Log in

'Demotie en burgerschap'

Uitgelezen

Demotie en burgerschap

Koen Pelleriaux
VUBPress, Brussel, 2001

Het boek van de jonge belofte Koen Pelleriaux situeert zich in het onderzoek van een groep sociologen aan de VUB. De zogenaamde TOR-groep, waar Mark Elchardus de drijvende kracht van is, doet al vele jaren onderzoek. Ondertussen spreekt ook een groter publiek over de nieuwe breuklijn die de oude klassentegenstellingen doorkruist. Het gaat om een cluster van houdingen: autoritarisme, etnocentrisme, utilitair individualisme, politiek cynisme en postmaterialisme. Die cluster hangt duidelijk samen met de politieke voorkeur, maar nog meer met het onderwijsniveau. Het blijkt trouwens dat de nieuwe breuklijn de belangrijkste differentiatie is tussen de onderwijsvormen. Pelleriaux wil nagaan waarom dit zo is. Hij vraagt zich ook af wat het verband is tussen de nieuwe breuklijn en de zogenaamde nieuwe sociale kwestie. Is zij gewoon de culturele uitdrukking van een nieuwe spreiding van de risico’s op ziekte, werkloosheid of vroegtijdig overlijden? Is dat een verklaring voor een rechtsere score op de nieuwe breuklijn van leerlingen in het beroepsonderwijs?

Het eerste hoofdstuk gaat in op de onvoorstelbare expansie van het onderwijs sinds 1955. Scholing werd steeds belangrijker voor de latere levenskansen. De heterogeniteit van de massa aan leerlingen werd opgevangen door een differentiatie binnen het onderwijs. De ongelijkheid lag vroeger tussen wie onderwijs gevolgd had en wie niet. Met de zogenaamde democratisering ging het meer om het soort diploma dat verworven werd. Daarmee bleef de ongelijkheid, hoewel de aard ervan veranderde omdat ze via de filter van het onderwijs gaat. De klassenstrijd werd meer en meer vervangen door een verschil in diploma. Toch blijft de sociale herkomst bepalend voor het soort diploma dat verworven wordt: ‘Steeds grotere groepen jongeren hebben de kans gekregen om naar de universiteit te gaan. De samenhang van die kans met de herkomst van jongeren is echter niet veranderd.’ (65). De keerzijde van de onderwijsexpansie is precies het ontstaan van de nieuwe sociale kwestie. Op basis van het diploma worden de levenskansen preciezer voorspelbaar. Wie het minst risico loopt op achterstelling is minder en minder bereid mee te betalen voor wie meer risico loopt. Wie meer risico loopt wordt trouwens zelf verantwoordelijk gesteld, omdat hij niet het gepast diploma behaald zou hebben. De fundamenten van de sociale zekerheid komen op die manier onder druk.

