Abonneer Log in

Manifest voor een sociale veiligheidszorg in de 21ste eeuw

Samen zorgen voor een veilige en geordende samenleving (deel 1)

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 15

Deze bijdrage is het resultaat van verschillende discussieavonden die georganiseerd werden om een nieuwe visie op veiligheid te ontwikkelen. Het is geen wetenschappelijk werkstuk maar een politieke discussietekst, waarmee de auteurs de discussie met alle geïnteresseerden willen aangaan. Hierna worden de uitgangspunten naar die nieuwe visie uiteengezet. De maatregelen die ze concreet voorstellen, worden in het volgende nummer gepubliceerd.

Veiligheid is een belangrijke en een sociale bezorgdheid

Zowat iedereen voelt het vrijwaren van zijn of haar lichamelijke, psychische en materiële integriteit aan als één van de meest wezenlijke menselijke behoeften. Iedereen wil zichzelf en de mensen die hem of haar lief zijn, beschermd weten tegen ongewilde aantastingen van lijf en leden, tegen ongewild binnendringen in privé of huiselijke sfeer, tegen diefstal of vernieling van zijn of haar bezittingen. Dat is een zorg van iedereen, ongeacht zijn of haar maatschappelijke positie. Veiligheid is een universeel recht: iedereen moet aanspraak kunnen maken op adequate bescherming en veiligheidszorg. Maar ook hier speelt ongelijkheid. Om voor ieder eenzelfde resultaat inzake veiligheid te bereiken, zullen voor sommige groepen extra aandacht en extra inspanningen nodig zijn.

Onveiligheid en angst zijn bovendien een sterke rem voor de menselijke activiteit en zelfontplooiing. Angst en ongerustheid smoren menselijke initiatieven, maken sommige keuzes onmogelijk, beperken de vrije persoonlijke ontwikkeling. De omgeving heeft een grote invloed. Deze is al dan niet voldoende rustig en geordend: er zijn goede en minder goede afspraken en er wordt al dan niet respect opgebracht voor afspraken en regels. Met een gevoel van veiligheid is iedereen veel beter in staat het leven te leiden dat hij verkiest. Een veilig gevoel laat toe om een rustig leven te leiden. En een veilig gevoel spoort ook aan om initiatief te nemen, om grenzen te verkennen, om nieuwe paden te ontdekken.
Veiligheid en een rustige en geordende leefomgeving zijn voor iedereen belangrijke elementen van de kwaliteit van het leven. Maar ze zijn ongelijk verdeeld: ze liggen makkelijker in het bereik van wie maatschappelijk sterker staat.

Een dubbelzinnige relatie met het thema veiligheid

Op de keper beschouwd is het verrassend dat de linkerzijde zo’n moeilijke en dubbelzinnige relatie onderhoudt met het thema ‘veiligheid’. Enig zelfonderzoek en verklaring zijn dan ook nodig. De linkerzijde heeft altijd gevreesd dat veiligheid als thema of doelstelling het hele maatschappelijke debat zou gaan kleuren en domineren. Zij was bang dat de ‘veiligheidsstaat’ de verzorgingsstaat zou verdringen en dat het streven naar veiligheid de strijd voor sociale gelijkheid zou overvleugelen, inpalmen en ondergeschikt maken. Armoede en marginalisering zouden in dat geval bestreden worden om de bemiddelde burger te beschermen tegen criminaliteit en niet vanuit een streven naar rechtvaardigheid. In een veiligheidsstaat zou de overheid zich opnieuw terugplooien op de grenzen van de état-gendarme en zijn ambities als verzorgingsstaat daaraan opofferen. De overheid zou zich op die manier meer concentreren op de verdeling van de slechte goederen (criminaliteit, overlast) dan op de verdeling van de goede goederen (welvaart, sociale ontwikkeling, bieden van kansen).
Die vrees is gevoed door het feit dat de SP in de jaren negentig vooral gezagsdepartementen en veel minder sociale departementen beheerde in de regering. De sterkste ministers waren bovendien op die gezagsdepartementen terug te vinden. Er ging geen dag voorbij zonder dat ergens een veiligheidsprobleem opdook waarmee de bevoegde minister in de kijker liep.
De Vlaamse regering heeft dan ook nog - zeer ten onrechte - geweigerd om met de federale regering samen te werken aan een verbetering van de veiligheid in de steden. Daardoor bleven de veiligheids- en preventiecontracten - later bijgestuurd tot samenlevingscontracten - varen onder de vlag ‘veiligheid’. De sociaal-preventieve benadering kreeg op die manier - soms zelfs ongewild maar onvermijdelijk - de kleur en geur van veiligheid. Sociale preventie en acties voor sociale veiligheid hadden een onderdeel moeten zijn van de sociale impulsen om achtergestelde buurten opnieuw beter leefbaar te maken. Waar de politie een reeks van haar activiteiten had moeten inschakelen in het sociaal beleid, werden integendeel sociale projecten gefinancierd door de veiligheidscontracten. Sociale werkers werden ingeschakeld in het veiligheids- en politiebeleid. Om een sociaal project te starten, had je meer kansen wanneer je het aan de kapstok veiligheid hing. Het sociale aspect leek ondergeschikt te worden aan het streven naar veiligheid.

