Abonneer Log in

Dimensies van minorisering en ongelijkheid in het minderhedenbeleid

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 8 (oktober), pagina 32 tot 38

‘emancipatie (v.) [Fr. émancipation Lt. emancipatio (lechtige vrijlating van een zoon uit de vaderlijke macht)], 1 vrijmaking uit slavernij of lijfeigenschap (…) 2 bevrijding van wettelijke, sociale, politieke, morele of intellectuele beperkingen, toekenning van gelijke rechten, gelijkstelling voor de wet; streven naar gelijkgerechtigheid (…)’
(Van Dale 1992)

Om tot een vruchtbare dialoog te komen, moeten gesprekspartners elkaar erkennen en achting opbrengen voor mekaars standpunten. Wie het minderhedenbeleid min of meer kent, weet dat deze voorwaarden tot gesprek niet altijd worden nageleefd. Nog steeds worden allochtone verenigingen en organisaties niet erkend als volwaardige gesprekspartners en nog al te vaak worden hun standpunten genegeerd. Kijk maar naar het onthaalbeleid voor nieuwkomers of het spreidingsbeleid in het onderwijs, waar allochtone verenigingen niet eens worden geconsulteerd.

In het huidig minderhedendebat kan amper gesproken worden van een dialoog als gedachtewisseling tussen verschillende leden van een samenleving. Wel van een strijd voor gelijkberechtiging waar een aantal minima de inzet worden van een conflict. Het lidmaatschap van een samenleving (burgerschap) kan gedefinieerd worden als een minimum met vier machtsdimensies: politieke, economische, sociale en culturele. Het stemrecht en de formele burgerrechten vormen het minimum aan politieke macht. Een inkomen garandeert elk lid van de samenleving een minimum aan economische macht. Terwijl de erkenning van de individuele waardigheid als minimum voor sociale en culturele macht beschouwd kan worden.1 Vandaar dat het streven naar gelijke rechten zich o.a. op deze vier terreinen bevindt en dus los staat van enige reductie tot ‘simplistische, etnisch ingevulde “wij-zij” schema’s’. Niet de integratie van bepaalde etnische groepen in onze samenleving, maar de strijd tegen ‘sociaaleconomische en politieke ongelijkheid en diverse gradaties van macht en machteloosheid’ staan in heel het minderhedendebat centraal.2

Voor etnische minderheden is de strijd voor erkenning geen abstract gegeven. Het feit dat ze geconfronteerd worden met discriminaties bij aanwervingen, met weigeringen van sommige schooldirecties om jongeren in te schrijven en met racistische persmisdrijven, sterkt hun wil om als gelijkwaardige burger geaccepteerd te worden. De aspiratie van etnische minderheden om als volwaardige burgers te participeren in een samenleving, die de particulariteit van haar leden aanvaardt, is vandaag nog een nobel doel. In het minderhedendebat merken we dat verschillende groepen en individuen verschillende regelingen nastreven. Zo zijn er variaties gaande van groepen die een assimilatieproces verdedigen en aanmoedigen, tot anderen die erkend willen worden als groep en hun groepsidentiteit weerspiegeld willen zien in het openbare leven (aparte rechtbanken, jeugdinstellingen, scholen,...). Ondanks deze heterogene en pluriforme realiteit worden de minderheidsgroepen al te dikwijls als een homogene groep benaderd.

Het mechanisme van de minorisering

Ondanks de positieve intenties, mooi geformuleerde doelstellingen en speciaal voor deze doelstellingen opgerichte instellingen is het doorheen het minderhedendebat duidelijk gebleken dat het beleid er niet in slaagt allochtone gemeenschappen in Vlaanderen en Brussel daadwerkelijk te emanciperen, en dus daadwerkelijk gelijke rechten te geven. Integendeel, het beleid is erin geslaagd om bepaalde groepen te problematiseren, racisme te normaliseren en zodoende de ‘abnormaliteit’ van de ‘vreemdeling’ in stand te houden.

