Abonneer Log in

Over zin en onzin van de bestraffing van meningsuitingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 6 (juni), pagina 17 tot 21

In de maand juni van het afgelopen jaar wordt de eigenaar van een e-mail-discussiegroep waarop racistische berichten te lezen zijn, door het hof van beroep te Brussel veroordeeld op grond van de antiracismewet. Enkele maanden later, in oktober 2000, daagt het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding samen met de Liga voor de Mensenrechten, drie voor de werking van het Vlaams Blok onmisbare vzw’s voor de Brusselse strafrechter. Uit een 138 pagina’s tellende opsomming, bestaande uit discriminerende uitlatingen van Vlaams Blok-politici, blijkt volgens de eisers dat de uiterst-rechtse partij zich schuldig heeft gemaakt aan inbreuken op de wet van 1981 ter bestraffing van racisme en xenofobie. Omdat de partij zelf geen rechtspersoonlijkheid bezit, richten het Centrum en de Liga zich tegen de vzw’s wegens medeplichtigheid aan de door het Vlaams Blok begane schendingen van de antiracismewet. Een maand na de aanvang van het ‘Vlaams Blok-proces’ wordt voor de eerste maal een persoon bestraft op grond van de antinegationismewet. De veroordeelde, die via een Brusselse boekenwinkel het Britse negationistische tijdschrift Final Conflict had verspreid, krijgt zes maanden gevangenisstraf met uitstel en een geldboete. In maart van dit jaar tenslotte, verkondigt Roeland Raes in het NCRV-programma Netwerk dat hij niet gelooft dat het Nazi-regime in Duitsland de Joodse bevolking systematisch uitgemoord heeft, waarop het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding prompt klacht neerlegt bij het parket.

Uit deze recente gebeurtenissen blijkt dat het de Belgische overheid menens is met de bestrijding van racistische en extreemrechtse uitingen, vergaderingen en verenigingen. Premier Verhofstadt benadrukte naar aanleiding van de zaak Sauwens dat hij de juridische strijd tegen individuen of groepen die onverdraagzaamheid propageren, wil opvoeren. Hij laat met name verstaan voorstander te zijn van een doorgedreven toepassing van de antiracisme- en negationismewet.
Vooral in links progressieve politieke middens lijkt een consensus te bestaan over de noodzaak om meningsuitingen die bepaalde bevolkingsgroepen als minderwaardig afschilderen met het strafrecht te bestrijden. De basis voor deze juridische aanpak zijn de wet van 1981 tot bestraffing van bepaalde, door racisme en xenophobie ingegeven daden, en de wet van 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duits nationaal-socialistische regime werd gepleegd. Hoewel beide wetteksten bij hun ontstaan aanleiding gaven tot felle discussies tussen voor- en tegenstanders, is het debat over de wenselijkheid van dergelijke regelgeving na de uitvaardiging ervan geluwd.

Het bestaan van wetgeving betekent echter niet dat het debat over het nut of de wenselijkheid ervan overbodig geworden is, integendeel. Naar aanleiding van de hierboven opgesomde gebeurtenissen en met name gezien de poging het Vlaams Blok wegens bepaalde door haar afgevaardigden geuite meningen op te doeken, stelt zich meer dan ooit de vraag of de wetten van 1981 en 1995 wel verzoenbaar zij met het beginsel van de democratische rechtstaat.
Deze vraag is des te actueler nu de wetgever het voornemen koestert om in de toekomst nog meer meningsuitingen strafbaar te stellen. Het Wetsvoorstel ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding, bevat hieromtrent een aantal vergaande bepalingen.1 Het door de wet van 1981 ingevoerde strafrechtelijk verbod op de ‘aanzet tot discriminatie’ en op het ‘publiciteit geven aan zijn voornemen om te discrimineren’, zal niet langer worden beperkt tot uitspraken die betrekking hebben op ras, huidskleur, afstamming, afkomst of nationaliteit, maar wordt ook van toepassing gemaakt op andere discriminatiegronden, zoals geslacht, seksuele geaardheid, burgerlijke stand, geboorte, leeftijd, vermogen, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, handicap of fysieke eigenschappen.2 Men denkt er zelfs aan om een algemeen verbod in te voeren op ‘het verspreiden, het publiceren of het openbaar maken van een tekst, een bericht, een teken of van enige andere drager met discriminerende uitlatingen’.3 Zodoende bestaat een reële kans dat in de toekomst naast racistische uitspraken, onder andere ook seksistische en homofobe meningsuitingen strafbaar zijn.
Het verbieden van meningsuitingen - hoe verwerpelijk hun inhoud ook moge zijn - in een democratische rechtsstaat kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd worden. De vanzelfsprekendheid waarmee vooral progressieve politici pleiten voor strafrechtelijke vervolging van discriminerende uitingen is dan ook misplaatst. De eis om onverdraagzamen in naam van de democratie te muilkorven, getuigt van weinig inzicht in het belang van de vrijheid van meningsuiting voor ons bestel.