De eenzijdige focus op sommige misdrijven

Wanneer je over veiligheid spreekt, kun je moeilijk ontsnappen aan een eenzijdige, sterk overbelichte en spectaculaire focus op sommige misdrijven. Wanneer je als linkerzijde tegemoet wilt komen aan de bezorgdheid voor een veilige leefomgeving, laat je je soms ook al eens meeslepen door een flink, gespierd en zelfs autoritair discours. En wanneer de linkerzijde terecht de nadruk legde op respect voor elkaar en op gezagsvol optreden en handhaven, werd dit pleidooi geïnterpreteerd als een vraag naar harde aanpak en blind autoritarisme. We mogen daarbij de sfeer niet vergeten die verschillende media creëren. Ze vergroten bepaalde feiten sterk uit en vertekenen het globale beeld over onveiligheid en criminaliteit. Veiligheids- en vreemdelingenbeleid worden door elkaar geklutst. Voor alle mogelijke en onmogelijke problemen verwacht men een oplossing van de politie. Is er een gat in de weg? Bel de politie!
De linkerzijde lijkt meer vrees te hebben voor de neveneffecten van het pleidooi voor een veiliger samenleving dan hoop te vestigen op de reële effecten ervan. Zeker als aanwijsbare resultaten van het veiligheidsbeleid uitblijven.
De linkerzijde heeft het moeilijk om haar eigen handelsmerk - de strijd voor meer sociale gelijkheid - zichtbaar te maken in het veiligheidsbeleid. De normen en waarden die worden uitgedragen in het veiligheidsbeleid lijken in het beste geval klassenneutraal te zijn. In het slechtste geval horen ze bij de hogere middenklasse en worden ze aan iedereen opgedrongen. Veiligheidsmaatregelen richten zich inderdaad niet tot één of andere sociale groep. Een verkeersongeval is een drama, tot welke sociale klasse het slachtoffer ook behoort. Maar dat belet niet dat zwakke weggebruikers, en dat zijn met name jongeren en senioren, vaker het slachtoffer zijn van een verkeersongeluk. Anderzijds bevat een veiligheidsbeleid zeer vaak accenten waardoor sommige categorieën slachtoffers beter worden beschermd of juist worden verwaarloosd. Sommige categorieën daders worden scherper geviseerd of dan weer ongemoeid gelaten. Als dat niet gebeurt, wordt er een gelijkmatig gespreid beleid gevoerd, zonder aandacht voor grotere noden en grotere kwetsbaarheid. En daarin dreigt het Matteus-effect: wie reeds sterker staat en mondiger is, weet voor zijn noden de meeste aandacht te trekken.
Een deel van de linkerzijde ziet politie en veiligheid nog steeds als instrumenten om de bemiddelde burger te helpen en om de minderbedeelde te verdrukken wanneer hij of zij protesteert tegen sociale achterstelling. Deze groep kan zich een beleid voor meer gelijkheid inzake veiligheid moeilijk voorstellen en wil er dan ook liever niet aan beginnen.

Botsende waarden

Elk beleid wordt geconfronteerd met botsende waarden en vergt moeilijke keuzen. Ook inzake veiligheid heb je te maken met een aantal fundamentele waarden. Elk op zich verdienen ze volle steun, maar in de praktijk komen ze met elkaar in conflict. De linkerzijde heeft te kampen met het syndroom van de ezel van Buridan. Wanneer hooi met een sterke smaak van preventie, formele en informele sociale controle, afspraken en respect voor normen en regels en solidaire verantwoordelijkheid wordt voorgeschoteld, wendt de linkerzijde liever het hoofd af. Het zegt haar wel wat, maar als zij dan denkt aan een zo groot mogelijke bescherming van de privacy, aan ontvoogding, aan maximale individuele vrijheid en zelfbeslissingsrecht, dan komt het water haar pas in de mond. Wanneer haar dan hooi wordt aangeboden dat sterk met die ingrediënten is gekruid, smaakt haar dat toch te individualistisch, en begint zij te watertanden bij de gedachte aan gedeelde waardepatronen en aan collectieve verbondenheid. Weifelend en discussiërend blijft de linkerzijde denken aan een maaltijd waarbij de ene en de andere smaak onversneden tot hun recht zouden komen. Vermits de kok die daarin slaagt nog niet gevonden is, blijft zij met zichzelf twistend en onvoldaan achter of verlaat zij liever het restaurant ‘Veiligheid’.
Van de weeromstuit ontstaat de neiging om de problematiek van veiligheid, politie en justitie links te laten liggen en naar de andere kant uit te kijken. Maar dat is helemaal geen oplossing. Het onveiligheidsprobleem verdwijnt daarmee natuurlijk niet uit de wereld. Op federaal vlak kunnen de linkse partijen het hoofd misschien wel tussen de schouders trekken en hopen dat de veiligheidsstorm overwaait tot bij de liberale coalitiepartner. Maar op lokaal vlak kan een links bestuur zijn verantwoordelijkheid niet ontlopen. Bij de bevolking blijkt de bezorgdheid over veiligheid reëel en groot te zijn. Het is niet het belangrijkste probleem maar toch één van de belangrijke vragen van de bevolking en de sociaaldemocratie kan niet zonder antwoord blijven. Zo’n belangrijk maatschappelijk vraagstuk als de invulling van het veiligheids- en politiebeleid mag niet worden overgelaten aan de rechtse partijen. Een van de kritieken op het beleid inzake veiligheid en overlast, is juist dat de overheid de problemen te lang op hun beloop laat en te laat inspeelt op problematische ontwikkelingen: niets doen doet de toestand verergeren en verzieken.
De uitdaging ligt er dus in een sociaal en democratisch beleid te ontwikkelen om een veilige en geordende samenleving tot stand te brengen. Dat vereist dat we bepalen wèlke veiligheid en wèlke ordening we willen: geschraagd door welke waarden, op basis van welke ethische normen. Dat vereist dat we tot afspraken komen over de regels die we willen, de risico’s die we nog wel of niet langer aanvaardbaar vinden. Dat vereist dat de bevolking mee kan bepalen welke veiligheid en welke ordening zij wil. Wij willen dat ook minder mondige groepen die spontaan minder aan bod komen, voluit mee bepalen wat zij belangrijk vinden. Speciaal voor hen zullen we kanalen moeten voorzien.

