Log in

'Hoe ver-drijven intellectuelen de postmoderniteit?'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 8 (oktober), pagina 47 tot 48

Hoe ver-drijven intellectuelen de postmoderniteit?

Patrick Loobuyck
VUBPress, Brussel, 2000\nHoe ver-drijven intellectuelen de postmoderniteit?

Laat ons meteen met kritiek beginnen: de titel dekt de lading niet. En ook de ondertitel - toch veelal het ware etiket - geeft veel minder aan dan wat het boek te bieden heeft: ‘Vlaamse intellectuelen in de postmoderne wereld.’ Loobuyck heeft immers veel meer behandeld dan enkel dat gegeven.

In een eerste deel beschrijft hij niet alleen het fenomeen ‘intellectueel’ in zijn algemene context. Hij geeft ook uitgebreid de geschiedenis weer van de intellectueel als maatschappelijke actor. Hij kadert dit in de politiek en samenleving van Frankrijk (Zola en de Dreyfus-affaire als aanzet om dan de ganse intellectuele traditie, uiteraard ook Sartre, tot op heden te beschrijven) maar ook in de andere centra van het democratisch westers denken. In dat panopticum van lastige denkers zijn er geen of nauwelijks Vlaamse intellectuelen terug te vinden. En dat zal wel geen toeval zijn: Loobuyck is het er niet om te doen de geschiedenis van de intellectueel te schrijven (al heb je de indruk dat je dit al lezend ook meekrijgt) maar hij is er duidelijk op uit de intellectueel in al zijn facetten, mogelijkheden en kundes te beschrijven om tegenover het ‘einde van de geschiedenis, de eenduidige betekenis en het traditionele waarheidsbegrip’ hem een duidelijke nieuwe taak mee te geven. De auteur engageert zich duidelijk in de rangen van de kritische denkers, koestert ze en wil zelf zin geven aan het lastige kritische werk en de bevraging in de nieuwerwetse wereld van de media en de postmoderniteit. Loobuyck zoekt een aangepaste invulling van de taak - als niet missie - van de intellectueel en tekent zonder schroom een kader uit waarin deze optimaal functioneert en gehoord zal worden. Niet voor niets sluit het laatste hoofdstuk (‘Naar een nieuwe taakomschrijving’) af met de subtitel : ‘intellectuelen als zingevers’. Dit alles is uiteraard best wel interessant en boeiend. Maar zo verschijnen wel dagelijks best lezenswaardige geschriften.

Toch is dit een boek dat de moeite van het lezen meer dan waard is. Maar dan is de verplichte lectuur wel toe te spitsen op het tweede deel: ’Het intellectuele landschap in Vlaanderen’. Het is vrij indrukwekkend wat Loobuyck presteert: de lezer krijgt een encyclopedisch en boeiend verhaal waarin de Vlaamse cultuurgeschiedenis vanaf de Belgische onafhankelijkheid tot nu de revue passeert. De auteur schrijft vlotter en onderhoudender dan in het eerste deel. Het onderwerp spreekt natuurlijk ook onmiddellijk aan: tal van voorbeelden put Loobuyck uit de laatste jaren.

Loobuyck beschrijft de klassieke maatschappelijke en politieke breuklijnen: de Vlaamse beweging en het verzuilingsverschijnsel en de positionering van en door de intellectuelen, het ontstaan van nieuwe twistpunten, de relatie met de politiek en de media. In een laatste hoofdstuk, ‘Het postmoderne levensgevoel en de intellectuelen’, gaat de schrijver voluit: met het frame van zijn eerste deel voor ogen schrijft hij een takenpakket voor de hedendaagse Vlaamse intellectueel. Waar hij op het einde van deel 1 (de zingevers) ten strijde trok tegen het ‘geestelijk vacuüm’ of de ‘spirituele leegte’ beschrijft hij het resultaat van de verlichting en moderniteit tot de ‘leegte’ zoals dit door tal van Vlaamse intellectuelen wordt aangevoeld en bestreden.Tegenover het conservatisme van Kerkhofs, De Dijn, Ruys en anderen posteert Loobuyck Deleu, Raes, Desmet, Huyse: het gaat daarbij vooral over het omgaan met ‘vrijheid’ en de ‘verantwoordelijkheid’ van eenieder in het samenleven (op alle niveaus). De homo Sartrensis is dood. Het grote gelijk vanuit de ideologieën bestaat niet meer. De klassieke intellectueel als arbiter (zeg maar alleswetende betweter) heeft afgedaan. Het cultuurmaatschappelijk product is dermate veelzijdig geworden dat specialisten, verkopers van cultuurproducten van alle slag, media en onderzoekers van doen zijn om nog enig zicht te krijgen op het overmatige aanbod. De intellectueel van vandaag heeft in Vlaanderen dan ook een eerder oriënterende en wegwijsmakende functie. Al wijst Loobuyck er ook op dat deze intellectuelen toch nog op de een of andere manier verbonden zijn door een politiek engagement, zij het meestal in los verband. En dat engagement, zo schrijft hij, vergt tot nader order nog steeds geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Dat is het vertrekpunt van Loobuyck om naar het postmodernisme uit te halen, dat de Vlaamse intellectuelen ook niet bepaald aanbieden.

Het werk sluit af met een besluit waarin de auteur nog synthetiseert wat hij in de voorgaande driehonderd bladzijden schreef en zelf duidelijk opkomt voor de kritische intellectueel als bevlogen scherpslijper: ‘…intellectuelen hebben steeds op de een of andere manier weerstand moeten bieden tegen onrechtmatig machtsgebruik en totalitaire aanspraken. Alle postmodernismen ten spijt, moeten intellectuelen dit blijven aanklagen en hiervoor alert blijven. Nu meer dan ooit. De meest oorspronkelijke functie die intellectuelen te vervullen hebben is er in de loop van de tijd niet minder actueel op geworden. Men moet kritisch zijn en mensen kritisch maken tegenover alle vormen van excessen waaraan de macht en de machthebbers zich schuldig kunnen maken…’

Dat daarvoor de grote ideologieën niet meer bruikbaar zijn mag de intellectueel niet beletten zijn roeping te volbrengen: ‘dit aanklagen en ‘profeteren’ moet ook kunnen zonder de steun van de grote verhalen en de universele waarheid in het achterhoofd. Vanuit een particuliere invalshoek en een veeleer bescheiden positie en waarheidsaanspraak moet men toch durven radicaal en kritisch te denken.’

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 8 (oktober), pagina 47 tot 48