Abonneer Log in

Socialisme voor de middenklasse?

Antwoord op de open brief van Jan Blommaert

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 9 (november), pagina 4 tot 11

Beste Jan,

Bedankt voor je open brief, al verberg ik niet dat ik toch ook een paar keer geschrokken ben. Je hebt het over mijn emoties, maar jouw emotionele gedrevenheid is toch ook niet mis! Je laat je zelfs enkele keren gewoon meeslepen. Niet dat dit erg zou zijn, maar het verleidt je er wel eens toe mij bedoelingen toe te dichten die ik niet heb. Op andere punten heb je gewoon gelijk. Ik zal proberen een en ander scherper te stellen. Dat lijkt mij het begin van een gedachtewisseling. Of uiteindelijk gedachten zullen wisselen, zal blijken. Ik hoop dat je er niet vanuit gaat dat dit enkel mijn gedachten kan overkomen. Een echte gedachtewisseling moet in twee richtingen gaan. Laat ons inderdaad constructief zijn en vooral niet in de loopgraven kruipen. En laat ons mekaar ook niet proberen te laten vallen over woorden.

Vooraleer jouw overwegingen meer in detail te overlopen, wil ik aangeven waar volgens mij het verschil tussen jou en mij ligt. Eigenlijk is dat eenvoudig, want de tegenstelling is bijna zo oud als de socialistische beweging en ik zal ze hier in haar ouderwetse bewoordingen formuleren. Jij verwerpt het economisch systeem. Dat kan gewoon niets goeds opleveren en moet daarom zo vlug mogelijk vervangen worden door een ander systeem. Jij bent een revolutionair, Jan. Ik ga ervan uit dat het systeem belangrijke gebreken kent, maar dat die slechts geleidelijk opgelost kunnen worden. Ik ben een reformist. Indien ik academicus was gebleven, zou ik vandaag waarschijnlijk even radicaal zijn als jij. Maar ik heb nu eenmaal een andere weg gekozen, die van de dagdagelijkse politiek. Als dit duidelijk is, moet op zijn minst heel wat ergernis wegvallen. Je zult blijven denken dat ik verkeerd ben, maar je mag me niet pakken op intenties van een revolutionair. Die heb ik gewoon niet. Ik verweer er mij echter wel tegen om dan maar in het liberale kamp geduwd te worden. Indien socialisme en liberalisme slechts varianten van elkaar zijn, dan zouden ze beter samensmelten. Ik vind dat dit niet zo is en wil proberen dat hierna ook aan te tonen.

In elk geval, Jan, ook ik ben schaamteloos links! Ik wil een wereld waarin iedereen gelijke kansen heeft om zichzelf te ontplooien en iedereen ook de verantwoordelijkheid heeft om die kansen te nemen. Ik aanvaard niet dat iemand opgesloten wordt in de toevallige omstandigheden van zijn geboorte. Iedereen moet de mogelijkheid krijgen om te groeien, om morgen meer te zijn dan vandaag op die terreinen die hij of zij zelf belangrijk vindt. Het gaat ook voor mij om emancipatie, om zelfrealisatie. En ik wil dat iedereen daar kan van genieten, niet enkel wie hier of vandaag leeft, maar ook in de ontwikkelingslanden en ook op langere termijn. Mijn engagement is ook internationaal en ecologisch. Gelijke kansen is gewoon een moderne manier om gelijkwaardigheid te definiëren. Iedereen is evenwaardig, onafhankelijk van afkomst, geslacht, kleur, taal, leeftijd.

Je hebt alvast gelijk dat vernieuwing meer moet zijn dan cosmetica. Het is natuurlijk waar dat ikzelf heel veel belang hecht aan de vorm, maar ik wil daar absoluut de inhoud niet aan opofferen. Misschien is dat wel af en toe voorgevallen, maar als je het congres van 13 oktober gevolgd hebt, zul je weten dat toen nog iets meer gebeurd is dan de lancering van een nieuwe naam. Ik heb ook een oproep gedaan om precies ook aan de inhoudelijke vernieuwing te werken. Niet dat daar nog niets zou aan gedaan zijn. Voor het toekomstcongres van 1998 zijn hele bomen gesneuveld. We beschikken over uitgewerkte analyses voor alle belangrijke problemen die een socialistische partij bezig houden. Ze waren het basismateriaal voor de onderhandelaars van de sp.a bij de regeringsvorming. Maar daarna hebben we er niet zo veel meer mee gedaan. Dat wordt nu goedgemaakt. En iedereen - al dan niet lid van de partij - wordt uitgenodigd om mee te werken aan een concretisering van al dat materiaal. Ik hoop trouwens ook in jou een enthousiaste partner te vinden.

