervalste dobbelstenen is in die context van een zeldzame perfectie. Voor een socialistische partij is dat echter niet voldoende. Wij willen ook de uitkomst van het spel corrigeren. Mentaal gehandicapten - om een brutaal voorbeeld te nemen - hebben absoluut niets aan een gelijke kans, des te meer aan solidariteit. Laat ons, voor de aardigheid van de discussie, uitgaan van twee eenvoudige premissen. (1) Onze samenleving is een kennismaatschappij geworden. Dat wil zeggen dat kennis een belangrijk productiemiddel is. (2) Mensen worden geboren met een verschillend talent om kennis te verwerven. Gegeven die twee voorwaarden is het perfect voorspelbaar dat zeer gelijke kansen leiden tot zeer ongelijke uitkomsten. Ongelijke uitkomsten - laat dat duidelijk zijn - waar de individuen ‘schuld’ noch ‘verdienste’ aan hebben. Ik ken niemand die de twee genoemde premissen betwist.
Het verhaal kan ook anders verteld worden: stel een samenleving waar de ongelijkheid gebaseerd is op vermogen. In een dergelijke samenleving hebben kinderen een makkelijk leven voor de boeg omdat hun ouders rijk zijn. De linkerzijde in een dergelijke samenleving zal proberen die maatschappelijke ongelijkheid weg te werken door bv. progressieve taxatie van vermogen. Het vertoog van de linkerzijde zou erop neerkomen dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Stel nu een samenleving waarin talent alle kansen tot ontplooiing krijgt en waar de talentrijken een makkelijk leven is voorbehouden. De minder bekwamen krijgen geen politieke inspraak, moeten ongezonder leven, gaan dus ook vroeger dood en krijgen minder loon. Moet in zo’n samenleving de linkerzijde pleiten voor gelijke kansen? Ik zou denken van niet, maar ik ben geen ethicus. Outputcorrecties zijn niet hetzelfde als iedereen een gelijk loon geven. Net zo min als solidariteit hetzelfde is als gelijke kansen. Ongelijk werk, verantwoordelijkheid of zweet mag ongelijk verloond worden. Talent echter is evenmin een verdienste als sociale afkomst.

Ik denk niet dat de linkerzijde moet verlegen zitten om een verhaal. Er zijn integendeel twee verhalen te vertellen. Er is nog ongelijkheid afkomstig uit de oude maatschappelijke ordening: kinderen uit lage strata die disproportioneel en onterecht in het buitengewoon secundair beroepsonderwijs terechtkomen; taksen op televisie, vuilniszakken, auto’s en binnenkort op verpakkingen; discriminatie op basis van etnische origine en gender; pensioenstelsels die afhangen van de sector van tewerkstelling (overheid, zelfstandigen, loontrekkenden); enz. Langzaam maar niet minder duidelijk wordt ook de ongelijkheid van de meritocratie - de kennismaatschappij - zichtbaar: laag geschoolden zijn niet of slechts ternauwernood vertegenwoordigd in het politiek systeem. Het juridisch apparaat is zo complex en traag geworden dat rechtszekerheid enkel weggelegd is voor mensen die overweg kunnen met hopen papier en bergen jargon. Er gebeurt een snelle differentiatie van talentrijken en talentarmen in de verschillende onderwijsvormen en onderwijsnetten. Er is dan nog de segregatie in verschillende tv-netten: duiding is enkel nodig voor hoog geschoolden, de rest begrijpt het zo wel. Voedselveiligheid en gezondheid wordt afhankelijk van kennis; enz.
De beide ongelijkheden, maar vooral de nieuwe vormen, kunnen enkel bestreden worden met solidariteit. Een gelijke kans is hoogst onvoldoende en bestendigt de ongelijkheid. Denkelijk zijn de meeste mensen in de SP en zeker Patrick Janssens het daarmee eens. De evidente vraag is dan waarom we die term als slagzin gebruiken. Waarschijnlijk omdat gedacht wordt dat ‘gelijke kansen’ een grotere wervingskracht heeft dan bv. ‘solidariteit’. Maar mag ik daar een paar vragen over stellen? Is dat waar en hoe weten we dat? Is het - voor links - communicatief verstandig een slogan te kiezen waar ook rechts het mee eens is? Is het centrum niet te druk bevolkt? Is het enkel een kwestie van semantiek om te zeggen wat we bedoelen? Ben ik nu een conservatieve, etatistische en vastgeroeste oude zak?

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 5 (mei), pagina 1 tot 2