Waarom de vrijheid van meningsuiting beschermd wordt

Meestal wordt de bescherming van de vrijheid van meningsuiting verantwoord door te verwijzen naar de verschillende gunstige gevolgen die zij heeft voor de samenleving: in een maatschappij waarin iedereen vrij is om zich te uiten, kunnen burgers (met behulp van de massamedia) hun bewindslui controleren en hen zo nodig tijdens de verkiezingen afstraffen (de media als watchdog of democracy). Bovendien werkt het recht op vrijheid van meningsuiting een pluralistisch publiek debat in de hand, wat kan bijdragen tot een beter beleid (government by discussion). Meer algemeen wordt ervan uitgegaan dat vrije discussie leidt tot het ontdekken van de waarheid en het ontmaskeren van de leugen (the argument of truth). Doordat ook ‘gevaarlijke’ ideeën geuit en weerlegd kunnen worden, wordt daarenboven vermeden dat dergelijke ideeën ondergronds aan kracht winnen en de samenleving onopgemerkt ondermijnen. Tenslotte zou door de veelheid aan meningen op het publieke forum een verdraagzaam menstype ontstaan.4

Het is echter onjuist de vrije meningsuiting als een louter instrumenteel iets te beschouwen, iets dat alleen moet worden gekoesterd omwille van de gunstige gevolgen die het heeft voor de samenleving.5 De vrijheid van meningsuiting is in de eerste plaats waardevol. Niet omdat zij bijdraagt tot een betere samenleving, maar omdat zij een essentieel en constitutief bestanddeel is van een rechtvaardige staatsordening.6 Een rechtvaardige samenleving veronderstelt dat de staat haar onderdanen als moreel verantwoordelijke personen bejegent. Een individu is slechts moreel verantwoordelijk wanneer hij zelf kan uitmaken wat goed en slecht is in het leven, en hij zijn ideeën hieromtrent kan uiten tegenover de andere leden van de gemeenschap waartoe hij behoort. Een gemeenschap die niet toestaat dat haar burgers opinies uiten of aanhoren, ook al zijn die (in de woorden van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens) schokkend, verontrustend of kwetsend, ontkent de morele verantwoordelijkheid van die burgers. Eén van de pleitbezorgers van deze stelling in de Verenigde Staten is de rechtsfilosoof Ronald Dworkin. Dworkin schrijft in dit verband het volgende: ‘We retain our dignity, as individuals, only by insisting that no one - no official and no majority - has the right to withhold an opinion from us on the ground that we are not fit to hear and consider it’.7
Deze opvatting vloeit voort uit Dworkin’s pleidooi voor een zogenaamde ‘morele lezing’ van de grondwet (moral reading of the constitution).8 De ‘morele lezing’ van de grondwet verlangt dat wij allemaal - rechters, juristen en burgers - de grondrechten interpreteren en toepassen als morele normen, als regels van politiek fatsoen en van rechtvaardigheid. De vrijheid van meningsuiting is een typevoorbeeld van een dergelijke norm. Het recht op vrije meningsuiting, vervat in artikel 19 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens vestigt, volgens de ‘morele lezing’, het principe dat het de staat niet toekomt te bepalen wat de individuele burger mag zeggen en horen, schrijven en lezen, en incorporeert deze morele waarde in het Belgische recht. Indien de Belgische staat de vrijheid van meningsuiting van zijn burgers niet beschermt, handelt hij onfatsoenlijk en dus immoreel.