Daarmee is het macrosociologisch kader van de onderzoeksproblematiek geschetst. Het tweede hoofdstuk geeft eerst een overzicht van de bestaande onderzoeksresultaten over de nieuwe breuklijn en de culturele verschillen tussen leerlingen in het algemeen vormend- en beroepssecundair onderwijs. De Tor-groep onderzocht het effect van werkloosheid op de kinderen. Wat ook de sociale achtergrond van de vader is, zijn werkloosheid leidt tot verminderde schoolprestaties, die op hun beurt weer leiden tot veranderen van onderwijsvorm. In de literatuur wordt voor een verklaring vooral verwezen naar het gevoel achtergesteld te zijn (deprivatie). Het Tor-onderzoek kon dat evenwel niet bevestigen. Wel werd duidelijk dat de effecten van sociale achtergrond en werkloosheid van de vader niet te verklaren zijn zonder ook rekening te houden met hoe de jongeren zelf hun situatie zien en interpreteren. Er bleken belangrijke culturele verschillen tussen de onderwijsvormen. Het beroepsonderwijs scoort hoger op etnocentrisme en utilitair individualisme. En er zijn duidelijke subculturele verschillen in smaakvoorkeur voor TV- en radiozenders en muziek. Een tweede Tor-onderzoek ging over de eventuele invloed van scholen op de waarden van de leerlingen. Tussen de onderwijsvormen blijkt er een groot verschil in de mate waarin men hard wil optreden tegen normoverschrijdingen. Doden van inbrekers, castreren van verkrachters, uitvoeren van de doodstraf: leerlingen van het beroeps hebben het daar minder moeilijk mee. Ze zijn doorgaans ook minder permissief in morele kwesties (euthanasie, abortus, zelfmoord). En ze scoren tenslotte hoger inzake etnocentrisme. Leerlingen uit het beroeps vinden regels op zichzelf belangrijk, ze vinden de maatschappelijke orde natuurlijk. Het derde onderzoek onderzocht de verkiezingsresultaten van 1991. Het is het bekende onderzoek over de nieuwe breuklijn, dat de kiezer voor het Vlaams Blok en voor Agalev duidelijk tegenover elkaar stelt. De een scoort hoog en de ander laag op etnocentrisme, autoritarisme, utilitair individualisme, politiek cynisme en postmaterialisme. De oudere partijen onderscheiden zich op deze vlakken nauwelijks van elkaar! Er is echter niet alleen een samenhang met de partijvoorkeur, de samenhang met het opleidingsniveau is zelfs nog groter. Pelleriaux vermeldt nog enkele andere onderzoeken die vooral verfijnen en aanvullen. Daarna formuleert hij de hypotheses die in het verdere boek getoetst worden.

Een aantal van die hypothesen hebben te maken met deprivatie. Om ze te toetsen ontwikkelt de auteur een maat voor het gevoel van achterstelling, een demotieschaal. Zonder afbreuk te doen aan hun belang en originaliteit, ga ik niet in op de technische aspecten, maar beperk met tot de conclusies. De schaal bevestigt dat de sociale achtergrond en vroegere werkloosheid van de vader slechts een beperkte verklaring kunnen geven voor de verschillen tussen de onderwijsvormen. Er is een invloed, maar er moeten nog andere verklaringen zijn. Ook de schoolloopbaan heeft maar een beperkte invloed, zoals blijkt uit het effect van zittenblijven en zelfs herhaaldelijk falen en verplicht veranderen van onderwijsvorm. ‘Reële achterstelling blijkt dus slechts een geringe invloed te hebben op het gevoel achtergesteld te zijn.’ (137). Toch blijft de onderwijsvorm onmiskenbaar een grote invloed hebben op de nieuwe breuklijn. Daarom wordt onderzocht wat de invloed is van medeleerlingen. De concentratie van een bepaald kenmerk zou kunnen volstaan om leerlingen dat kenmerk te bezorgen. Om dat na te gaan wordt eerst de literatuur onderzocht en worden wat technische problemen aangepakt. Uit het eigen onderzoeksresultaat blijkt daarna wel degelijk een concentratie-effect te bestaan. Dat is veel minder het geval op het gevoel achtergesteld te zijn, dan op de positie op de nieuwe breuklijn. Het betekent dat de overtuigingen van de jongeren niet alleen bepaald worden door de eigen sociale voorwaarden, maar ook door die van de medeleerlingen. Dat kan natuurlijk alleen maar als die medeleerlingen hun gevoelens van achterstelling op een of andere manier doorgeven. Pelleriaux vindt dan een samenhang tussen drie smaakvoorkeuren: voorkeur voor muziek, zenders en mediakanalen. De samenhang is groot genoeg om te spreken van een subcultuur die bestaat uit het afwijzen van gevestigde zachte muziek, voorkeur voor populistische mediakanalen en een gevoel van achterstelling. Als een jongere in een school terechtkomt waar die subcultuur bestaat, kan hij best het gevoel krijgen achtergesteld te zijn zonder dat daar een realiteit aan beantwoordt. Als verklaring verwijst Pelleriaux naar: socialisatie, symbolisch geweld (de machtige legt zijn smaak op aan de minder machtige) en isomorfe codering (scholen met dominante achterstellingscultuur worden ‘gecodeerd’ als scholen met achtergestelde leerlingen. Alle leerlingen krijgen er het gevoel achtergesteld te zijn).