Socialistische verontwaardiging

Je vindt dat in mijn boekje de omschrijving van het socialisme draait rond verontwaardiging. Je hebt gelijk, maar verontwaardiging komt niet in de plaats van analyse. Integendeel! Ik geef toe dat ik dit onderdeel wat zwakker uitgebouwd heb, maar ik constateer dat een economisch systeem dat gebaseerd is op winstmaximalisatie onvermijdelijk leidt tot sociale problemen, tot aantasting van het milieu, tot ongelijkheid, vervreemding enzovoort. Het systeem moet serieus bijgesteld worden. Het is echter zo sterk dat sommigen wanhopen. Ze zien het niet meer zitten. Ik deel die wanhoop niet, maar blijf een socialistische partij zinvol vinden, want ik blijf verschrikkelijk verontwaardigd over de bestaande ongelijkheid. Ik kan mij daar niet bij neerleggen. Wat is verkeerd aan die redenering? Ik wil met jou geen dispuut beginnen over Karl Marx. Je kent zijn werk ongetwijfeld beter dan ik, maar ik ben toch wel zeker dat ook hij finaal gedreven was door verontwaardiging om wat hij rond zich heen zag. Hij heeft ons een indrukwekkende analyse nagelaten, maar die heeft hem niet belet gedreven te worden door humanitaire drijfveren.

Je zult misschien verbaasd zijn om mijn verwijzing naar Marx. Je kunt het al nauwelijks hebben dat ik mij op Hendrik De Man beroep, ook al kun je moeilijk ontkennen dat hij tot de reformisten gerekend moet worden. Ook van zijn werk ben ik geen specialist en misschien heb ik hem geciteerd zonder helemaal de context te respecteren. Maar je overdrijft als je alleen wilt bepalen hoever ‘gecontextualiseerd’ zou mogen worden. Ik heb helemaal geen zin in exegese. Ik kan aannemen dat voor De Man emoties ingekapseld worden in een ‘theoretisch model dat klasse als concept hanteert en dat de materialistische definitie van klassen binnen een kapitalistisch systeem aanvaardt en aanvult met superstructurele elementen.’ Ik kan dit aanvaarden, al vind ik in zijn Psychologie van het socialisme onvoorstelbaar veel emotie. Je moet er het laatste hoofdstuk maar eens bijnemen, dat ‘credo’ noemt! En afgezien daarvan: ik ben het ermee eens dat het niet alleen om emotie gaat, maar ook om (economische) analyse en politieke actie. Mocht dit te weinig in het boekje aan bod komen, dan wil ik dat nu duidelijk stellen. Ik verberg tegelijk niet dat voor mij de klassenanalyse vandaag toch weer wat ingewikkelder geworden is dan vroeger. Als ik de indruk zou gewekt hebben dat de grote breuklijn binnen de socialistische beweging zou gaan om de emotionele invulling van socialisme en een pleidooi voor staat en zuilen, dan is dit een misverstand. Het Sienjaal, het congres van 1998 en ook Samenleving en politiek zijn niet aan mij voorbijgegaan. De analyse en de emotionele motivatie zijn essentieel. De idee dat de staat en de zuilen niet alleenzaligmakend kunnen zijn staat voor mij op een tweede orde.

