Abonneer Log in

De Belg en de vreemde buur

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 6 (juni), pagina 22 tot 28

De cijfers van het Europees Waarnemingscentrum voor Racisme en Vreemdelingenhaat (EUMC) die in de media verschenen, hebben ons weer even opgeschrikt. België is, op één na, het meest intolerante Europese land (Thalhammer e.a., 2001). We lijken hoegenaamd niet happig om met allochtonen samen te leven en te werken. Toch was er ook een sprankeltje hoop. Het EUMC stelde immers vast dat de Belgen in 2000 toleranter zijn dan in 1997. In deze bijdrage willen we nagaan of deze positieve evolutie kenmerkend is voor de voorbije twee decennia.

De vraag of de intolerantie de voorbije twintig jaar is toegenomen, stabiel is gebleven of afgenomen is, staat met andere woorden in het brandpunt. Enerzijds zou er sprake kunnen zijn van een soort ‘gewenning’. De naoorlogse arbeidsmigranten bewegen zich nu dertig, veertig jaar in onze samenleving en gedurende die periode zijn ook een aantal wrijvingspunten verdwenen: allochtonen van de derde generatie spreken Nederlands en kennen de zeden en gewoonten van de autochtonen beter. Ook vanuit sociaaleconomisch oogpunt zouden we een afname van de tolerantie kunnen verwachten. Als gevolg van de gunstige economische situatie is het mogelijk dat de migranten minder als concurrent worden beschouwd en dat ‘rasechte’ Belgen bijgevolg verdraagzamer zijn tegenover allochtonen. Billiet e.a. (2001) stelden vast dat items die te maken hebben met gevoelens van bedreiging omwille van tewerkstelling en het terugsturen van werkloze migranten, in 1999 significant minder worden beaamd in de Vlaamse bevolking dan in 1995. Dit wees echter niet op een meer gunstige houding tegenover migranten in het algemeen, maar op het specifieke aspect van de tewerkstelling omwille van de huidige gunstige economische golf. Ook de discriminatie, de onverdraagzaamheid en het racisme die we in onze samenleving waarnemen wijzen niet in de richting van meer openheid ten aanzien van etnische minderheden. Werkgevers geven de voorkeur aan blanke Belgische werknemers, huiseigenaars hebben liever geen migranten in hun straat want dan dalen de vastgoedprijzen en mensen willen geen asielzoekerscentrum in hun buurt.

Het terugslaan van de slinger

Voor de analyse steunen we op de Europese Waardeonderzoeken van 1981, 1990 en 1999.1 In de drie onderzoeken wordt de vraag gesteld welke groepen van mensen de respondenten niet als buur zouden wensen, wat uiteraard wijst op een intolerante houding ten aanzien van die bevolkingsgroepen. Vanwege de probleemstelling, met name de houding tegenover etnische minderheden, beperken we ons hier tot het niet als buur willen hebben van mensen van een ander ras of immigranten en buitenlandse werknemers.2 De factorscore voor intolerantie heeft een gemiddelde van 0 over alle waarnemingen (de drie meetpunten samen) en een standaardafwijking van 1. Een positieve (hoge) score wijst op een intolerante houding, een negatieve (lage) score duidt een tolerante attitude aan.