Om deze uitsluitingsmechanismen beter te begrijpen en te verklaren, is het handig om eens een aantal ideeën van de Nederlandse antropoloog John Rath op een rijtje te zetten. In zijn boek Minorisering: de sociale constructie van etnische minderheden spreekt Rath van ‘etnische minorisering’: een proces waarin het belang van sociaal-culturele kenmerken (religie, afkomst,...) primeert en waardoor mensen binnen de grenzen van een natiestaat ingedeeld worden in minderheden en een meerderheid. Dit resulteert volgens hem in een constructie van categorieën van mensen (minderheden) die niet echt erkend worden als volwaardige leden van de schijnbaar homogene natie (de meerderheid), maar onder bepaalde voorwaarden (naturalisatie) wel lid kunnen worden. Om de illusie van een homogene natie te handhaven, aldus Rath, wordt de sociaal-culturele non-conformiteit (het onaangepast zijn) van de minderheden geproblematiseerd. Dit alles legitimeert de uitsluiting van die groep en de creatie van relatief onbelangrijke structuren als welzijnsinstellingen, inspraakorganen, adviesraden en subcommissies.3 Ook de auteurs van Het Belgische migrantendebat en Van Blok tot Bouwsteen komen tot gelijkaardige conclusies voor de situatie in Vlaanderen.4 Een dergelijk mechanisme dat de uitsluiting van een groep en de creatie van relatief onbelangrijke structuren legitimeert, kan het best geïllustreerd worden met een aantal concrete voorbeelden uit het beleid die tijdens het minderhedendebat sterk naar voor kwamen.

Het Vlaams minderhedenbeleid zoals bepaald in het ‘Decreet inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden’ van 28 april 1998 is een inclusief beleid. Dit wil zeggen dat elke bevoegde minister samen met zijn/haar diensten verantwoordelijk is voor het minderhedenbeleid in zijn/haar beleidsdomein (Art.4§3). Dit in overleg met de federale overheid, de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de lokale besturen in Vlaanderen en Brussel (Art.4§4). Om dit alles in goede banen te leiden is er een coördinerende minister aangeduid, Mieke Vogels (Agalev), minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke kansen. Verder is er een netwerk van integratiecentra en diensten in het leven geroepen met een ondersteunende, stimulerende en bewakende opdracht ten aanzien van het beleid (Art.5§2). De twee belangrijkste beleidsdomeinen voor de uitvoering van het minderhedenbeleid zijn: Welzijn (integratiecentra) en Cultuur (allochtone verenigingen). Alsof allochtonen niets te maken hebben met milieu, verkeer, media, ontwikkelingssamenwerking… Naast de ministers van Welzijn en Cultuur is de minister van Tewerkstelling (Landuyt) de enige die rechtstreeks in dialoog is getreden met enkele erkende allochtone structuren, wat je van o.a. de minister van Onderwijs (Vanderpoorten) niet kan zeggen. Deze te strakke opdeling tussen Cultuur en Welzijn heeft er toe geleid dat de integratiesector een excuus is geworden voor de overheid en dat de reguliere instellingen niet worden opgenomen omwille van hun verantwoordelijkheid t.a.v. etnisch-culturele minderheden. Degenen die oorspronkelijk instonden voor de ‘insluiting’ van minderheden zijn nu medeverantwoordelijk voor de verdere uitsluiting ervan. Het is juist daarom dat Saïda Sakali (kabinet Landuyt) in een interview in De Morgen van 19 april 2000 integratiecentra als alibicentra bestempelt. En zowel minister Landuyt als Fatma Pehlivan (senator SP) spraken openlijk over het ‘caritasgehalte’ van de integratiesector en stelden de vraag of de integratiesector tout court niet beter afgeschaft zou worden (debat ‘Het failliet van de integratie-industrie’ op de Gentse Feesten 20 juli 2001).