Een veilige en geordende samenleving

De veiligheidsstaat mag niet de plaats van de verzorgingsmaatschappij innemen. Het streven naar welvaartsherverdeling en welzijnsbevordering mag niet worden ingeruild tegen een beleid dat in de eerste plaats gericht is op het beschermen tegen gevaren en op het beheersen van risico’s. Hoop en strijd voor meer rechtvaardigheid mogen niet opzij worden geschoven door vrees en repressie.
Daarom willen we een duidelijke afbakening van wat we bedoelen met het begrip ‘veilige en geordende samenleving’. We willen de veiligheids- en politiezorg een juiste plaats geven. We kunnen niet aanvaarden dat sociale actie een veiligheidskleedje moet aantrekken en onder controle of leiding van de politieverantwoordelijken komt te staan.
Alle onzekerheden en maatschappelijke risico’s worden wel eens in dezelfde zak van onveiligheid en onveiligheidsgevoelens gestopt. Er is de angst voor een aantasting van de lichamelijke, psychische of materiële integriteit, het onbehagen en de bezorgdheid over hinder en overlast in de directe leefomgeving (lawaaihinder, verloedering, (fout)-parkeren, druggebruik), de onzekerheid over de algemene bestaansvoorwaarden (perspectieven inzake werk en carrière, gezinssituatie, gezondheid): we mogen dat niet allemaal op dezelfde hoop van onveiligheid en onveiligheidsgevoelens gooien als risico’s die door veiligheidsbeleid en politie onder controle moeten worden gehouden.

Zorgen voor een veilige samenleving is de lichamelijke en psychische integriteit van iedereen zo goed mogelijk waarborgen en ieders bezittingen beschermen. Het zo goed mogelijk waarborgen van een vrij toegankelijke openbare ruimte en van een leefbare en geordende buurt, is de zorg voor een rustig en geordend samenleven. Dat kan door goede afspraken te maken, door respect voor de afgesproken regels en een grotere verdraagzaamheid voor elkaar.
Het rustig en geordend samenleven vereist niet alleen dat de leefomgevingen waar men komt en vertoeft leefbaar en voldoende veilig georganiseerd zijn. Rustig en geordend samenleven hangt ook samen met de wetenschap dat een aantal fundamentele spelregels worden nageleefd, dat het maatschappelijk spel correct en eerlijk wordt gespeeld, dat men elkaar kan vertrouwen, ook al loopt men geen rechtstreekse individuele schade op door het negeren van de regels. Rustig en geordend samenleven hangt samen met een voldoende mate van vertrouwen in de rechtsorde.
Met veiligheidszorg bedoelen we de zorg voor het veilig, rustig en geordend samenleven. Veiligheid, rust en orde beschouwen we als belangrijke elementen van de leefkwaliteit.

Zorgen voor een veilige en geordende samenleving komt neer op de opdracht, zoals traditioneel geformuleerd, om te waken over de openbare orde (openbare rust, veiligheid en gezondheid) en over het eerbiedigen van strafrechtelijke regels. Veiligheid en orde zijn niet vaststaand, maar altijd relatief, te situeren binnen een gegeven context. Openbare orde en rechtsregels mogen geen statische, conservatieve gegevens zijn, maar moeten een dynamische en progressief evoluerende inhoud hebben. De bevolking moet die inhoud kunnen meebepalen.

Sociale oplossingen voor sociale problemen

We hebben het begrip ‘veilige en geordende samenleving’ willen uitklaren en goed afbakenen. We beseffen zeer goed dat er wel degelijk een wederzijdse beïnvloeding bestaat tussen enerzijds de onzekerheid over het bestaan, over maatschappelijke veranderingen of over de toekomst en anderzijds de wijze waarop men zich opstelt tegenover misdadig gedrag of de mate waarin men een bepaalde omgeving als bedreigend ervaart. Onzekerheid en angst voor crimineel gedrag beïnvloeden elkaar wel degelijk, maar mogen niet worden vereenzelvigd. Dat mag ook niet gebeuren voor sociale problemen die tot bestaansonzekerheid leiden en onder de hoede van de veiligheidsverantwoordelijke worden geplaatst. Het oplossen van sociale problemen blijft een zaak van sociale vooruitgang, niet van criminaliteitsbestrijding.
Veilig en geordend samenleven hoort, zoals de mogelijkheid om zich te scholen of te genieten van een degelijke volksgezondheid, te worden gesitueerd binnen de bevordering van de levenskwaliteit en dus binnen de verzorgingsmaatschappij. De verzorgingsstaat heeft als uitdaging om de risico’s en de gevolgen van het veiligheidsbeleid binnen aanvaardbare perken te houden. Veiligheidszorg is zoals gezondheids- of onderwijsbeleid, meer dan een afgeleide van het algemeen sociaal beleid. Veiligheid is een specifieke doelstelling die in verband staat met de andere doelstellingen van de verzorgingsmaatschappij, maar er niet door wordt opgeslorpt. Veiligheidszorg is een specifieke opdracht, met een actieve rol voor onder meer politie en justitie. In de verzorgingsmaatschappij zal men zijn inspanningen steeds moeten bijsturen en rekening houden met de evolutie van het veiligheids- en criminaliteitsniveau en met de signalen van de diverse bevolkingsgroepen over welk risiconiveau aanvaardbaar is.

