Abonneer Log in

Debat over arbeidsimmigratiebeleid is niet afgesloten

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 8 (oktober), pagina 28 tot 31

Het leek er de afgelopen tijd op alsof twee SP-ministers een discussie wilden afsluiten nog voor die goed en wel begonnen was: het debat over de toekomst van het arbeidsimmigratiebeleid. Dit debat, dat eerder was aangezet door onder meer het VEV, en van politieke zijde Agalev en de VLD, leek in juli op enige consensus af te stevenen met het unaniem goedgekeurde verslag van de Senaatscommissie voor Binnenlandse Zaken. In haar aanbevelingen stelde deze commissie immers een versoepeling voor van de wetgeving ten aanzien van hooggeschoolde arbeidsmigranten. Voor lagere kwalificaties moet bovendien een lijst van knelpunten worden aangelegd waarvoor de aanvraag tot een arbeidskaart in principe automatisch zou worden toegekend. Dit alles, aldus de senaatscommissie, kan via verschillende mogelijke systemen gerealiseerd worden: selectieve immigratie, quota, of een systeem van green cards. Aan de regering om haar intenties ter zake duidelijk te maken.

Maar voor enkele tenoren van de SP is deze discussie dus niet aan de orde, en kan ze maar beter zo snel mogelijk gesloten worden.
Zo Vlaams minister van Werkgelegenheid Renaat Landuyt, die naar aanleiding van uitspraken van Europees Commissaris Antonio Vitorino en discussies in de ons omringende landen, nog eens herhaalde dat Vlaanderen geen nieuwe arbeidsimmigranten nodig heeft vóór het jaar 2010, wanneer de vergrijzing volop gevolgen heeft voor onze arbeidsmarkt. De minister kwam er even later nog eens op terug, naar aanleiding van tegenvallende werkloosheidscijfers in de maand juli: het moest nu maar eens duidelijk zijn, zo stelde hij, dat het toevoegen aan onze arbeidsmarkt van nieuwkomers uit het buitenland totaal niet aan de orde is. Landuyts herhaaldelijk geuite huiver tegenover arbeidsimmigratie is trouwens van vrij recente datum: begin dit jaar nog liet hij in een bevlogen maar goed onderbouwd essay over werken in de kennismaatschappij (Reizen door de toekomst) nog het volgende optekenen: ‘Ik ben principieel niet gekant tegen een nieuwe golf van arbeidsimmigratie. De geschiedenis heeft ons meer dan eens kunnen aantonen hoe verrijkend migratie is. Elke migratiegolf brengt een economische, sociale, culturele en intellectuele stimulans mee die elke open maatschappij nodig heeft. Ik heb dan ook geen enkel probleem om arbeidskaarten toe te kennen als bedrijven mij kunnen aantonen dat zij een welbepaalde werknemer met welbepaalde vaardigheden nodig hebben, die ze - ondanks hun en onze inspanningen - niet op de Vlaamse arbeidsmarkt kunnen vinden.’ Maar zoals gezegd spreekt minister Landuyt de jongste maanden een heel andere taal.

En dan was er federaal vice-premier Johan Vande Lanotte, die stelde de voorstellen van de Duitse minister van Binnenlandse Zaken Otto Schilly (SPD) om het immigratiebeleid grondig te hervormen, ‘ultraliberaal’ (of anders gezegd: verwerpelijk) te vinden. Ook in ons land zullen er nu wel mensen zijn die gelijkaardige proefballonnen gaan oplaten, aldus Vande Lanotte, maar de SP heeft al beslist dat er van een versoepeld arbeidsimmigratiebeleid geen sprake kan zijn. Geen discussie dus, geen debat, geen grondige afweging van argumenten voor of tegen.