Het huidig beleid creëert een foutief beeld van een probleemgroep waar veel inspanningen voor worden gedaan. En daar wringt juist het schoentje, er wordt eerder een beleid ‘voor’ dan ‘met’ de verschillende allochtone gemeenschappen gevoerd. Dit valt o.a. op te merken aan de middelen die de overheid besteedt aan haar minderhedenbeleid. Van de iets meer dan 408 miljoen die vanuit welzijn (Vogels) voor het jaar 2001 voorzien zijn voor de integratiesector gaat er nog geen 5% naar allochtone organisaties. Van het budget van meer dan 450 miljoen voor het onthaal- of inburgeringsbeleid gaat er zo goed als geen centiem naar initiatieven gedragen door allochtonen.5 Bij Cultuur (Anciaux) is het subsidiebedrag voor allochtone verenigingen door de invoering van een programmadecreet bevroren en zijn de huidige middelen verre van toereikend om een degelijke werking uit te bouwen.

De relatie tussen de integratiesector en allochtone organisaties is aan herziening toe. Het allochtoon verenigingsleven beperken tot een culturele aangelegenheid is een loopje nemen met de werkelijkheid. Verenigingen van en voor allochtonen zijn ook met het welzijn van hun doelgroep bezig. Het wordt tijd dat allochtone organisaties erkend worden als officiële gesprekspartners van de overheid en over alle domeinen heen betrokken worden bij het beleidsvoorbereidend en -uitvoerend werk.

De smaak van ongelijkheid

Het hele minderhedendebat draait rond gelijkberechtiging van allochtonen op alle vlakken. Het doel van het debat is de verschillen met autochtonen op een heel aantal punten op te heffen. Om duidelijk te maken hoe bitter de ongelijkheid tussen allochtonen en autochtonen smaakt, illustreer ik dit kort aan de hand van vier terreinen (economische, culturele, sociale en politieke ongelijkheid) met telkens een concreet voorbeeld.

1. Economische ongelijkheid
Dat allochtonen te kampen hebben met heel wat problemen op de arbeidsmarkt staat als een paal boven water. Bewijzen hiervoor zijn er in overmaat. Vorig jaar zijn er in Vlaanderen 24.000 allochtone werkzoekenden bijgekomen, een stijging van 8.9 %. Het procentuele gewicht van allochtonen in de werkzoekendenpopulatie is het hoogst in Heusden-Zolder (41 procent). In steden als Antwerpen (37%), Mechelen (37%), Vilvoorde (30%), Gent (27%), Sint-Niklaas (27%) en Lokeren (30%) liggen de scores ook heel hoog. Voor werkende allochtonen is ook niet alles rozengeur en maneschijn. Een onderzoek van het Hoger Instituut voor de Arbeid en het Steunpunt voor Werkgelegenheid toont aan dat allochtonen gemiddeld 10 tot 25 procent minder verdienen dan autochtone werknemers. Dit komt vooral door een overconcentratie van allochtonen in laagbetaalde arbeidersjobs. Terwijl de helft van alle autochtone loontrekkenden bediende of ambtenaar is, behalen allochtonen amper een score van 27 à 29 %. Ook bij overheidsdiensten is het zoeken met een vergrootglas naar allochtonen. Slechts 2,5% allochtonen werkt voor de overheid.6
De overheid moet niet alleen haar wetgevende en uitvoerende verantwoordelijkheden opnemen, maar als werkgever ook het goede voorbeeld geven. In verschillende overheidsdiensten moet er een gelijkekansenbeleid uitgestippeld en uitgevoerd worden waarin allochtonen op basis van hun bekwaamheid aan bod komen. In de bedrijfswereld is concurrentie een belangrijke factor. Maar de logica van ‘eigen-bedrijf-eerst’ mag niet tot een ‘eigen-volk-eerst’ mentaliteit leiden. Integendeel, bedrijven moeten zich op een openlijke manier richten naar aanwezige talenten en deze niet de rug toekeren omwille van hun afkomst, religie of sekse. Ondernemers mogen zich niet laten misleiden door een irrationele angst voor het vreemde, anders dreigen ze hun eigen ruiten in te gooien. In een bedrijfsstrategie zijn eerder termen als rendabiliteit en efficiëntie van belang, en niet huidskleur.