Toch ligt de opdracht er niet alleen in om het globale criminaliteits- of risiconiveau naar omlaag te krijgen. Dat zou volstaan in zoverre men aanvaardt dat iedereen te kampen heeft met eenzelfde criminaliteitsprobleem en met eenzelfde probleem van gebrek aan sociale ordening van de leefomgeving. En ook als iedereen op een gelijke manier gebruik kan maken van het aanbod aan veiligheidszorg. Welnu, dat is niet zo. Sommige groepen zijn duidelijk kwetsbaarder. Ze lopen meer risico omwille van kenmerken die hen eigen zijn en omwille van de omgeving waarin zij zich (moeten) bewegen. Onveiligheid is niet alleen ongelijk verdeeld volgens de mogelijkheden - financiële en andere - van iedere persoon of volgens het geslacht, de leeftijdscategorie of de etnische groep waartoe men behoort. Zij wordt ook anders beleefd en verwerkt.
De veiligheidszorg moet dus rekening houden met kwetsbaarheid en maatschappelijke ongelijkheid. We moeten die zorg beschouwen als een verdelingsvraagstuk binnen de verzorgingsmaatschappij. De veiligheidszorg moet sociaal zijn.

Elke burger of groep moet ervan op aankunnen dat zijn klachten ernstig worden genomen en dat de overheid er iets probeert aan te doen. We moeten er ons wel voor hoeden de inspanningen niet enkel of vooral te richten op die sociale groepen die het snelst of het meest klagen. Niet alle aandacht mag gaan naar die sociale groepen die met relatief minder belangrijke problemen te kampen hebben, maar die aanspraak menen te kunnen maken op een hoger niveau van bescherming omwille van levensstijl en perceptie. Wanneer we zeggen dat veiligheidszorg sociaal moet zijn, moeten we niet het vuur uit onze sloffen lopen voor de minste klacht uit de rijke buurt en klachten uit de achtergestelde buurt afwimpelen, omdat die nu eenmaal bij het leven in zo’n buurt horen. De volksvrouw en de burgerdame hebben evenveel recht om te worden beschermd tegen agressie. De volkswijk en de villawijk moeten net zo goed een beroep kunnen doen op maatregelen tegen overdreven decibels. Slagen en verwondingen tegen een buschauffeur zijn even erg als die tegen een curator.

Veiligheidszorg moet universeel zijn: iedereen moet er een beroep op kunnen doen. Maar omstandigheden en menselijke vaardigheden kunnen sterk verschillen. En om voor iedereen hetzelfde resultaat te bereiken, volstaat het niet hetzelfde aanbod te voorzien. Wanneer sommigen minder vaak en snel gebruik maken van een aangeboden dienstverlening, zullen we hen speciaal moeten tegemoetkomen. Als ouderen beduidend gevoeliger zijn voor bepaalde bedreigingen, moeten we daar in de aangeboden dienstverlening rekening mee houden. Sommige particulieren of instellingen zijn veel kapitaalkrachtiger en dan kunnen we hen vragen dat ze zelf betalen voor sommige overheidsdiensten die voor anderen gratis worden aangeboden.
Opdat het recht op veiligheid, rust en orde universeel zou zijn, moet de overheid rekening houden met de verschillen in maatschappelijke mogelijkheden, vaardigheden en omstandigheden van de verscheiden sociale groepen in de samenleving.

Veiligheid maatschappelijk opbouwen

In vele teksten over veiligheid valt de uitgesproken negatieve benadering op. Het gaat niet om het bevorderen van veiligheid, maar om de strijd tegen onveiligheid. In zijn federaal veiligheidsplan schrijft minister Verwilghen dat veiligheid fundamenteel neerkomt op het ontbreken ván gevaren of het beschermen tégen gevaren. Dat is een negatieve definitie. In de negatieve benadering van de risicosamenleving worden vooral de risico’s in ons leven in de verf gezet. Zich afschermen en zich beveiligen tegen die risico’s worden centraal gesteld. Dat leidt onvermijdelijk naar een grote nadruk op de vraag om een harde aanpak tégen de anderen die zich crimineel gedragen. De vraag naar strengere bestraffing, naar uitsluiting en uitstoting van criminelen en naar meer gevangenissen wordt almaar belangrijker. Er wordt kortom een grote nadruk gelegd op repressie en de politie krijgt een primordiale rol als crime fighter (en het gerecht als bemoeizuchtige boeman).
Een beleid dat hoofdzakelijk uit die negatieve benadering vertrekt, kan misschien wel even soelaas bieden, maar kan nooit tot een duurzame oplossing leiden. Het leidt bovendien tot een averechtse sociale herverdeling. De nadruk op het bestrijden van elke bedreiging van de veiligheid, gaat voorbij aan essentiële kenmerken van criminaliteit en van overlast.
Criminaliteit en overlast zijn niet enkel toe te schrijven aan de anderen, aan die enkele criminelen. Velen onder ons, ook welmenende burgers, laten zich verleiden tot het overtreden van wetten. En we gaan zelfs zo ver dat we ons medemens benadelen als ons dat goed uitkomt. Wie zonder fout is, mag de eerste steen werpen. Veel problemen die leiden tot wrevel en onveiligheidsgevoelens in sommige buurten zijn toe te schrijven aan moeilijke leefverhoudingen tussen burgers. Er is gebrek aan communicatie en zelfs een onvermogen om met elkaar te communiceren. Er is een groot gebrek aan tolerantie. Dat zijn cruciale problemen.
Het gebrek aan gedeelde normen en waarden, of sociale desintegratie, en het gebrek aan mogelijkheden om de eigen levensomstandigheden in handen te nemen, of sociale desorganisatie, zijn een voedingsbodem voor onverantwoordelijk, asociaal en crimineel gedrag. En we hebben het dan nog niet gehad over sociale achterstelling, het gebrek aan kansen en perspectief op sociaal vlak, de armoede en de tekorten, waardoor de kansarme bevolkingsgroepen geen deel hebben aan onze welvaart en er geen belang bij hebben zich vrijwillig te conformeren aan de afgesproken normen.