Ik moet dan ook je hele verhaal over doel en middel rechtzetten. Mijn doelstelling volgt wel degelijk uit een analyse, maar vindt tegelijk zijn motivatie in een diepe verontwaardiging. Die analyse bouwt verder op inzichten die honderd jaar geleden tot stand kwamen. Omdat de realiteit ondertussen anders - ingewikkelder - geworden is, moet de analyse ook aangepast worden. Ik beweer niet dat het ‘theoretische complex dat een analyse van het kapitalisme onderbouwde failliet is’. Fundamenteel blijft het een probleem van ongelijkheid. De verontwaardiging omwille van die ongelijkheid blijft daarom een heel belangrijke motivatie. Om je doelstelling te bereiken heb je middelen nodig. De socialistische beweging greep in het verleden nogal makkelijk naar dat ene middel: de overheid. Ik weet dat ik nu een beetje venijnig ga doen, maar Karl Marx verdedigde helemaal geen antistrategie. Hij was ervan overtuigd dat het kapitalisme gewoon zo consequent mogelijk moest ontwikkeld worden. Het zou op een bepaald moment wel vanzelf in elkaar zakken en uit zijn as zou het nieuwe systeem oprijzen. Het zou immers alleen maar de instrumenten die door het kapitalisme ontwikkeld werden moeten overnemen. Weer een staaltje van oneindig hercontextualiseren zeker? Misschien, maar voor mij volstaat het niet om nieuwe eigendomsverhoudingen in te stellen. Ik heb absoluut geen heimwee naar de roep om nationalisatie van de banken en de energiesectoren. Als het zogenaamde reëel bestaande socialisme iets bewezen heeft, is het wel dat het niet veel verschil uitmaakt als men alleen maar de eigendom veranderd heeft. Maar misschien bedoel je nog iets anders. Ik hoop dat je me dat ooit duidelijk kunt maken. Ik ben er ondertussen van overtuigd dat er vandaag andere middelen nodig zijn. Wie het anders zegt maakt van de overheid een doel in plaats van een middel. Die omkering van doel en middel komt trouwens vaker voor. Ook organisaties maken na verloop van tijd van zichzelf makkelijk een doel. Het is een sociologisch gegeven, zoniet een wetmatigheid. Ik wil die trend tegengaan. Verder kom ik daar nog op terug.

Fundamentele kritiek

Laat mijn analyse geen fundamentele kritiek op onze samenleving toe? Ik blijf vinden van wel. Het is niet omdat ik kies voor wat jij een coöperatiestrategie noemt, dat ik niet kan inzien waar het schoentje knelt. Ik aanvaard niet zomaar de premissen van het kapitalistisch systeem. Als die premisse die van de totale vrijhandel is, dan verwerp ik haar. Ik ga wel niet zover te denken dat de vrije markt als zodanig de premisse zou zijn. Vind jij dat misschien? Tot vandaag is er in elk geval geen systeem mogelijk gebleken dat op een bevredigende manier de markt kon vervangen. Als we er al zouden in slagen de totale vrijhandel op wereldniveau te onderwerpen aan regels, zouden we een economisch systeem hebben dat volgens andere principes functioneert dan het huidige. Dat is de reden waarom mijn partij ondubbelzinnig de beweging voor een andere globalisering steunt. En hier zie je ook precies waar de wegen van de socialisten en liberalen uit elkaar gaan. Ik herinner aan mijn publieke kritiek op de open brief van de eerste minister over de antiglobaliseringsbeweging. Jij stelt daar fundamentelere kritiek tegenover en dat is je goed recht. Alleen moet je me maar eens duidelijk maken waar jij dan dieper zou graven dan ikzelf. Je schrijft wel dat vergeten wordt ‘dat alles wat bereikt is, bereikt is vanuit een oppositionele theorie die de fundamenten van het systeem aanviel op coherente, methodische en uiterst accurate wijze.’ Ik ben van mening dat wat vandaag de welvaartsstaat heet, bereikt werd door een beweging die een coöperatiestrategie gevolgd heeft. Zij heeft de vruchten van het economisch systeem verdeeld en gezorgd voor een krachtig systeem van sociale zekerheid. En ze heeft dat bereikt door afspraken te maken met een tegenspeler die ook de voordelen van de welvaartsstaat inzag.

Hoe dan ook, ik zou in een luxepositie zitten. Ik ben verontwaardigd omdat ik mij die verontwaardiging kan veroorloven. Het is de verontwaardiging van de middenklasse die het zelf goed heeft. Misschien wel Jan, maar zitten we in het Westen bijna niet allemaal met dat probleem? Een vooraanstaand links professor zei onlangs publiekelijk: de beweging voor een andere globalisering is in het Westen gewoon een tijdverdrijf, in de Derde Wereld is ze bittere noodzaak. Toch durf ik denken dat mijn visie op gelijke kansen verder reikt dan de negentiende eeuwse paternalistische liefdadigheid. Wie een beleid kan realiseren dat uitgaat van de principes van gelijke kansen verbetert de positie van de minder begoeden op een structurele manier. Vraag maar eens aan diegenen die van een zorgverzekering kunnen genieten wat ze ervan denken. Vraag maar eens aan de zieken wat ze van het beleid van een socialistisch minister denken. Ik verwijs alleen maar naar de maximumfactuur, die daadwerkelijk kan verhinderen dat iemand met hoge medische kosten in armoede verzeilt.

