Log in

'Contre-feux 2'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 7 (september), pagina 42 tot 44

Contre-feux 2

Pierre Bourdieu
Editions Raisons d’Agir, Le Seuil, Paris, 2001

Pierre Bourdieu mag allicht tot de grootmeesters van de hedendaagse sociologie worden gerekend. Hij behoort tot de meest smaakmakende Franse sociologen van het ogenblik. Zijn publicaties stellen vaak hoge eisen aan de lezer door de soms uiterst hermetische formulering. Bourdieu is zich bewust van de lastige leesbaarheid van zijn teksten. Maar hij acht ze noodzakelijk: gezien de sociale werkelijkheid zeer complex in elkaar steekt, is eenvoudig formuleren in de regel ongaaf. Tegelijk spreekt Bourdieu steeds vaker zijn reserves uit tegen een dergelijke ijver. De moeilijke leesbaarheid komt een bepaalde klasse van ‘grootbezitters van cultureel kapitaal’ mogelijk gelegen en brengt tegelijk nieuwe privileges mee die maatschappelijk hoogst improductief zijn. Mede daarom richtte Bourdieu in 1996 het uitgeverscollectief Raisons d’Agir op. De doelstelling is handzame boekjes te drukken en te verspreiden, waarin op een bevattelijke manier actuele sociale problemen worden aangekaart. Tot nu zijn in de reeks elf afleveringen verschenen, waaronder Contre-feux 2, dat net als de eerste aflevering, Sur la télévision (1992), en een andere met dezelfde titel, Contre-feux (1998), van de pen van Bourdieu zelf is. Contre-feux 2 bundelt de teksten van acht lezingen die Bourdieu in 1999 en 2000 over de hele wereld gevraagd werd te houden en is van een korte inleiding voorzien.

Je vindt in de verzameling diverse thema’s. Ik noem, op de bonnefooi: de paradoxale samenhang tussen maatschappelijke individualisering en globalisering en de daarmee overeenkomende nieuwe sociale risico’s; nieuwe vormen van ongelijkheid en maatschappelijke dualisering - die Bourdieu beschrijft als een ‘epistemocratie’ - en aansluitend daarbij de wording, structuur en werking van de kennis- en informatiemaatschappij; de sociale functioneringsvereisten, kenmerkend voor een meer recent stratum grootbezitters van een specifiek subtype cultureel kapitaal, het technocratische kapitaal (ook wel managerial capital geheten), alsook voor wat Bourdieu ‘jongere beroepen’ in de media- en reclamewereld en in de welzijnssector noemt; de potentieel kritische positie en de rol van sociale wetenschappers en de maatschappelijke impact van paradigmatische onderscheiden in verband met sociologiebeoefening; de vermarkting van de kunst en van onderwijs, opleiding en vorming; de vormverschillen en moeilijke verhouding tussen de oude en nieuwe sociale bewegingen, in het bijzonder de vele burger- en buurtbewegingen.