De houding van beide bewindspersonen staat inderdaad in schril contrast met de discussie over werkvergunningen, groene kaarten en contingenten die momenteel volop in de ons omringende landen wordt gevoerd. Zo kondigde de nieuwe Britse minister van Binnenlandse Zaken, David Blunkett, kort na zijn aantreden in juni aan dat hij het geldende stelsel van arbeidsvergunningen wil hervormen. Op die manier kan beter aan de huidige en toekomstige behoefte aan hogeropgeleid personeel worden tegemoet gekomen. Gelijkaardige plannen leven in Nederland, waar de paarse regering in de loop van het najaar het hele immigratiebeleid tegen het licht gaat houden. Het uitgangspunt is dat Nederland in de nabije toekomst meer werknemers van buiten de EU nodig heeft. Minister-president Wim Kok (PvdA) staat alvast niet afkerig van een quotum-systeem voor hooggeschoolde economische migranten. Hetzelfde geldt voor zijn partijgenoot en beoogd opvolger Ad Melkert, die in het aprilnummer van het Nederlandse derdewereldtijdschrift Onze Wereld stelde dat de Europese Unie meer mogelijkheden moet geven aan economische migranten die zich hier komen vestigen. ‘Van een goede migratiepolitiek kan ook Nederland profiteren’, aldus Melkert.

Maar het meest vergevorderd is de discussie in Duitsland. Onder impuls van kanselier Schröder heeft de roodgroene regering er vorig jaar, als reactie op het grote tekort aan informatici en het achterop hinken van het land op ICT-gebied, een eigen systeem van groene kaarten voor informaticaspecialisten in het leven geroepen. Alles wijst er echter op dat het niet bij deze ene ‘noodmaatregel’ blijft, en dat Duitsland voor een paradigmawissel staat in verband met het al dan niet toelaten van buitenlandse werknemers. De regering heeft een onafhankelijke commissie, onder leiding van gewezen parlementsvoorzitter Rita Süssmuth (CDU) de opdracht gegeven een concept uit te werken voor een nieuw immigratiebeleid. Het rapport van de Commissie, waaraan ook vertegenwoordigers van de vakbonden en de werkgeversorganisaties meewerkten, is een van de meest gebalanceerde en onderbouwde documenten die de voorbije jaren over dit delicate onderwerp verschenen zijn. Het komt wél tot duidelijke en gedurfde besluiten: ‘Het aantrekken van buitenlands toptalent verhoogt de concurrentiekracht van onze economie. Hooggekwalificeerden bieden mensen die in ons land leven bijkomende kansen op welvaart en werkgelegenheid. Dit geldt vooral voor hooggeschoolden in sectoren die gekenmerkt worden door een snelle technologische vooruitgang en een sterke groei.’ En nog: ‘De Duitse economie dreigt in zuurstoftekort te komen als er geen of weinig hooggekwalificeerde kenniswerkers vanuit het buitenland naar het land (kunnen) komen.’

De voorstellen die de Commissie in juli naar voor schoof, en waarop Otto Schilly zijn plannen baseerde, kunnen dan ook tellen. Er is ten eerste het jaarlijks toelaten van een contingent van kandidaat-immigranten, naar het voorbeeld van het Canadese puntensysteem, waarbij opleiding en opgedane beroepservaring belangrijke criteria zijn. Daarbovenop: het toelaten van contingenten aan arbeidskrachten die in staat zijn om structurele knelpuntberoepen uit te oefenen - de verplichting voor werkgevers om telkens aan te tonen dat de vacature niet kan worden ingevuld door een werkzoekende uit Duitsland komt te vervallen. Verder, de versoepeling van de immigratiemogelijkheden voor medewerkers in ‘sleutelfuncties’ en voor wetenschappelijk personeel. Ten slotte het pleidooi om Duitsland aantrekkelijker te maken en te promoten als land van vestiging en tewerkstelling, vooral naar hooggeschoolden toe.

Schilly en Schröder, Kok en Melkert, David Blunkett,…: deze sociaaldemocratische bewindslieden lijken niet meteen naïeve wereldverbeteraars die een onbezonnen open-grenzenbeleid willen invoeren. Het zijn evenmin politici die de oren eenzijdig laten hangen naar industriële lobby’s, die bij de eerste tekenen van krapte op de arbeidsmarkt prompt om immigranten zouden schreeuwen. Hun pleidooien om het immigratieroer om te gooien zijn niet onomstreden, maar kunnen kennelijk een ernstig en op feiten gesteund debat doorstaan. Waarom zouden wij in Vlaanderen dat debat dan uit de weg gaan?