We moeten onze eigen verantwoordelijkheid erkennen en daaraan werken. We moeten communicatie en tolerantie proberen te herstellen en een gedeeld waardebesef nastreven. We moeten opkomen voor meer zeggenschap en inspraak in de eigen levensomstandigheden en voor een betere verdeling van de sociale welvaart waarin iedereen gelijke kansen krijgt. Dat zijn stuk voor stuk directe of indirecte en noodzakelijke stappen. Maar een beleid dat zich uitsluitend op toezicht en bescherming concentreert, heeft daar geen oog voor. Een dergelijk beleid werkt averechts herverdelend. Het zijn de lagere sociale klassen en de maatschappelijk zwaksten die het meest kans hebben om slachtoffer te worden van criminaliteit en die het meest gestoord worden door diverse vormen van overlast. Het zijn ook de laagste sociale klassen die het snelst en het felst met de vinger worden gewezen voor het crimineel gedrag waar zij toe overgaan. De betere klassen hebben meer mogelijkheden (financieel, maar ook omdat ze hun stem sterker kunnen laten horen en maatschappelijk meer invloed kunnen uitoefenen) om zich te beschermen. Wanneer ze in de fout gaan, zullen ze minder makkelijk worden uitgesloten. De mensen die eigenlijk het minst te klagen hebben, krijgen de meeste kansen om zich te onttrekken aan de gevolgen van crimineel gedrag. De gewone man of vrouw zal minder mogelijkheden hebben om zich te beschermen en zal, voor de misdrijven die hij of zij begaat, harder worden aangepakt. Een winkeldiefstal van 1000 frank werpt vaker een grotere smet dan een fraude van 100.000 frank. Degenen die het meest te lijden hebben onder criminaliteit en overlast, blijven er ook langer mee geconfronteerd.

Een constructieve benadering

We willen dus een krachtig pleidooi houden voor een constructieve benadering. Veiligheid moeten we maatschappelijk opbouwen. De constructieve benadering gaat ervan uit dat de persoonlijke integriteit, het bezitten van goederen en het zich veilig kunnen bewegen in een rustige en geordende openbare ruimte onaantastbare rechten zijn. Om die rechten te waarborgen, moet de grootste aandacht gaan naar maatregelen en initiatieven om actief en veilig samenleven tot stand te brengen. Dat betekent dat we niet enkel bescherming vragen tegen het crimineel gedrag van anderen, maar dat ieder bij zichzelf nagaat welk gevaar of welke hinder hij voor de anderen veroorzaakt en hoe hij die kan verminderen. Dat betekent dat we de mensen opnieuw tot communicatie moeten brengen, zodat onveiligheid kan worden uitgepraat en opgelost, in plaats van te escaleren tot slepende conflicten. Dat betekent dat we pleiten voor meer tolerantie en verdraagzaamheid, waarbij aanvaard wordt dat bv. de oudere anders leeft dan de jongere. Dat betekent dat mensen zelf verantwoordelijkheid leren opnemen en hun leefomgeving in handen nemen. Via inspraak kunnen zij bepalen hoe het leven in hun buurt best wordt georganiseerd en initiatieven mee helpen uitwerken. We blijven dus ijveren voor een betere verdeling van welvaart en welzijn, zodat iedere persoon daadwerkelijk de kansen heeft om zich te ontplooien.

Een constructieve benadering of het maatschappelijk opbouwen van veiligheid, legt een veel grotere nadruk op preventie. Maar preventie is in die benadering veel meer dan een technisch hulpmiddel, dan hang- en sluitwerk of dan een alarmsysteem. Preventie mag ook niet door een louter politionele of justitiële bril worden bekeken. In deze benadering moet zorgen voor veiligheid aansluiten bij maatschappelijk opbouwwerk en bij een breder sociaal beleid. Preventie is niet alleen een zaak voor de politie, maar voor het hele bestuur en het maatschappelijk middenveld.
We kiezen voor een constructieve benadering en leggen de nadruk op sociale preventie. Maar dat betekent niet dat politie en justitie de opdracht om de rust te bewaren, de wet te handhaven en wanneer nodig repressief op te treden, moeten of mogen afschrijven. We pleiten voor een actieve rol van politie en justitie en voor een consequent handhavingsbeleid. Maar een onnodig harde aanpak is uit den boze.