Het opzet en het bestek van de bundel laat nauwelijks ruimte voor een grondige uitwerking of diepgaande argumentatie, en af en toe gaat Bourdieu echt scherp door de bocht. Contre-feux 2 is daarom, ook in dat opzicht, exemplarisch voor wat een intellectuele praxis met een wetenschapper en zijn productie kan doen. Contre-feux 2 is bijzonder illustratief voor de radicale tweefrontenstrijd die Bourdieu zich voorneemt te voeren. Wetenschappelijke productie is in zijn ogen het resultaat van georganiseerde arbeid. Ook de wetenschappelijke productiewijze kent zijn technische, sociale en ideologische productieverhoudingen en wel onder de min of meer vaste vorm van diepe maatschappelijke ongelijkheden en contradicties. Aan de ene kant, stelt hij, is wetenschappelijke praxis altijd verbonden met een welbepaalde historische conjunctuur van de strijd tegen uitbuiting en maatschappelijke uitsluiting. Wetenschap is ‘in laatste instantie klassenstrijd in de theorie’, hoor je Althusser bijna zeggen. Aan de andere kant verdedigt Bourdieu steeds weer de relatieve autonomie van wetenschappelijke arbeid. Bourdieu weigert de positie en rol van de ‘organische of burgerlijke intellectueel’ die zijn kenniskapitaal ten dienste van de dominantie stelt. Maar de rol van de ‘kritische, sociale intellectueel’, die geïnstitutionaliseerd links en het zogenaamde progressisme onbedacht napraat en van theoretische wapens voorziet, past hem evenmin. Tegenover deze beide, naar zijn mening onvruchtbare standpunten, verdedigt Bourdieu een specifiek kennisprincipe, waarbij enkel ongedeeld wetenschappelijke maatstaven van tel zijn, en niet het heteronome criterium van economisch of maatschappelijk gewin of van politiek opportunisme. Onwaarschijnlijk genoeg betekent dit chiasme tussen het veld van de zuivere wetenschappelijke productie en dit van de politiek geen beletsel, maar precies een voorwaarde voor intellectueel engagement. ‘Culturele producenten zullen de plaats die hun in het maatschappelijke leven toekomt, pas terugvinden als ze eens en voor altijd afstand nemen van de mythe van de ‘organische intellectueel’ [...] en als ze aanvaarden zich gezamenlijk in te zetten voor de verdediging van hun eigen belangen. Daartoe zouden ze zich moeten manifesteren als een internationale macht, die zich tegenover de technocraten tot taak stelt kritiek te leveren en toezicht te houden, of zelfs voorstellen te formuleren. […] Zo een Realpolitik van de Rede zal ongetwijfeld onder de verdenking van corporatisme komen te staan. Het is dan ook aan de intellectuelen zelf om te bewijzen, door de doelen waartoe ze de - zwaar bevochten - middelen van hun autonomie aanwenden, dat het daarbij gaat om een corporatisme van het universele.’

In Contre-feux 2 vind je gegarandeerd op elke pagina een kostelijke opeenstapeling van onverwachte doorkijkjes, verrassende inzichten en pijnlijk zeldzame redeneerparels terug. Ik beperk me tot een citaat dat, me dunkt, duidelijk de boude originaliteit van de teksten van Contre-feux 2 illustreert. Het stamt uit de tekst La main invisible des puissants, die Bourdieu deels in Zürich en deels in Berlijn uitsprak. ‘Zo vestigt zich een zonderlinge relatie, die niet zelden onopgemerkt blijft of onbegrepen is, tussen de neoliberale politiek en sommige fascistoïde vormen van rebellie in hoofde van zij die zich uitgesloten weten van die zogenaamde vernieuwing en, begrijpelijkerwijs maar ten onrechte, vooruitvluchten in het bloed- en bodemfantasme van het nationale, van het nationalisme. (Inderdaad, als neoliberale denkbeelden moeilijk te bestrijden zijn, is dat omdat het om een conservatisme gaat dat zich als progressiviteit vermomt, en omdat het neoliberalisme zodoende elke vorm van kritiek en, specifiek de kritieken die het argument van de destructie van historische sociale verworvenheden aanvoeren, als conservatisme, ja archaïsme, kan bestempelen. Het is derhalve denkbaar dat regeringen die zichzelf sociaaldemocratisch noemen, diegenen die de verloochening van de socialistische ideologie ter sprake brengen, door ze onder het gemeenschappelijke etiket “roodbruin” te marginaliseren, in dezelfde zak stoppen als zij die het slachtoffer van die verloochening zijn en die deze regeringen aanrekenen wat in hun ogen het socialisme is.)’

Welzijnswerk in de actieve welvaartsstaat
Bourdieu verwijst in de slotbijdrage van Contre-feux 2, Unifier pour mieux dominer, met grote instemming naar Karl Polyani en, meer bepaald, naar diens veel geciteerde boek The great Transformation (1944). In dit boek toont Polyani aan dat - in de termen van Pierre Bourdieu - ‘het ontstaan van nationale markten niet het mechanische effect van een graduele uitbreiding van economische ruilinteracties en -relaties is, maar wel het intentionele resultaat van een uitdrukkelijk mercantilistische staatspolitiek’. De eenmaking van het veld van de economische ruil heeft ertoe geleid dat heel diverse actoren in een zelfde marktcompetitie verwikkeld raakten, waar ze echter niet eender voor toegerust waren. Kortom, economische eenmaking strekt in de regel tot het voordeel van de dominante sociale strata. De wijdte van deze competitie bleef al bij al redelijk beperkt omdat ze grotendeels plaatsvond binnen de enge grenzen van nationale staten, die immers de sfeer introduceerden van een uitgebreide sociale wet- en regelgeving.
Precies hierin ligt een markant verschilpunt met de huidige globaliseringsstrekking. Nog meer dan vroeger gelden op de mondiale markt de criteria van de meest begunstigden als maatstaf. Tegenkrachten zijn er niet of nauwelijks. ‘Er bestaat een Europa van banken en bankiers, een Europa van de bedrijven en de patroons, van de politie en politiekorpsen en binnenkort ook een Europa van de legers en van de militairen, maar, al bestaat er wel degelijk een Europese vakorganisatie, toch kan je niet zeggen dat er een sociaal Europa bestaat; en het Europa van kunstenaars, schrijvers en wetenschappers bestaat in mindere mate dan in de voorbije eeuwen het geval is geweest.’
Globalisering is derhalve geen economische fataliteit maar een doelbewuste politieke strategie. Die strategie weliswaar is paradoxaal omdat het, ten eerste, om een ‘politiek van depolitisering’ gaat en, ten tweede, omdat die depolitiseringspolitiek ‘zich schaamteloos beroept op het historische vertoog van liberale vrijheden, om zich tegelijk over te leveren aan de fatale greep van het economische determinisme, door de economie van elke vorm van politieke controle vrij te stellen.’