Internationalisme

Je begint je paragraaf over internationalisme met een zware uitval. Je vindt bij mij alweer enorme simplificaties en uitspraken die weinig hout snijden. Ik begrijp echt niet waarom je zo hard van stapel loopt. Je laat je zelfs verblinden, als je bij mij een twijfel vindt over de maakbaarheid van de wereld. Ik schreef het hierboven al: ik twijfel daar helemaal niet aan! Ik stel alleen vast dat de omvang van de internationale problemen zo groot is dat mensen wel eens de moed verliezen. Maar ik voeg er precies aan toe dat het de opdracht van de socialisten is om die twijfel om te keren. Ik pleit zelfs voor heel concrete en dus controleerbare doelstellingen, zoals basisonderwijs voor alle kinderen tegen 2015.

Verklaar ik de armoede vanuit onvoldoende of onvolmaakt kapitalisme, terwijl zij een gevolg is van teveel kapitalisme? Ik ga je niet opnieuw met Marx om de oren slaan, maar ik wil toch wel aandringen niet op de woorden te spelen. Ik vind dat het probleem van de globalisering erop neerkomt dat er internationaal te weinig regels zijn. Ik wil dus het internationale kapitalisme beperken! Misschien zit er enige dubbelzinnigheid in mijn uitspraak dat ontwikkelingslanden beter geïntegreerd moeten worden in de wereldmarkt. Ik bedoel ermee dat een aantal wantoestanden gestopt moeten worden: het niet of nauwelijks betalen van grondstoffen en arbeidskrachten, het verstikken met schulden enzovoort. Enkel wanneer dat gebeurt, zullen die ontwikkelingslanden in staat zijn een eigen economie te ontwikkelen, die zal zorgen voor hun eigen welvaart en niet meer op de eerste plaats voor de welvaart van het Westen. Ik geef toe dat ik in die context niet aangenaam vind ervan beschuldigd te worden dat ik in praktijk zou pleiten voor een verslechtering van de situatie van de Derde Wereld. Je overtuigt me er helemaal niet van dat ethische acties ondertussen zinloos zijn. De actie van 11-11-11 tegen de onrechtvaardige arbeidsomstandigheden bij de productie van Nike-schoenen heeft op zijn minst gezorgd voor een bredere sensibilisering voor de problematiek. Ik denk ook dat de omstandigheden er een stuk beter door geworden zijn. Daarmee is niet gezegd dat consumentenacties de wereld zullen veranderen. Dergelijke acties zijn maar een van de instrumenten. Een ander uiterst belangrijk instrument zijn sterke vakbonden in de ontwikkelingslanden, waarvoor vakbondsvrijheid natuurlijk een noodzakelijke voorwaarde is.

Socialistisch onderwijs

Je wekt de indruk dat het mij uitsluitend gaat om economische efficiëntie in het onderwijs. Ik wil volgens jou alleen maar ‘een groot aantal afgewerkte producten leveren in de vorm van kant-en-klare, performante en laagbetaalde arbeidskrachten.’ Je kunt in mijn boekje gewoon niet tonen waar dat staat. Ik deel integendeel jouw doelstelling van ‘betere kansen op maximale deelname aan het onderwijs en hogere slaagkansen voor mensen met verschillende bekwaamheden.’ En ik wil natuurlijk graag dat de afgestudeerden werk vinden, wat makkelijker gaat als ze vaardigheden ontwikkeld hebben die het bedrijfsleven nodig heeft. Maar dat wil nog niet zeggen dat het bedrijfsleven het onderwijs mag dicteren. Het onderwijs moet op de eerste plaats mensen afleveren die op een goede manier in de samenleving kunnen functioneren. Men heeft het wel eens over weerbare mensen. Werken is daar maar een aspect van. En voor alle duidelijkheid: voor mij gaat het niet alleen om hooggeschoolden.
Ik heb voor het onderwijs op twee vlakken suggesties gedaan: voor de concentratiescholen en voor pedagogische hervormingen. Ik blijf achter die opvattingen staan, maar geef toe dat op dit vlak nog denkwerk moet gebeuren. Ik vind inderdaad dat concentratiescholen gemengder moeten worden en dat gemengde scholen gesteund moeten worden. Of ik zeker ben dat dit zal helpen? Natuurlijk niet, maar ik wil vooral geen alibi om niets te doen. Zijn mijn voorstellen tot pedagogische hervormingen niet revolutionair? Misschien niet, maar je bent in elk geval verkeerd wanneer je schrijft dat ik van mening zou zijn dat er in het basisonderwijs niets zou moeten veranderen. Je moet naar bladzijde 29 kijken, waar letterlijk staat: ‘De ongelijkheid begint in het basisonderwijs’. En als die voorstellen niet alles zullen oplossen, ze zouden al een verbetering zijn.