Een solidaire benadering

De persoonlijke integriteit, de eigendom van goederen, de vrije toegang tot een rustige en geordende openbare ruimte en het mogen verwachten dat de wettelijke regels voor het maatschappelijk verkeer worden nageleefd, zijn stuk voor stuk fundamentele rechten. Maar dat betekent niet dat het louter individuele rechten zijn. Elk individu afzonderlijk kan van de overheid niet eisen dat hij of zij beschermd wordt tegen aantastingen of bedreigingen van zijn of haar veiligheid. Eisen dat de overheid alleen instaat voor een sluitende bescherming van de individuele veiligheid van elke burger, is een illusie en is bovendien gevaarlijk. Het is een illusie, omdat dit zelfs niet lukt in de meest extreme politiestaat met onbeperkte macht voor de veiligheidskorpsen. Het is gevaarlijk omdat het voeden van die verwachting en het streven naar dit ‘ideaal’, onvermijdelijk leiden tot heel vergaande en onbeheersbare bevoegdheden voor politie- en veiligheidskorpsen. Het is bovendien gevaarlijk, omdat dit individueel recht op bescherming enkel te realiseren valt voor een relatief beperkte bevolkingsgroep, namelijk voor een bovenlaag. In de feiten zal dat altijd neerkomen op het verwaarlozen of het onderdrukken van andere bevolkingsgroepen.

Een veilige, rustige en geordende openbare ruimte is een gemeenschappelijk goed, waar we allen samen mee voor verantwoordelijk zijn en samen voor moeten zorgen. Allen samen betekent overheden én diverse bevolkingsgroepen. Ze hebben elk hun rol, maar de ene kan niet zonder de andere. Bij de overheid moet de veiligheidszorg voor allen een belangrijk aandachtspunt zijn. In de eerste plaats voor de politieman en de magistraat maar ook voor de planoloog, de ingenieur, de leraar en de sociaal werker. Bij de bevolking betekent allen samen dat ieder zijn of haar eigen verantwoordelijkheid moet nemen door voldoende voorzorgen in acht te nemen. Het betekent ook dat je elkaar nodig hebt en het voor elkaar moet opnemen. De problemen met elkaar bespreken en afspraken maken, helpt zeker zo veel als een beroep doen op de politie. Zonder samenhorigheid, solidariteit en verbondenheid, hebben echte veiligheid en een rustige en geordende leefomgeving geen kans.
Samenhorigheid, solidariteit en verbondenheid veronderstellen dat je een aantal gemeenschappelijke normen en waarden deelt. We willen in geen geval terug naar een verstikkende greep van de leefgemeenschap op het individu, waarbij iedereen keurig in dezelfde pas moet lopen. Ieder individu heeft recht op eigen opvattingen en op een eigen leefstijl. Hij heeft het recht zichzelf te ontplooien. Individuele vrijheid is fundamenteel. Maar een maatschappij bestaat niet alleen uit individuen, zij is ook een gemeenschap. Een samenleving waar ieder individu zijn eigen rekening maakt, waar mensen volstrekt onverschillig staan tegenover de medemensen en waar er niet gezamenlijk gezocht wordt naar oplossingen, is ten dode opgeschreven en maakt uiteindelijk ook het individu kapot. We moeten dus durven praten, ieder van ons met zijn opvattingen, over de morele normen waarover we het eens zijn of over de normen die we willen laten primeren. We moeten een nieuw evenwicht zoeken tussen individuele vrijheid en ontvoogding enerzijds en gemeenschappelijke morele normen en solidariteit anderzijds.

Maar wat heeft deze discussie tussen individualisme en communautarisme te maken met veiligheidszorg en politie? Heel veel. We leren daaruit dat we in de veiligheidszorg niet alleen uit koele berekening mogen werken. Er is niet enkel een probleem als een individueel recht wordt geschaad of als iemand ernstig nadeel wordt berokkend. Het is niet zo dat we ons helemaal geen zorgen hoeven te maken, omdat een slachtoffer goed was verzekerd of zijn of haar bezittingen recupereerde. Het gaat niet enkel over de gevolgen van het misdrijf, het gaat ook over het misdrijf zelf. Het gaat niet enkel over het nadeel berokkend aan een individu. Het gaat ook over het in stand houden van gemeenschappelijke waarden en normen. Het gaat vooral ook over het vertrouwen in een gemeenschap: dat zij bereid is op te komen voor de normen die zij verkondigt en aanleert. Veiligheidszorg is meer dan het beheren van risico’s. Politie en justitie zijn meer dan een verzekeringsbedrijf. Efficiëntie moet op meer steunen dan op een financiële afweging. Als de politie de vraag van een opgroeiend kind om zijn gestolen fiets op te sporen als totaal onbelangrijk wegwuift, hoe moet dat kind dan blijven geloven dat diefstal fout en erg is? Hoe behoudt het vertrouwen in de gemeenschap en haar waarden? Veiligheidsmanagement is meer dan financiële efficiëntie.

Belangrijk is ook hóe we tot gemeenschappelijke normen komen. We beseffen wel dat het hanteren van begrippen als veiligheid, rust en orde wellicht wenkbrauwen kan doen fronsen en argwaan kan opwekken. Wordt hier gepleit voor behoud van het bestaande, voor stilstand, voor de dictatuur van de zwijgende meerderheid? Neen, het is wel een pleidooi voor een houvast, maar een houvast dat evolueert en dat ingevuld wordt door participatieve democratie en door democratische participatie. Democratie en participatie zijn twee sleutelbegrippen en beide zijn even belangrijk. Veiligheid, rust en orde zijn geen absolute begrippen en waarden. Zij moeten een resoluut hedendaagse invulling krijgen en dat kan enkel door democratie en participatie. Participatie betekent niet enkel inspraak en dus dat er rekening wordt gehouden met de mening van iedereen maar ook de eigen levensomstandigheden in handen kunnen nemen. Participatie is niet enkel dat ieder individu zijn wensen formuleert t.a.v. de overheid. Participatie is ook onderling communiceren en visies confronteren. Visies en normen die men daaruit afleidt gaan vaak terug op belangen. Verschillen in visies en normen gaan vaak terug op verschillen in belangen. We moeten die belangenconflicten niet uit de weg gaan, maar ze verzoenen in een aanvaardbaar compromis of een duidelijke maatschappelijke keuze maken. Vanuit een linkse visie betekent dit dat regels en beperkingen op de markteconomie moeten kunnen als de sociale bescherming van kwetsbare groepen van de bevolking dit vereist.