Die dubbele paradox brengt ons tot nog een ander inzicht. Is het immers niet opmerkelijk dat een beleid dat erop aanstuurt de politieke sfeer ten voordele van markteconomische imperatieven te onteigenen, ook wordt gevoerd in die landen die mede door sociaaldemocraten en andere nieuwere, zogenaamd progressieve partijen worden bestuurd? Hoe komt dit? Belangrijk is in elk geval in te zien dat er in de meeste West-Europese landen niet zo maar een politiek van sociale afbraak wordt gevoerd. Integendeel, een geheel nieuw stelsel van voorzieningen, volgens het grondbeginsel van de actieve welvaartstaat, wordt op de sporen gezet en historische sociale voordelen worden tegelijk ingeperkt. Zo worden de slachtoffers van economische deprivatie en sociale uitsluiting via alternatieve tewerkstellingscircuits fictieve arbeid voorgespiegeld ‘door van hen gesalarieerden zonder salaris, ondernemers zonder onderneming, en lerenden zonder vak noch vooruitzichten te maken. Allemaal vormen van zorg die een soort collectieve zelfbegoocheling met zich brengen en een namaakwerkelijkheid opvoeren; [...] begoocheling en werkelijkheid die op de personalistische leer van caritativiteit berust en zogenaamd onderbouwd wordt door een soft sociology, die zichzelf verstehend noemt, omdat ze pretendeert uit te gaan van de referentiekaders van de “subjecten” die ze wil stimuleren hun lot in handen te nemen (actiesociologie).’
De positie en rol die welzijns- en vormingswerkers hierbij opnemen, is volgens Bourdieu significant. Welzijns- en vormingswerkers en velen die in het reguliere dagonderwijs zijn tewerkgesteld, maken precies de harde kern uit van het electoraat van nieuwlinkse en ecologische partijen. Die nieuwe kleinburgerij - Bourdieu spreekt elders over ‘kleine staatsadel’, in tegenstelling tot de ‘grote staatsadel’ van politieke decision makers in de administratie - fungeert als een objectieve bondgenoot van de dominante strata en ideologie, ook al is ze subjectief een opponent van de vermarkting en het neoliberalisme. Bijzonder problematisch met name is de keuzeverwantschap in de dispositie en habitus van welzijns- en vormingswerkers, niet alleen met het principe van het personalisme, maar ook met ‘de liberale traditie van zelfhulp (overgenomen van de Calvinistische predestinatieleer volgens dewelke God helpt wie voor zichzelf zorgt) en de conservatieve exaltatie van de individuele verantwoordelijkheid, die er bijvoorbeeld reden voor is dat maatschappelijk falen aan het individu en niet aan contextfactoren wordt toegeschreven, en die aan de basis ligt van een “aandeelhouderssamenleving”, [zodat], middels de dubbelzinnige notie van tewerkstelbaarheid, die in de plaats komt van het veiligvertrouwde denkbeeld van werkzekerheid, de individuele sociale actor gedwongen wordt om voor zichzelf een plaats op de arbeidsmarkt te veroveren en te verzekeren, wat niet zelden met zelfuitbuiting gepaard gaat, en genoodzaakt om de entrepreneur van zichzelf te worden.’

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 7 (september), pagina 42 tot 44