Tabel 1: Evolutie van de intolerantie tussen 1981 en 1999

Een oogopslag laat zien dat de intolerantie na een sterke toename tussen 1981 en 1990, een dalende trend kent tussen 1990 en 1999, of met andere woorden een toename van de verdraagzaamheid. De slinger lijkt dus op weg te zijn om terug te slaan. In 1999 halen we echter niet het niveau van 1981. In 1999 schuwt de Belgische bevolking anders gezegd meer een allochtoon als buur dan in 1981.
De toenemende intolerantie tijdens de jaren ’80 sluit aan bij het onderzoek van Coenders en Scheepers (1998) in Nederland. Zij kwamen voor de periode van 1979 tot 1993 tot de conclusie dat een nadelige behandeling van etnische minderheden op de huis- en arbeidsmarkt op het einde van de jaren ‘70 daalde, maar vanaf het midden van de jaren ‘80 opnieuw steeg. De onderzoekers stelden vast dat een toename van het aantal etnische migranten leidde tot een verhoogde perceptie van etnische competitie en bijgevolg resulteerde in het verdedigen van etnische discriminatie. Daarnaast stelden ze vast dat in periodes waarin de werkloosheid recent was gestegen, etnische discriminatie meer werd toegejuicht. Naast deze maatschappelijke omstandigheden schreven zij de toename van de etnische discriminatie ook toe aan de maatschappelijke condities tijdens de ‘formatieve’ jaren van de respondenten: groepen die opgroeien in periodes van een sterke toename van het aantal migranten of in periodes van hoge werkloosheid, staan positiever tegenover etnische discriminatie.

De invloed van de generaties en het onderwijsniveau op intolerantie

Tussen wie vóór de Tweede Wereldoorlog en wie daarna werd geboren, gaapt op het vlak van waardebeleving een kloof (Coffé, 2001). Daarom is het interessant om na te gaan of verschillende generaties zich laten kenmerken door een verschillende houding ten aanzien van etnische minderheden en of zich bij de verschillende groepen over de tijd een gelijkaardig patroon aftekent. Hierbij willen we nagaan of een eventueel verschil in attitude het gevolg is van de leeftijdscyclus of we het verschil veeleer kunnen interpreteren in termen van generaties.3

Tabel 2: Intolerantie naar geboortegroep en observatiejaar

Jongeren maken er minder een probleem van om etnische minderheden als buren te hebben. Een bevinding die ook in eerder onderzoek terzake werd gevonden (Billiet e.a., 1990).
Tabel 2 en figuur 1 plaatsen de evolutie van de maat van intolerantie volgens geboortegroep in het licht. Bij de groepen tot 1945 neemt de mate van intolerantie door de band genomen van meetpunt tot meetpunt toe. De jongere groepen blijven daarentegen op hetzelfde niveau of kennen een (lichte) daling. De stijgende trend die zich aftekende tussen 1981 en 1990 gaat met andere woorden nog verder door voor de oudere generaties. Voor de jongere generaties geboren na de Tweede Wereldoorlog is er daarentegen sprake van een stabilisatie of zelfs een vermindering van een intolerante houding.

Figuur 1 : Intolerantie naar observatiejaar en geboortegroep

De intolerantie uitgetekend naar generatie zoals in figuur 1, vertoont enige groepengelaagdheid. We lijken met andere woorden veeleer met generatie- dan met leeftijdseffecten te maken te hebben. Daarmee is echter niet gezegd dat leeftijdseffecten - de gevolgen van een welbepaalde positie in de levensloop - geen rol spelen. Zo stellen Lesthaeghe en Moors (2000) vast dat er waardeverschillen zijn tussen mensen die hun samenlevingsrelatie met een huwelijk bekrachtigen enerzijds en diegenen die de stap in het huwelijksbootje niet zetten anderzijds. Alleen wonen en ongehuwd samenwonen zonder kinderen geeft significante afwijkingen in de richting van meer tolerantie tegenover minderheden en sociaal marginalen.

