Log in

'Een vierde weg? Links-liberalisme als traditie en als oriëntatiepunt'

Uitgelezen

Een vierde weg? Links-liberalisme als traditie en als oriëntatiepunt

Sven Gatz & Patrick Stouthuysen (red.)
VUBPress, Brussel, 2001

De bundel ‘Een vierde weg’, samengesteld door politicus Sven Gatz (VU&ID) en politicoloog Patrick Stouthuysen (VUB), is het product van de gelijknamige studiedag die plaatsvond in mei 2000. Een klein jaar later bundelt het boek verschillende bijdragen, aangevuld met een aantal nieuwe teksten. Door wat er onderhand allemaal bij VU&ID heeft plaatsgevonden, is het al de moeite waard om gelezen te worden als tijdsdocument. De bundel biedt, meer bepaald in de bijdragen van Gatz en Vankrunkelsven, weer wat meer inzicht in de partij- en maatschappijvisie van wat men de progressieve vleugel van VU&ID is gaan noemen. Maar ook los van de politieke actualiteit, kent de bundel een aantal bijdragen die meer dan lezenswaardig zijn en uitnodigen tot reflectie en debat. Ook al lijkt het afgaande op het aantal pagina’s en de titel om een dik boek over een taai academisch onderwerp te gaan, door het (te) grote lettertype en de toegankelijke schrijfstijl is het eigenlijk een relatief vlot leesbare bundel.
Het boek bestaat uit drie grote delen. In een eerste deel worden de wortels van het links-liberalisme behandeld. In een tweede deel wordt het hedendaagse links-liberalisme in West-Europa besproken en de relevantie voor Vlaanderen bediscussieerd. In een derde deel wordt de relatie tussen links-liberalisme en nationalisme behandeld. Meer dan enige thematische samenhang tussen de bijdragen dient de lezer niet meteen te verwachten. We hebben echt te maken met een bundeling van uiteenlopende en soms tegenstrijdige bijdragen. De samenstellers zeggen daarom ook zelf in de inleiding dat de lezer gerust mag ‘zappen door het aanbod’. Dat lijkt me geen slechte aanbeveling, want niet alle bijdragen zijn even interessant, relevant of onderbouwd. In het eerste deel ‘links-liberalisme als traditie’, biedt het stuk van politicoloog Patrick Stouthuysen een (te) summiere introductie tot wat onder links-liberalisme verstaan kan worden. Stouthuysen onderscheidt het ontplooiingsliberalisme, het negentiende eeuwse radicale liberalisme en het politiek filosofische liberaal-egalitarisme. De lezer weze echter gewaarschuwd dat het etiket ‘links-liberalisme’ in de loop van het boek door de auteurs wel erg kwistig gebruikt wordt om de meest diverse zaken aan te duiden. Historicus-socioloog Marc Hooghe gaat in hetzelfde eerste deel van de bundel dieper in op verschillende invullingen van het vrijheidsbegrip binnen het liberalisme als politiek filosofische stroming. Hij verschaft hierbij een bijzonder toegankelijke inleiding tot het denken van de filosofen Rawls, Sen en Nussbaum. Historicus Johan Basiliadis beschrijft op zijn beurt in een bijzonder interessant en vlot geschreven stuk de geschiedenis van het negentiende-eeuwse radicalisme als links-liberale stroming in België, op het eerste gezicht nochtans een weinig tot de verbeelding sprekend onderwerp. Het stuk van socioloog Paul Lucardie over de historie van de vooroorlogse Vrijzinnig-Democratische Bond in Nederland stelt echter wel teleur.
Het tweede deel ‘de actualiteit van het links-liberalisme’ vangt aan met drie bijdragen over het links-liberalisme in het hedendaagse Europa, waarvan de ene al interessanter en relevanter is dan de andere. Politicoloog Michaël Wagemans biedt een nuttig overzicht van de partijpolitieke vertaling van het links-liberalisme in West-Europa. De relevantie van het stuk van de Nederlanders Hesseling en Beun over D66 is daarentegen onduidelijk. Erger nog, het is zelfs eerder oninteressant omdat veel te veel toegespitst wordt op de lotgevallen van de interne drukkingsgroep ‘Opschudding’ die voor buitenstaanders bezwaarlijk nuttige informatie opleveren. Stukken interessanter is de korte toegevoegde bijdrage van de vooraanstaand socioloog Ralf Dahrendorf waarin een kritiek ontwikkeld wordt op de derde weg vanuit het ankerpunt van het vrijheidsprincipe. De rest van het tweede deel van de bundel richt de focus op de betekenis van links-liberalisme voor Vlaanderen. Sven Gatz ontwikkelt een verdienstelijk pleidooi voor VU&ID als links-liberale factor in de Vlaamse politiek, die door Patrik Vankrunkelsven grotendeels bijgetreden wordt. Vervolgens ondernemen Yves Desmet, Vincent Van