Een samenvatting kan natuurlijk alleen maar een indruk geven. Ik hoop dat mijn samenvatting daarin slaagt, want het boek leent zich daar niet graag toe. De weg die het volgt slingert zich in grote lussen vooruit. De ideeën worden steeds herhaald, maar ik was nooit helemaal zeker of ik ze wel volledig beethad. Om een, misschien domme, vraag te stellen: is de kern die aansteekt, die de subcultuur bepaalt, reëel achtergesteld? Of kan iemands muziekvoorkeur volstaan? Ik weet het niet. Toch is er bij mij geen twijfel dat het een uiterst belangrijk boek is. Het zou verplichte lectuur moeten worden voor onderwijsmensen, politici, vakbondsmensen, werkgevers … ja eigenlijk voor iedereen. De auteur zelf waagt zich maar heel voorzichtig aan politieke vertalingen en hij heeft natuurlijk gelijk. Zijn onderzoeksresultaten moesten voorrang krijgen. Ik wil toch proberen zelf enkele vragen scherp te stellen.

De expansie van het onderwijs heeft de differentiatie tussen wie onderwijs gevolgd heeft en wie niet vervangen door nieuwe differentiaties. Ze komen neer op een onoverbrugbare kloof tussen hoog- en laaggeschoolden. Het onderwijs heeft op die manier de reproductie van ongelijkheid overgenomen. Daarenboven produceerde zij de nieuwe sociale kwestie, omdat de voorspelbaarheid voor wie risico loopt op inkomensverlies door het onderwijssysteem vrij groot geworden is. Daarmee komt de sociale zekerheid onder druk. De hele democratisering van het onderwijs krijgt op die manier geformuleerd een wrange smaak. Moet men niet veronderstellen dat het hele systeem er absoluut niet op gericht is om voor te bereiden op zogenaamde (kennis)maatschappij? Vervult het nog altijd niet veelmeer een disciplinerende functie, in de betekenis die Foucault daaraan geeft? Onwillekeurig moet ik terugdenken aan Ivan Illich, die ergens in de jaren zeventig al twijfelde of het onderwijs zijn - expliciet geformuleerde - doelen niet voorbijschoot. Men heeft dat toen weggelachen, maar sociologen landen vandaag toch niet zo ver van zijn analyses. Illich pleitte indertijd voor een ‘Ontscholing van de maatschappij’. Ik weet niet of men zo ver moet gaan, maar we moeten toch dringend nadenken over wat we met die (kennis)maatschappij willen en hoe het onderwijs daarin kan gepast worden. Een tweede vertaling sluit aan bij de vaststelling van de culturele verschillen tussen de onderwijsvormen. Blijkbaar heeft iemand die het beroepsonderwijs volgt bijzonder veel kans om op het eind van de rit een wantrouwig mensbeeld te bezitten. De kans dat hij of zij rechts op de nieuwe breuklijn te situeren is, zal groot zijn. Het zou te ver leiden om te stellen dat het beroepsonderwijs een kweekschool voor extreemrechts is, maar dit vist toch maar met niet gering succes in die vijver. Iedere democraat moet bereid zijn om van die nefaste situatie een absolute prioriteit te maken. Het probleem van het beroepsonderwijs is niet dat er een deel van de middengroepen in verzeild raakt. Het probleem van het beroepsonderwijs is niet dat het er niet in slaagt om aan het bedrijfsleven werknemers met gepaste scholing af te leveren. Tenminste, het prioritaire probleem ligt daar niet. Hoe kan iets gedaan worden aan de subcultuur, waar een kern erin slaagt het geheel te ‘besmetten’ met een gevoel van achtergesteld te zijn? Men kan daar kennelijk weinig aan doen door te werken aan sociale achterstand en aan de mislukte schoolloopbanen, hoe belangrijk het ook is dat daaraan gewerkt wordt! Zelfs het fameuze watervalprobleem is in dat opzicht misschien niet het belangrijkste. In een weekblad merkte Pelleriaux op dat alleen de beste leerkrachten in het beroepsonderwijs les zouden mogen geven. Ik denk dat dit helemaal niet ver genoeg gaat. De segregatie tussen de onderwijsvormen moet opgeheven worden.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 8 (oktober), pagina 44 tot 46