Het openstellen van de grenzen voor hoogopgeleide buitenlandse arbeidskrachten is vooral een vraag naar hoogopgeleide goedkope arbeidskrachten. Een migratiebeleid mag echter niet alleen gestuurd worden door een behoefte aan bepaalde arbeidskrachten. Er is heel wat druk om vluchtelingen op te nemen. Het theoretisch kader en argument, waarbij het politieke het enig geldige criterium is om vluchtelingen toe te laten, is achterhaald. Een humaan asielbeleid moet ook rekening houden met andere wantoestanden (seksueel geweld, hongersnood, armoede,…).

2. Politieke ongelijkheid
Sinds het einde van de jaren 70 duikt het thema stemrecht regelmatig op. In het algemeen kan gesteld worden dat de meerderheid van de democratische partijen zich ooit wel eens hebben uitgesproken voor het toekennen van stemrecht aan niet-Belgen. Toch ontbreekt het de meeste partijen aan politieke wil en durf om stemrecht door te voeren. In ruil voor stemrecht kwam er een versoepeling van de naturalisatiewetgeving, de snel-Belgwet. Het strak vasthouden aan het nationaliteitsbeginsel bij het toekennen van stemrecht aan niet-Belgen is kortzichtig en achterhaald. Zeker wanneer er met hedendaagse ontwikkelingen als het Europees burgerschap, het internationaal en Europees recht, de toenemende mobiliteit, globalisering, enz. rekening wordt gehouden. In een interne ACW-nota staat dat de Beweging (ACW) er ook niet veel voor voelt om gelijke rechten zomaar afhankelijk te maken van de Belgische nationaliteit, ook al zou het gemakkelijker en automatischer worden toegekend. Omdat op die manier de nationaliteit belangrijker wordt dan ze in feite mag zijn.7

SP-voorzitter Patrick Janssens, verklaarde onlangs bereid te zijn het stemrecht voor allochtonen in te ruilen voor de herziening van de nationaliteitswetgeving. Dat zei hij na een uitspraak van zijn VLD-collega, Karel De Gucht, die in een interview beweerde ‘intellectueel en ten persoonlijke titel’ het stemrecht voor allochtonen een betere toegang tot politieke participatie te vinden dan de nationaliteitswetgeving.8
Er is degelijk een verband tussen het ‘wij-zij’denken en het niet verlenen van stemrecht aan allochtonen.9 Er bestaat niet zoiets als een homogene Vlaamse politieke cultuur. Het blijven vastklampen aan de nationaliteitsvoorwaarden bij de toekenning van politieke rechten bevestigt het ‘wij-zij’ denken, het toekennen van stemrecht heft dat onderscheid op. Juist omdat het signaal, dat allochtonen medeburgers en geen buitenstaanders zijn, dan pas sterk doordringt tot de bevolking. Fauzaya Talhaoui (Agalev) gaat zelfs een stap verder. Voor haar kan elk integratieconcept dat in het kader van een minderhedenbeleid wordt voorgesteld, bijgevolg niet volwaardig genoemd worden zonder de opname van het politiek medebeslissingsrecht voor allochtonen.10 ** **

3. Sociale ongelijkheid
Allochtonen zijn sterk aanwezig in de steden en wonen vaak territoriaal geconcentreerd in oude, binnenstedelijke buurten. Een aantal Brusselse gemeenten zoals Molenbeek, Schaarbeek en Anderlecht hebben o.a. door de rellen een slechte reputatie en Borgerokko is in Antwerpen een begrip geworden. De verloedering van een buurt wordt nog steeds geassocieerd met een grote aanwezigheid van allochtonen. Dit oplossen via een spreidingsbeleid, gefocust op de etnische samenstelling van een buurt, biedt geen enkele garantie voor harmonieuze of stabiele wijken. Het werkt de stigmatisering van bepaalde bevolkingsgroepen alleen maar in de hand.