Democratie betekent ook dat zowel meerderheid als minderheid belangrijk zijn. Democratie is vandaag onlosmakelijk verbonden met pluralisme. Democratie is niet enkel het zoeken van een compromis, maar ook het gedogen van verscheidenheid. Gemeenschappelijke normen moeten toch veel ruimte laten aan zeer verscheiden levensbeschouwingen en -opvattingen en aan individuele menselijke ontplooiing. Het gaat over respect voor regels, maar niet alleen. Het gaat evenzeer over respect en verdraagzaamheid voor mensen.

Een integrale benadering

Een pleidooi voor een integrale veiligheidszorg is niet nieuw. Daarin worden maatregelen van primaire preventie tot nazorg aaneengeschakeld tot één veiligheidszorgketen. We willen het nog eens herhalen omdat, ondanks de brede principiële steun, het niet eenvoudig blijkt om een integrale zorg in de praktijk uit te werken en te realiseren. We herinneren kort wat het wezen is van een integrale veiligheidszorg. Vermits de oorzaak van het gebrek aan veiligheid te zoeken is in zeer verscheiden factoren, moet je ook een breed pakket maatregelen uitwerken om veiligheid op te bouwen. Maatregelen van economisch en sociaal beleid en voor een beter leefbare omgeving, moet je laten aansluiten op de specifieke veiligheidszorg: die gaat van technische preventie over sociale controle tot doordachte repressie en nazorg. En we laten nog veel mogelijke maatregelen onvermeld. De verschillende bestuursniveaus (gemeente, provincie, gemeenschap en federale overheid), de verschillende diensten (sociale diensten, stedenbouw, jeugddienst, onderwijs, politie, enz. enz.), de betrokken bevolking en het maatschappelijk middenveld moeten hier samen aan meewerken. De kunst is alle maatregelen en initiatieven te bundelen tot een geheel waarin wederzijds versterkend wordt gewerkt.
Voor integrale veiligheidszorg is er een werk van lange adem nodig. Het is erg belangrijk om dat voor ogen te houden. Een duurzaam resultaat is slechts mogelijk door te investeren op langere termijn en door geen stappen over te slaan. Je kan door een sterke maatregel of inspanning wel snel scoren. En dat zal ook al eens nodig zijn om het klimaat en de bereidheid te scheppen om met zijn allen mee te werken, maar we moeten vooral ver genoeg vooruit kijken, een beleid voeren met voldoende coherentie en continuïteit, de nodige tijd nemen en de inspanningen volhouden.

Een actieve rol voor politie en justitie

Integrale veiligheidszorg is veel meer dan toezicht en politie alleen. Maar de politie blijft nodig. Een politiebewaking en -optreden voorzien zonder oog te hebben voor maatschappelijke sociale oorzaken, is inderdaad dweilen met de kraan open. Maar we mogen ook niet vervallen in de illusie dat met een goed sociaal beleid de veiligheidsproblemen wel zullen verdwijnen. Veiligheid blijft een belangrijke en uitdrukkelijke bezorgdheid, die het sociale debat en de stedelijke problematiek niet mag gaan overheersen, maar die evenmin mag worden weggemoffeld of verstopt. De politiemensen mogen zich niet verkleden in sociale werkers. Er blijft nood aan toezicht, bewaking en handhaving van regels, rust en maatschappelijke orde.
Een goed veiligheidsbeleid steunt op twee pijlers: de goede deur moeten we zo wijd mogelijk open zetten, de verkeerde deur moeten we zo goed mogelijk sluiten. Enerzijds moet de juiste weg zo duidelijk mogelijk worden gewezen: de weg die overeenstemt met de gemaakte afspraken en regels. De maatschappij moet ook reële mogelijkheden, gelijkwaardige kansen en aantrekkelijke stimuli bieden om die goede weg te kiezen. Maar toch zal dat niet voldoende zijn. De verleiding om de verkeerde, vaak ook de gemakkelijkste weg te kiezen zal altijd blijven lonken. Dus moet het kiezen van het verkeerde pad duidelijk worden ontraden, onder meer door toezicht en door sancties. Ontraden, handhaven en bestraffen, de specifieke opdracht van politie en justitie, moet voldoende krachtig gebeuren (maar toch steeds een opening en stimulans inhouden om opnieuw de goede weg te kiezen).
De openbare orde en het rechtsbestel moeten op een correcte maar consequente manier worden gehandhaafd. Dat is een veelomvattende, moeilijke en vaak delicate opdracht die door een goed functionerende politie en justitie moet worden uitgevoerd. Daartoe moet de nodige opleiding en bijscholing worden voorzien, geschraagd door democratische waarden en een hoog plichtsbesef. De mate waarin een samenleving in haar repressief optreden respect weet op te brengen voor de mens, is nog steeds een goede maatstaf van haar beschavingsgraad. Meer nog: een repressie die toch menselijk blijft handelen is een aanstekelijk voorbeeld voor omgangsnormen in de brede samenleving en werkt in die zin zelfs preventief. Dat is hier allemaal snel neergepend, maar vergt een niet aflatende inzet en een voortdurende bezinning en bijsturing.