Dat jongeren zich toleranter opstellen kan onder meer worden toegeschreven aan het hoger opleidingsniveau dat de jongeren kenmerkt. In de tijd heeft er immers een vrij spectaculaire expansie van het onderwijs plaatsgegrepen waardoor de oudere leden van de samenleving duidelijk lager zijn opgeleid dan de jongeren en het is geweten dat een lager opleidingsniveau gepaard gaat met een etnocentrische houding (Coffé, 2001). Ook de Belgische data van de waardeonderzoeken laten zien dat lager opgeleiden in het algemeen wantrouwiger staan tegenover etnische minderheden dan hoger opgeleiden (zie tabel 3). De lager opgeleiden zien zichzelf ten overstaan van migranten in een concurrentiepositie geduwd. Zij ervaren deze groepen als concurrenten op het vlak van arbeid, huisvesting en sociale zekerheid (De Witte, 1990). Ook de afwijking van de etnische minderheden van de dominante cultuur en traditioneel aanvaarde normen en omgangsvormen speelt bij hen een sterkere rol. Cultuursociologen als Gabennesch (1972) benadrukken dat een hogere opleiding iemands sociaal perspectief verbreedt waardoor de kennis en het begrijpen van andere normen en waarden dan die uit de eigen cultuur toeneemt. Hoger opgeleiden beseffen dat er andere culturen bestaan. Zij hebben geleerd dat de manier waarop wij een samenleving organiseren en bekijken in feite heel relatief is. En als je die kennis hebt is de kans logischerwijze veel groter dat je je verdraagzaam gaat opstellen. Daarenboven wonen lager opgeleiden vaak in dezelfde buurten als migranten. Zoals Koen Pelleriaux in mei 1999 in Knack liet optekenen, is het iets gemakkelijker om breeddenkend te zijn en om verdraagzaamheid te prediken wanneer je in pakweg Ukkel of Sint-Martens-Latem woont. Bij de hoger geschoolden is de verdraagzaamheid er daarnaast ook ingepompt. Het staat niet dat je racistisch denkt en zij gaan bijgevolg in enquêtes niet zeggen dat ze niet openstaan voor andere culturen. Er tekent zich bij hen een grotere gevoeligheid voor sociale wenselijkheid af waardoor hun houding in werkelijkheid allicht minder verschilt van de houding van de lager opgeleiden.

Tabel 3: Meervoudige classificatie-analyse voor intolerantie (netto effecten)

Het opleidingsniveau als belangrijke verklarende factor, leunt aan bij het huidige maatschappelijke klimaat waarin opleiding een belangrijke stratificerende en allocerende determinant is. Niet enkel de sociaaleconomische positie, maar ook de sociaal-culturele plaatsing wordt in toenemende mate bepaald door levensstijlgroepen die hun grondslag vinden in de onderwijservaring (Elchardus e.a., 2000). Dat het belang van het onderwijsniveau4 toeneemt, kunnen we uit onze analyses statistisch vaststellen.

Daarnaast laat figuur 2 zien dat bij de mensen die voor hun negentiende verjaardag een punt zetten achter hun schoolloopbaan, de intolerantie tussen de drie meetpunten toeneemt. De hoger opgeleiden kennen daarentegen na een toename tussen 1981 en 1990, een daling tijdens de jaren negentig en maken er in 1999 net iets minder dan in 1981, een probleem van om een allochtoon als buur te hebben.

Figuur 2: Intolerantie naar observatiejaar en opleidingsniveau

Het terugslaan van de slinger nader bekeken

Het matig optimisme waarvan we gewag maakten op basis van de lichte daling van de intolerantie tussen 1990 en 1999, krijgt dus een deuk. De toegenomen openheid ten aanzien van etnische minderheden gedurende de jaren negentig tekent zich immers enkel af bij de hoger opgeleiden en de jongere generaties.

Nader onderzoek laat zien dat na controle van de invloeden van opleidingsniveau en groep, de hoogste waarde op de factor die naar een intolerante houding verwijst, terug te vinden is bij het observatiejaar 1999. Dit betekent dat, gecontroleerd voor het opleidingsniveau en de generatie, de Belgen in 1999 het meest intolerant zijn. De afname van intolerantie die we op het eerste zicht vaststelden, kan met andere woorden worden toegeschreven aan de vervanging van generaties en het hogere opleidingsniveau.

De meervoudige classificatieanalyse geeft tevens aan dat ook na controle van de andere factoren de jongere generaties er minder een probleem van maken om etnische minderheden als buren te hebben. Dit betekent dat het verschil in houding tussen generaties ook aan andere aspecten dan hun opleidingsniveau moet worden toegeschreven. Dat jongere generaties zijn opgegroeid in een multiculturele samenleving en bijgevolg een meer ‘open’ wereldbeeld hebben kan een mogelijke verklaring zijn. Ook de veranderde economische situatie waarin de jongste generaties zijn groot geworden kan een uitleg zijn.