Alhoewel het studieniveau van allochtone schoolverlaters lichtjes toeneemt, is de situatie in het onderwijs op z’n zachtst uitgedrukt rampzalig. Amper 8 procent heeft een diploma van het hoger (meestal niet-universitair) onderwijs op zak. Allochtone meisjes scoren met 9 procent ruim 2 procent beter dan de jongens. Bij autochtone schoolverlaters heeft 32 procent van de jongens en 48 procent van de meisjes een diploma hoger onderwijs.11 Ook in het onderwijs steekt regelmatig het ‘anticoncentratiedenken’ de kop op. Het is naïef te denken dat een spreiding van allochtonen de problemen zal oplossen. Het probleem ligt niet in het aantal allochtonen in een school, maar in een gebrek aan een specifieke pedagogische aanpak en nodige middelen. De link tussen een probleem in het onderwijs en mensen met een bepaalde culturele achtergrond doet denken aan de associatie van kleine criminaliteit met allochtonen. Een verband waar een gevaarlijke ontwikkeling achterschuilt: sociale ongelijkheden worden niet langer benaderd als een structureel kenmerk van onze samenleving, maar als een gevolg van culturele en etnische verschillen tussen mensen.

4. Culturele ongelijkheid
Het Vlaams integratiebeleid stelt dat allochtonen recht hebben op de beleving van hun eigen cultuur en religie. Opmerkelijk is dat er een geïnstitutionaliseerd wantrouwen en zelfs discriminatie bestaat ten aanzien van allochtone organisaties en religieuze netwerken. Een frappant voorbeeld is de subsidieregelgeving bij de erkenning van allochtone verenigingen in het hoofdstedelijke Brussel. Via een Collegebesluit worden allochtone verenigingen verplicht om minstens 3 samenwerkingsverbanden aan te gaan met autochtone verenigingen of instellingen. Autochtone organisaties en verenigingen zijn daarentegen niet verplicht 3 samenwerkingsverbanden met allochtone verenigingen aan te gaan.12 Dit bewijst hoe eenzijdig heel het integratiedenken wel is. Een daadwerkelijke interculturalisering van het Brussels socio-cultureel landschap kan enkel als de verwachtingen gelijklopen.
De manier waarop het islamdossier in dit land is behandeld vormt een sluitend voorbeeld van het wantrouwen dat er heerst t.a.v. moslims. Na de creatie van een democratisch verkozen moslimraad heeft niemand zich de vraag gesteld hoe de daaruit voortkomende Moslim Executieve werd samengesteld. Minder dan de helft komt uit de rechtstreeks verkozen moslimraad! De overige leden zijn gecoöpteerde ‘deskundigen’.
België telt 383 moskeeën: 195 in Vlaanderen, 109 in Wallonië en 79 in Brussel. Die moskeeën en hun imams zijn nog niet erkend. Ze worden gefinancierd door de gelovigen en door buitenlandse geldschieters. De moskeeën worden nu gescreend door het kabinet Verwilghen, het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR), de Staatsveiligheid en andere bronnen voordat ze al dan niet erkend worden.13

Emancipatie nog niet voor morgen

Tien jaar na de eerste rapporten van het Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid, onder leiding van Paula D’Hondt, zijn er nu meer en meer deskundigen en organisaties - vooral van allochtonen zelf - die over een mislukte paternalistische integratiepolitiek spreken. Eén ding is duidelijk: het huidige beleid slaagt er niet in om de diversiteit in de samenleving acceptabel te maken voor de meerderheid in Vlaanderen. Het gaat voorbij aan de noodzakelijke instrumenten en hefbomen voor emancipatie.
Voordat er sprake kan zijn van een vernieuwd minderhedenbeleid moet er eerst een breed maatschappelijk debat gevoerd worden. Een debat dat er niet op gericht is een loutere gedachtewisseling te zijn tussen verschillende leden van de samenleving. Het moet op korte termijn leiden tot concrete eisen en resultaten (o.m. werk, degelijk onderwijs en stemrecht). Op lange termijn moet dit debat de realisatie van attitudewijzigingen bij de meerderheid van de autochtone bevolking voor ogen hebben. En dit in tegenstelling tot de overheersende integratiediscours waarin vooral gedragswijzigingen bij allochtonen worden nagestreefd.
Er moet gesleuteld worden aan algemene machtsverhoudingen tussen meerderheid en minderheid. De spanningen en problemen moeten als politieke vraagstukken en systematische fenomenen benaderd worden. M.a.w. een aantal fenomenen zoals racisme en armoede mogen niet herleid worden tot karakteriele eigenschappen. Verder moet er een mobiliserend concept of visie uitgewerkt worden dat in politieke actie vertaald wordt. De centrale vraag is niet: hoe komen we tot een geslaagde integratie? Wel: hoe organiseren we over een bepaalde tijd een stabiele en rechtvaardige samenleving, bestaande uit vrije en gelijke burgers, sterk verdeeld door redelijke maar toch onverzoenbare religieuze, filosofische en morele wereldbeschouwingen?