We willen graag de waarden en sleutelbegrippen waarop dit manifest voor sociale veiligheidszorg steunt nog eens op een rijtje zetten. Veiligheid en rustig en geordend samenleven zijn elementen van de leefkwaliteit. Veiligheidszorg moet sociaal zijn en een bijdrage leveren tot de verzorgingsmaatschappij. Ze mag niet louter beteugelend zijn en hoort in de eerste plaats opbouwend te zijn. Communicatie tussen de mensen onderling en tussen bevolking en overheid is daarbij cruciaal. Veiligheid moet ook steunen op solidariteit. We moeten er allen samen voor zorgen. Daarvoor is er behoefte aan een nieuw evenwicht tussen individuele vrijheid en ontvoogding enerzijds en gemeenschappelijke normen en samenhorigheid anderzijds. Gemeenschappelijke normen zijn dynamische en evoluerende begrippen, die een hedendaagse invulling moeten krijgen door democratie en participatie. We moeten ijveren voor respect voor de afgesproken regels, maar evenzeer voor verdraagzaamheid tegenover mensen. Er is bijzondere aandacht nodig voor gelijke kansen op veiligheid en voor sociale gelijkheid.

Deze filosofie van sociale veiligheidszorg willen we toepassen op de concrete problemen. We mogen de veiligheidsproblemen en de bezorgdheid over veiligheid niet ontkennen of verdoezelen. We moeten antwoorden zoeken die borg staan voor duurzame oplossingen. In de eerste plaats voor die fenomenen waarvan, op grond van feitelijke vaststellingen of van onderzoek van wat leeft bij de bevolking, blijkt dat zij de bevolking het meeste zorgen baren. En ook voor de problemen die de fundamentele waarden en organisatieprincipes van de maatschappij het meest ondermijnen en ontwrichten. De grote uitdaging is de hierboven beschreven waarden te vertalen in concrete programma’s.1

Noten
1. Die concrete programma’s worden in het novembernummer (jg. 8, 2001, nr. 9) van Samenleving en politiek gepubliceerd.

Deze tekst is mede schatplichtig aan een hele reeks artikelen die de vorige jaren verschenen. We noemen er enkele:
- De Haan W., ‘Veiligheidszorg als verdelingsvraagstuk in de verzorgingsstraat’, Tijdschrift voor criminologie, 1994, 36, p.25-28
- Raes Koen, ‘Onveiligheid in een normenloze wereld, Bedenkingen bij de Nederlandse Integrale Veiligheidsrapportage’, Samenleving en politiek, jg. 1, 1994, nr.3, p. 4-13
- Walgrave Lode, ‘Criminologische stellingen ten behoeve van beleidsmakers, Alles wat criminologen weten over criminaliteit en criminaliteitsbestrijding, maar wat de beleidsmakers nooit durfden vragen’, Tijdschrift voor criminologie, 1994, 36, p. 8-83
- Meyvis Wilfried en Fret Ludo, ‘Een sociaal geïnspireerd veiligheidsbeleid, het kan!’ Alert voor welzijnswerken en sociale politiek, 1994, 28, p.3-4
- Blankenberge, ‘Over criminaliteit gesproken’, Justitiële Verkenningen, Tien jaar Samenleving en criminaliteit, 1995, 3, p. 52-62
- Cartuyvels Y. en Van Campenhout L., ‘La douce violence des contrats de sécurité’, La Revue Nouvelle, Victimes et violences, Mars 1995, nr 3, p 49-56
- Van Outrive Lode en Walgrave Lode, ‘Veiligheid in onze dagen’, in: Wegen van Hoop, Universitaire perspectieven, Universitaire Pers Leuven, 1995, p.186-202
- Debeuckelaere Willem, Haché Daniel en De Hert Paul, ‘Heeft de minister van Binnenlandse Zaken een geheime agenda?’, Samenleving en politiek, jg.4, 1997, nr.9, p.30-37
- Roche Sébastien, Sociologie politique de l’insécurité, PUF, 1998, 283 p.
- Van Outrive Lode, Misdaad in toekomstperspectief, Rapport op vraag van de Koning Boudewijnstichting in het kader van ‘Burger, recht en samenleving’, september 1998
- Van Den Broeck Tom en Raes An, ‘Het leven zoals het is, Veiligheid en leefbaarheid vanuit de buurt bekeken’, in: Custodes: stadscriminaliteit (uitg. Politea) 2000, p.33-57
- De Baets Philippe, ‘Veiligheidsstaat of verzorgingsstaat: de retoriek voorbij?’, Panopticon, jg. 21, jan/febr 2000, p.41-62
- Hebberecht Patrick, ‘Het federaal veiligheidsplan versterkt de ongelijkheid inzake onveiligheid’, Panopticon, jg. 21, maart/april 2000, p. 101-111
- Peeters Carolien, Verbeeck Bruno, Vervaecke Geert, Goethals Johan, Pleysier Stefaan, ‘De constructie van een veiligheidsmodel in het kader van de veiligheids- en samenlevingscontracten’, Panopticon, jg 21, 2000, nr. 4, p.347-355
- Pleysier Stefaan, Vervaecke Geert, Goethals Johan, Peeters Carolien, Verbeeck Bruno, ‘Over onveiligheid en onzekerheid’, Samenleving en politiek, jg. 8, 2001, nr 2, p.26-34
- Ponsaers Paul, ‘Nieuwe vormen van sociaal conflict: de nieuwe technologische revolutie en de transformatie van de openbare orde’, Panopticon, jg 21, 2000, nr 2, p. 147-160.

  • In het bijzonder willen we Els Enhus en Lode Van Outrive danken voor de tekst die zij opstelden voor de voorbereidende discussie, onder de titel: ‘Veiligheid: een poging tot orde op zaken.’

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 15