Besluit

Uit de analyse blijkt dat de intolerantie na een sterke toename tussen 1981 en 1990 een lichte daling kende tussen 1990 en 1999. Maar ook dat we anno 1999 meer allochtonen als buren weerden dan in 1981. De gedachtekronkel dat ‘gewenning’ zou leiden tot een tolerantere houding houdt dus geen stand.

De afname tussen 1990 en 1999 wordt daarenboven enkel opgetekend bij de jongste groepen en in het bijzonder bij de hoger opgeleiden. De vooroorlogse generaties schuiven op in de richting van intolerantie. De naoorlogse generaties vertonen daarentegen een stabilisatie op het niveau van 1990 of zelfs een (lichte) daling. Bij diegenen die de schoolpoorten definitief sloten voor hun negentiende verjaardag stellen we tussen 1990 en 1999 een stijging van de intolerantie vast, terwijl zich bij de hoger opgeleiden gedurende diezelfde periode een vermindering van de intolerantie aftekent. De daling tussen 1990 en 1999, die door Pelleriaux en Elchardus (1999) ook in Vlaanderen werd vastgesteld, kan met andere woorden worden toegeschreven aan de vervanging van de groepen en de stijging van het opleidingsniveau.
Het gegeven dat het gemiddeld opleidingsniveau van de Belgen toeneemt, doet ons vermoeden dat, bij eenzelfde sociaaleconomische situatie, de intolerantie de komende jaren verder gestaag zal dalen. Dat is een geruststellende gedachte. Anderzijds is het verontrustend om vast te stellen dat bij de lager opgeleiden een intolerante houding nog steeds terrein wint. Het (subjectief) gevoel dat migranten een culturele en economische bedreiging vormen, lijkt onder de lager opgeleiden nog steeds sterk te leven ondanks de huidige gunstige economische golf.

Uit de analyses die we hier hebben gepresenteerd, kunnen we geen verklaringen voor de differentiatie naar opleidingsniveau en groepen afleiden. We kunnen ons enkel aan enkele speculaties wagen. Dat bij lager opgeleiden de intolerantie toeneemt terwijl die bij de hoger opgeleiden daalt, zou kunnen worden toegeschreven aan een versterking van de duale samenleving waarin een grote meerderheid de vruchten plukt op bijna alle maatschappelijke gebieden, terwijl een minderheid op verschillende terreinen de boot mist en onder hen een wijd verspreid gevoel van sociaaleconomische onzekerheid leeft. Aangezien de groep van lager opgeleiden steeds kleiner wordt binnen onze maatschappij steken zij zich mogelijk steeds meer in de rol van slachtoffer of machtelozen en plaatsen zij zichzelf, ‘de mensen waarop wordt neergekeken’, tegenover ‘de vreemden’.
De differentiatie tussen jongeren en ouderen zou er kunnen op wijzen dat ouderen steeds meer gaan teruggrijpen naar traditionele normen en waarden en nostalgisch terugkijken naar een monoculturele samenleving, terwijl jongeren beseffen dat onze samenleving evolueert naar een multiculturele maatschappij en daar willen aan meebouwen.