Noten
1. Elchardus M., Sociologie, Brussel, VUB, 1996
2. Blommaert J. en Martens A., Van Blok tot Bouwsteen. Een visie voor nieuw lokaal migrantenbeleid, Berchem, EPO, 1999, p.85
3. Interessant rond dit onderwerp is de licentiaatsthesis van Jan De Vos, Minorisering of emancipatie? … een kijk op het Vlaams integratiebeleid, RUG, 2001. Terug te vinden op de website van het Centrum voor Islam in Europa: http://www.cie.ugent.be/jdevos/index.htm. En natuurlijk het boek van Jan Rath zelf: Rath J., Minorisering: de sociale constructie van etnische minderheden, Amsterdam, Sua, 1991. Zelf heb ik dit proces kort beschreven in ‘Het ‘probleem’ allochtoon’ in De Standaard van 18 december 2000
4. Blommaert J. en Verschueren J., Het Belgische migrantendebat, Antwerpen, Ipra, 1992 en Blommaert J. en Martens A., Van Blok tot Bouwsteen. Een visie voor nieuw lokaal migrantenbeleid, Berchem, EPO, 1999
5. Deze cijfers destilleer ik uit het ‘Jaarrapport 2000’ inzake het Vlaams beleid naar etnisch-culturele minderheden van de Interdepartementale commissie etnisch-culturele minderheden (ICEM) van de Vlaamse Gemeenschap http://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/het-vlaamse-beleid-naar-etnisch-culturele-minderheden-jaarrapport-2000 en een tekst van het Vlaams Minderhedencentrum, ‘Algemene voorstelling integratiesector’, januari 2001 uitgedeeld op het Allochtonenoverleg Agalev van 16 juni 2001. Verder baseer ik mij ook op een artikel verschenen in De Standaard, ‘Half mijard voor inburgering’, 22 juni 2000
6. Ook hier haal ik mijn informatie uit het ‘Jaarrapport 2000’ inzake het Vlaams beleid naar etnisch-culturele minderheden van de Interdepartementale commissie etnisch-culturele minderheden (ICEM) van de Vlaamse Gemeenschap. Verder ook Johan Raskin, ‘Migrantenjobs betalen slecht’ en ‘Werk maken van migrantenwerk’; beide artikels verschenen in De Standaard van 13 maart 2001.
7. ’Zeven goede redenen om als ACW voor het gemeentelijk stemrecht voor migranten te kiezen’, intern document, anoniem, 27/3/97, p.6
8. Rolf Falter, ‘Patrick Janssens wil snel-Belgwet inruilen voor migrantenstemrecht’ in De Standaard van 25 april 2001
9. Dirk Jacobs, ‘Stemrecht, nationale identiteit en diversiteit’, in Samenleving en politiek, jg. 8 (2001), nr. 3 (maart), p.31-38
10. Talhaoui F, ‘Stemrecht: recht van de burger of universeel mensenrecht?’, in Ethiek en Maatschappij 1, (1998) 4, p.68
11. Deze cijfers haal ik uit een artikel verschenen in De Standaard, ‘Aantal werkzoekende allochtone blijft stijgen’, 19 juni 2001
12. Besluit houdende een regeling voor de erkenning en subsidiëring van lokale en bovenlokale verenigingen van migranten in de volksontwikkeling, Artikel 5d
13. Isa Van Dorsselaer, ‘129 moskeeën vragen officiële erkenning’, in De Standaard van 22 mei 2001

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 8 (oktober), pagina 32 tot 38