Volgens de eerste, utilitaristische rechtvaardigingstheorie van de vrijheid van meningsuiting verdienen uitingen alleen bescherming in zoverre zij bepaalde gunstige gevolgen met zich meebrengen voor bijvoorbeeld de werking van de democratie. De bescherming van de vrije meningsuiting zou bijgevolg minder belangrijk zijn voor uitingen die niet bijdragen tot het politieke debat (bijvoorbeeld artistieke expressie, scheldproza of pornografie).9 Een onderscheid tussen waardevolle uitingen die vergaande bescherming genieten en uitingen die vanwege hun geringer nut sneller aanleiding kunnen geven tot vrijheidsbeperkend optreden, is steeds tot op zekere hoogte willekeurig.
Om te verhinderen dat de overheid naar willekeur kan bepalen welke uitingen waardevol zijn voor het publiek en welke niet - wat in strijd is met de idee van de morele verantwoordelijkheid van elke burger - is de waardengerichte rechtvaardigingstheorie verkieslijk. Die bepaalt immers dat elke burger een moreel recht heeft om te zeggen en schrijven wat hij wil, en het publiek het morele recht heeft om hiervan kennis te nemen. Dit impliceert dat elke uiting bescherming geniet tegen overheidsoptreden, ongeacht de inhoud of het nut van die uiting.

Afweging van grondrechten (door parlement en arbitragehof)

De morele lezing van het grondrecht op vrije meningsuiting impliceert nochtans niet dat beperkingen op die vrijheid niet toegelaten zijn. Het morele recht op vrijheid van meningsuiting kan immers in aanvaring komen met andere in de grondwet en mensenrechtenverdragen geïncorporeerde morele rechten. Aangezien een overkoepelende waardenhiërarchie niet bestaat, moet bij een dergelijk conflict een afweging gemaakt worden tussen de in het geding zijnde waarden.10
Morele rechten met grondwettelijke status waaraan schade toegebracht kan worden tengevolge van meningsuitingen zijn onder andere het recht op bescherming van de fysieke integriteit, het recht op privacy en het recht op non-discriminatie. Een conflict tussen de morele rechten op vrijheid van meningsuiting en op bescherming van eenieders fysieke integriteit doet zich voor wanneer bijvoorbeeld een leider van extreemrechtse skinheads zijn volgelingen publiekelijk oproept tot het plegen van gewelddaden tegen immigranten.
Bij de afweging van grondrechten moet de wetgever een moeilijke evenwichtsoefening uitvoeren. Hij moet de baten die bijvoorbeeld een minderheid in de samenleving heeft bij het strafrechtelijk verbieden van bepaalde uitingen (bijvoorbeeld uitingen die aanzetten tot rassenhaat), afwegen tegen de nadelen en gevaren van een dergelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting. Indien een strafrechtelijk verbod op discriminatoire uitingen niet daadwerkelijk bijdraagt tot de gelijke behandeling van een bepaalde bevolkingsgroep, weegt het belang van de vrijheid van meningsuiting door en moet van penale repressie afgezien worden.
Het is maar de vraag of repressieve wetgeving wel een effectief middel is om de rechten van minderheden te beschermen.11 Een verbod op racistische en xenofobe meningsuitingen heeft niet tot gevolg dat discriminatoire meningen verdwijnen, net zomin als politieke afkeuring van discriminatie door de meerderheid de minderheid van standpunt doet veranderen. Repressieve wetgeving kan zelfs het perverse effect hebben dat de geviseerde minderheid in haar idee wordt bevestigd dat de heersende politieke meerderheid een bepaalde opvatting tracht op te leggen.12 Bovendien moet worden vastgesteld dat de ruime mediabelangstelling voor delicten inzake discriminatoire meningsuitingen de verspreiding ervan zeker niet moeilijker maakt. Het lijkt dan ook zeer onwaarschijnlijk dat het gerechtelijk optreden van de laatste maanden een efficiënte manier is om discriminatoire of racistische groeperingen en meningen te bestrijden.

Indien de wetgever de in het geding zijnde waarden onzorgvuldig tegen elkaar afweegt en bijvoorbeeld onder druk van de publieke opinie beslist om de vrijheid van meningsuiting vergaand te beperken ten gunste van strenge maar ineffectieve antidiscriminatie wetgeving, komt het aan het Arbitragehof toe deze wet desgevraagd te vernietigen.
In een recent arrest inzake de wet op de partijfinanciering maakte het hof duidelijk dat het grondrecht op vrijheid van meningsuiting in de Belgische rechtsorde ruime bescherming geniet.13 Zo bepaalde het hof dat meningsuitingen die vijandig staan tegenover mensenrechten slechts kunnen leiden tot een intrekking van de overheidsdotatie wanneer deze aanzetten tot de schending van vigerende rechtsnormen. Uitingen die een of andere groep van de bevolking schokken, verontrusten of kwetsen zonder de schending van geldend recht uit te lokken, kunnen dus geen beperkingen van de vrijheid van meningsuiting rechtvaardigen. In het arrest over de wet op de partijfinanciering is het hof terecht een stuk strenger dan in zijn rechtspraak over de negationismewet. De wetgever is dus gewaarschuwd: het Arbitragehof zal strafwetgeving gericht tegen discriminerende uitlatingen die geen daadwerkelijke schade veroorzaken, niet overeind laten.