Quickenborne, Dirk Holemans en Jos Geysels, René Los, Stefaan Thijs en Kathleen Van Brempt en Dirk Sterckx met wisselend succes een poging om in hun bijdrage met Gatz in debat te gaan. Uit het onkritische discours over globalisering van Van Quickenborne (ID) wordt duidelijk waarom hij ID liever richting VLD ziet evolueren. Sterckx (VLD) lijkt dan weer matig op de hoogte te zijn van literatuur en debat rond het links-liberalisme. De beste kritiek vloeit uit de pen van Holemans en Geysels (Agalev), wanneer zij zich vragen stellen over de combineerbaarheid van links-liberalisme met nationalisme. Ze laten echter wel een kans liggen om te beargumenteren dat Agalev in het Vlaamse landschap al (deels) het links-liberalisme vertolkt, zoals dat ook bij vele groene partijen in andere landen het geval is. Het is geen toeval dat het jonge deel van het VU&ID electoraat qua waardenoriëntaties bijzonder dicht aanleunt bij het Agalev electoraat.1 Thijs en Van Brempt (SP) nemen in hun stuk het duidelijkst de politieke handschoen op, vanuit de analyse dat het postmaterialistische deel van het electoraat van VU&ID, Agalev en SP vaak erg dicht bij elkaar staan. Ze schromen niet om in hun bijdrage op te roepen tot een partijpolitieke herverkaveling met een samengaan van SP en Agalev, waarbij de VU (en ACW) zich kunnen aansluiten. Zoals bekend, hield Geysels (Agalev) in respons op deze oproep de boot af. De groenen wensen eerst meer samenwerking en steun in de praktijk vooraleer aan de kartelformule, koepelpartij of lijstverbinding gedacht kan worden. De progressieve vleugel van VU&ID twijfelt, anticiperend op een breuk binnen de Volksunie, naar verluidt overigens tussen VLD en SP, terwijl Agalev als - nochtans evidente - potentiële partner minder genoemd wordt.
In het derde en laatste deel van de bundel ‘links-liberalisme en nationalisme’, belicht moraalwetenschapper Jurgen De Wispelaere eerst op overzichtelijke wijze de manier waarop over groepsrechten en nationalisme binnen de liberale stroming van de politieke filosofie wordt nagedacht. In dat laatste deel vinden we ook vertaalde stukken terug van de Belg Philippe Van Parijs en de Canadees Will Kymlicka, beiden internationaal toonaangevende politiek filosofen. Van Parijs bespreekt in zijn essay de spanningen verbonden aan het vraagstuk van democratie en solidariteit in een meertalige maatschappij. Kymlicka’s stuk behandelt de integratie van immigranten en het minderheidsnationalisme. Een lezenswaardige bijdrage, ook al staan er wat storende foutieve uitspraken in over de samenstelling van de migrantenbevolking in Vlaanderen. Gatz en Basiliades bespreken, zich baserend op het denkkader van Kymlicka, het vraagstuk van minderheidsrechten in Brussel. Het werk van Kymlicka is inderdaad bijzonder geschikt om het minderhedenvraagstuk in Brussel te bekijken en het is zonder meer verfrissend - zelfs verrassend - dat Vlaamsgezinde politici een dergelijke uitgebalanceerde kijk op de situatie van de Nederlandstaligen in Brussel wensen te hanteren. Ik ben wel benieuwd of ze dezelfde Kymlickaanse redenering aangaande nationale minderheden consequent willen doortrekken naar de Franstaligen in de rand. Hoe dan ook is het een goede zaak dat de ideeën van Kymlicka nog maar eens naar de Belgische context vertaald worden en het debat over de toekomst van onze federale staat kunnen verrijken.
Nu kan men zich afvragen in hoeverre dit alles echt thuis hoort in een boek over links-liberalisme. Zeker, de discussie over nationalisme en multiculturalisme kende vooral een hoge vlucht binnen de liberale, zo u wil links-liberale, Angelsaksische traditie binnen de politieke filosofie. De bespiegelingen van ‘liberal philosophers’ over groepen en naties kunnen echter bezwaarlijk als kernelement van het links-liberalisme beschouwd worden. Maar goed, het kunst- en vliegwerk in de opbouw is enigszins begrijpelijk. Brussels en Vlaams parlementslid Gatz hoopte ongetwijfeld, als twee vliegen in één klap, én een open visie op nationalisme én een links-liberale inhoudelijke koers aan de Volksunie te slijten. Il faut imaginer Sisyphe heureux.

Noot
1/ Billiet, J., Swyngedouw, M., Depickere, A. & Meersseman, E. (2001). ‘Structurele determinanten van het stemgedrag en culturele kenmerken van de kiezerskorpsen in Vlaanderen.’ Leuven: ISPO-bulletin 2001/41.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 7 (september), pagina 45 tot 46