Noten
1. Voor meer informatie over de onderzoeken verwijzen we naar: K.Dobbelaere, M.Elchardus, J.Kerkhofs, L.Voyé & B.Bawin-Legros (Red.) (2000), Verloren zekerheid. De Belgen en hun waarden, overtuigingen en houdingen. Tielt: Lannoo.
2. Op basis van een factoranalyse (varimaxrotatie) met de verschillende groepen van mensen die niet als buur zijn gewenst, kunnen we vaststellen dat het niet als buur willen hebben van mensen van een ander ras of immigranten en buitenlandse werknemers een gezamenlijke factor vormt met het niet als buur willen hebben van mensen met grote gezinnen, mensen met een strafregister en emotioneel onstabiele mensen. Dit betekent dat er onderling een sterke samenhang is tussen het niet als buur willen van etnische minderheden en het niet als buur willen van deze andere bevolkingsgroepen.
3. Het klassieke APC-model (Age - Period - Cohort) is direct verbonden met de vraag of waarden veranderen volgens een generatiemodel (cohorte-effect) of volgens een levenscyclusmodel (leeftijdseffect), en hoe deze ook ‘verstoord’ worden door periodegebonden gebeurtenissen (periode-effecten) (Lesthaeghe & Moors, 2000). Omdat slechts drie meetpunten beschikbaar zijn en dus geen proxies kunnen worden gebruikt om het periode-effect op afdoende wijze te benaderen, zal hier echter geen formeel APC-model worden geschat.
4. Het opleidingsniveau werd geoperationaliseerd aan de hand van de vraag hoe oud de respondent was bij het beëindigen van zijn of haar schoolopleiding.
5. Ik ben dank verschuldigd aan Dr. Guy Moors wiens gepoolde datafile van de Europese Waardeonderzoeken ik heb gebruikt. Ik bedank ook Dr. Koen Pelleriaux die mijn tekst aan een kritische blik heeft onderworpen.

Bibliografie
- J.Billiet, A.Carton & R.Huys (1990), Onbekend of onbemind? Een sociologisch onderzoek naar de houding van de Belgen tegenover migranten. Leuven: Sociologisch onderzoeksinstituut K.U.Leuven.
- J.Billiet, M.Swyngedouw, A.Depickere & E.Meersseman (2001), Structurele determinanten van het stemgedrag en culturele kenmerken van de kiezerskorpsen in Vlaanderen. Leuven: ISPO.
- M.Coenders & P.Scheepers (1998), Support for ethnic discrimination in the Netherlands 1979-1993: Effects of period, cohort, and individual characteristics. European Sociological Review, Vol.14 issue 4, 405-422.
- H.Coffé (2001), De invloed van de levensbeschouwelijke en maatschappelijke betrokkenheid op de houding tegenover etnisch-culturele minderheden en extreemrechts. Steunpunt Demografie Working Paper 2001-1, Brussel: VUB.
- H.De Witte (1990), Conformisme, radicalisme en machteloosheid. Een onderzoek naar de sociaal-culturele opvattingen van arbeiders in Vlaanderen. Leuven: HIVA.
- M.Elchardus, M.Hooghe & W.Smits (2000), Tussen burger en overheid. Een onderzoeksproject naar het functioneren van het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen. Samenvatting van de onderzoeksresultaten: Deel 1: Oorzaken en gevolgen van middenveldparticipatie. Tor Rapport nr. 2000/5, Brussel: VUB-vakgroep Sociologie.
- H.Gabennesch (1972), Authoritarianism as world view. American Journal of Sociology, 77, 857-875.
- R.Lesthaeghe & G.Moors (2000), Oudgedienden en instromers: trends in waardeoriëntaties 1981-1999. In: K.Dobbelaere, M.Elchardus, J.Kerkhofs, L.Voyé & B.Bawin-Legros (Red.), Verloren zekerheid. De Belgen en hun waarden, overtuigingen en houdingen. Tielt: Lannoo.
- K.Pelleriaux & M.Elchardus (1999), Verdraagzaamheid in Vlaanderen. Een onderzoek over de evolutie van het etnocentrisme. Samenleving en politiek, jg.6; nr.5 (mei), 32-39.
- E.Thalhammer, V.Zucha, E.Enzenhofer, B.Salfinger & G.Ogris (2001), Attitudes towards minority groups in the European Union. A special analysis of the Eurobarometer 2000 suvey. Wenen: European Monitoring Centre on Racism and Xenophobia.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 6 (juni), pagina 22 tot 28