Voor we er écht aan beginnen is het wellicht nodig om alvast twee misverstanden uit de wereld te helpen. Eén: niemand pleit ervoor om een massale stroom of golf van arbeidsimmigranten op gang te brengen of aan te trekken. De vergelijking van arbeidsimmigratie met het naar hier halen van goedkope grondstoffen uit het Zuiden, zoals dit gebeurde in het koloniale tijdperk, is dan ook onterecht en trouwens misplaatst. Twee: niemand beweert dat het toelaten van hogergeschoolde of technisch vaardige immigranten dé oplossing zou zijn voor alle problemen op onze arbeidsmarkt en van onze sociale zekerheid, waardoor alle andere hervormingen overbodig zouden worden. Anders gezegd: ook mét arbeidsimmigranten zijn alle inspanningen om werklozen opnieuw aan een volwaardige baan te helpen, en om oudere werknemers langer aan het werk te houden, broodnodig. Niemand betwist dit. Laat ons elkaar daar dan ook niet langer van overtuigen. De oude redenaarstruc waarbij eerst van iemands stelling of voorstel een karikatuur wordt gemaakt, om dan naar hartelust op die karikatuur te kunnen schieten, kan in deze discussie maar beter vermeden worden.

Waar gaat het dan wel om? Om twee vragen. Een: hebben Europese landen er nog belang bij een rigide immigratiestop te handhaven, die er toe leidt dat kenniswerkers van buiten de EU wél emigreren, maar dan wel vrijwel uitsluitend naar Canada en de Verenigde Staten - en dit terwijl onze achterstand op deze landen qua kennisgedreven groei verder oploopt? En twee: is ons huidig immigratiebeleid, waarbij het beroep op asiel en gezinshereniging de enige uitzonderingen zijn op de immigratiestop, nog wel de aangewezen manier om met het fenomeen ‘migratie’ (en de ambitie om te migreren) om te gaan? In dié Europese landen waar men reeds ten gronde over deze vraag heeft nagedacht en gedebatteerd, komt men vrij eensluidend tot het besluit dat het antwoord op beide vragen ‘neen’ is.

Het argument dat er nog altijd té veel werklozen zijn om de in 1974 ingevoerde immigratiestop op te geven, snijdt weinig hout. De immigratiestop is ingevoerd in een zeer specifieke, ja uitzonderlijke, economische context in de arbeidsmarkt: een zware en structurele economische recessie, die gepaard ging met een sterke toename van het arbeidsaanbod, met massale werkloosheid (ook bij jongeren en hooggeschoolden) tot gevolg. Vandaag kan niemand nog in ernst beweren dat de komst (of het langdurig verblijf) van een Indische software-ingenieur of een Chinese laborant de tewerkstellingskansen van welke werkzoekende dan ook in de weg staat, veeleer integendeel. Als ‘protectionistische’ maatregel, bedoeld om de ‘eigen’ arbeidskrachten te beschermen, werkt de immigratiestop zoals we die vandaag kennen als een botte bijl.

Veel belangrijker (en moeilijker te weerleggen) dan het argument ‘eigen-werklozen-eerst’, is de tegenwerping dat het aantrekken van hooggekwalificeerden ten koste gaat van de landen waar de betrokken immigranten vandaan komen: de landen van de derde wereld, en meer nog de nieuw-geïndustrialiseerde landen in Azië en de landen van Oost-Europa. Zijn de kenniswerkers die onze knelpunten komen oplossen en onze economieën komen versterken niet nét diegenen die in hun eigen land nodig zijn om aldaar welvaart tot stand te brengen? We pleiten ervoor om dit argument ernstig te nemen, maar niet ongenuanceerd of sloganesk te gebruiken. Uit de literatuur die hierover beschikbaar is blijkt immers dat door sommige landen emigratie van hogergeschoolden als een aderlating wordt ervaren, en door andere juist niet. Vaak wordt hierbij verwezen naar de hoge werkloosheid onder academici in sommige landen, naar de grote sommen geld die veel migranten naar hun families sturen, en naar het feit dat sommigen met een surplus aan kennis en ervaring (vrijwillig!) terugkeren. Meest interessant is echter dat tussen hooggeschoolde immigranten en het bedrijfsleven in hun landen van herkomst, netwerken en contacten tot stand komen die voor deze bedrijven een bron van innovatie en marktontwikkeling betekenen. Onderzoek over de vele bedrijfsleiders en kenniswerkers die in het Californische Silicon Valley actief zijn, wijst in deze richting.

Het debat over de toekomst van arbeidsimmigratiebeleid is boeiend en dringend. Het afbreken ervan zou niet alleen jammer zijn, maar ook onverstandig. Immers, elders in Europa is de toekomst al begonnen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 8 (oktober), pagina 28 tot 31