Slotbeschouwingen

De niet aflatende groei van het extreemrechtse Vlaams Blok verleidt vele politici ertoe te pleiten voor een strenge strafrechtelijke aanpak van racistische en xenofobe uitspraken. Vooral links progressieve politici - omdat die zich wellicht het verst van het gedachtegoed van het Vlaams Blok verwijderd voelen - pleiten voor het consequent bestraffen van bestaande en voor het creëren van nieuwe opiniedelicten.
Het pleidooi voor een penale aanpak van discriminerende uitlatingen gaat echter voorbij aan het feit dat een democratische samenleving bestaat bij gratie van vrijheid van meningsuiting. Wanneer een overheid op het publieke forum geen plaats laat voor onverdraagzamen, behandelt zij haar burgers niet als moreel verantwoordelijke individuen en schendt zij haar plicht om aan burgers de ruimte te laten om zelf te bepalen wat zij goed en slecht vinden.

Wat er kan gebeuren wanneer bewindslieden uit het oog verliezen dat de vrijheid van meningsuiting in een democratie niet zomaar voor kortzichtige politieke doeleinden opzij gezet kan worden, werd onlangs geïllustreerd door minister Anciaux. Zijn omzendbrief gericht tot alle Vlaamse bibliotheken om negationistische werken uit de rekken te laten halen, is een aanfluiting van de democratie. Op zulke ogenblikken is het een hele geruststelling dat een grondwettelijk hof in laatste instantie waakt over het respect voor de grondrechten.

Noten
1. Wetsvoorstel ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, Parl. St. Senaat 1999-2000, 2-12/1.
2. Artikel 4 van het wetsvoorstel.
3. Artikel 8 van het wetsvoorstel.
4. Over het waarom van vrijheid van meningsuiting zie: J. Lichtenberg, ‘Foundations and Limits of freedom of the press’, in Freedom of the Press.
5. Belangrijk pleitbezorger van deze utilitaristische rechtvaardigingstheorie is J.S. Mill in On Liberty (University Press, Cambridge, 1989). Volgens I. Berlin wordt J.S. Mill ten onrechte als een utilitarist beschouwd. Zie: ‘John Stuart Mill and the ends of life’, in Four Essays on Liberty.
6. R. Dworkin, Freedom’s Law, The Moral Reading of the American Constitution, University Press, Oxford, 1996, 200.
7. Ibid.
8. Ibid., 1-38.
9. Een voorstander van deze theorie is Karel Rimanque die het recht op vrijheid van meningsuiting geen bijzondere waarde toekent, tenzij wanneer het meningsuitingen betreft die bijdragen tot het publieke debat. Zie K. Rimanque, ‘Het wankele evenwichtspunt waar de vrijheid van expressie en andere grondrechten elkaar raken’, in Jaarboek Mensenrechten 1995-96, 145-157.
10. Zie I.Berlin, ‘The pursuit of the ideal’ in The proper study of mankind.
11. Voor het belang van de effectiviteit van vrijheidsbeperkende maatregelen in de sfeer van meningsuiting zie D. De Prins, ‘De burgerlijke rechter en de persvrijheid’, R.W. 2000-2001, 1445-1456.
12. Zie K. Raes, ‘Vrijheid van meningsuiting en de revisionistische geschiedvervalsing’, in D. Voorhoof (ed.), Vrijheid van meningsuiting, racisme en revisionisme, Academia Press, Gent, 1995, 31-78
13. Voor een uitgebreide bespreking van dit arrest zie S. Sottiaux, ‘Het Arbitragehof herontdekt de vrijheid van meningsuiting’, te verschijnen in het Rechtskundig Weekblad in oktober 2001.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 6 (juni), pagina 17 tot 21