Onderwijs is een thema dat de socialisten misschien wat verwaarloosd hebben. Zelf ben ik sterk onder de indruk gekomen van het onderzoek van Koen Pelleriaux: 45 jaar democratisering van het onderwijs heeft niet veel resultaat opgeleverd. De school is noch min noch meer een selectiemachine geworden. Op het moment dat iemand er in stapt kan min of meer met zekerheid voorspeld worden waar en hoe hij eruit komt. Wie beroepsonderwijs volgt maakt een goede kans om in een wantrouwend mensbeeld terecht te komen, aangestoken als het ware door de hele cultuur waarin hij of zij terecht komt. We moeten er werk van maken, Jan.

Arbeid in functie van het kapitaal

In de paragrafen over de tweeverdieners en de ouderen probeer je andermaal aan te tonen hoe ik gevangen ben van de economie. Ik ga er niet uitgebreid op in, omdat je een redenering volgt waar ik mij al tegen verweerd heb. Je schuift me in de schoenen dat ik arbeid enkel zou waarderen in zoverre hij dienstig is voor de economie. Ik ontken dat gewoon. Arbeid is voor mij essentieel om zin te kunnen geven aan het leven, maar ook voor het sociale leven. Het gaat daarbij niet alleen om wat het bedrijfsleven van doen heeft, maar ook om wat de samenleving nodig heeft. Jij pleit zelf ook voor een bredere visie, waarbij werken niet louter gezien wordt in functie van een inkomen. Het is volgens jou echter verkeerd dat gezinnen gedwongen worden met twee te werken, omdat ze anders niet rondkomen. Een gezinslid dat zich maatschappelijk inzet moet daarvoor op een of andere manier vergoed worden, zij het op een fiscale manier.

Ik vind het wel eigenaardig dat je zo hard pleit voor maatschappelijke inzet die vergoed wordt via een fiscale aftrek. Ik dacht dat arbeid aan vrouwen - ook vrouwen die als fabrieksarbeidster aan de lopende band staan - een onafhankelijkheid garandeert die voor de emancipatie onmisbaar is. Dat mag niet beletten om de aansluiting tussen arbeid en gezin te verbeteren. En iets anders is dat sommige diensten in de toekomst misschien volwaardig betaald zouden moeten kunnen worden. Maar hoe ontroerend je verhaal over je eigen vrouw ook is, ik vind het niet zo goed dat zij voor haar bestaan van de relatie met haar man afhangt. Volwaardige arbeid moet gewoon volwaardig betaald worden. De samenleving, met het bedrijfsleven op kop, is de laatste jaren trouwens veel te ver gegaan in het schrappen van banen die weliswaar weinig opbrengen in een economische zin, maar maatschappelijk heel nuttig zijn. Stilaan komen we daarop terug.

Je trekt bijzonder hard van leer tegen mijn pleidooi om ouderen ook na hun pensionering te laten werken. Je hebt het zelfs over de meest ongelooflijke passage uit het boek. Hier ontpop ik mij als een echte liberaal. Volgens jou wil iemand dan enkel nog werken als zijn pensioen niet hoog genoeg is om mee rond te komen. Wel, ik pleit er in elk geval voor dat de wettelijke pensioenen hoog genoeg zijn om fatsoenlijk van te leven. Ik beschouw dat noch min noch meer als een basisrecht. Waarom zou iemand die zich nog perfect voelt - louter op vrijwillige basis en volgens de mogelijkheden die hij nog heeft - niet meer mogen werken? Mijn eigen vader heeft als zelfstandig beenhouwer heel zijn leven ontzettend hard gewerkt. Toen hij op pensioen ging werd hij gewoon depressief van het niets doen. En hij had absoluut geen financiële zorgen! Is pensioen dan geen recht, dat iemand in de loop van zijn carrière heeft opgebouwd? Natuurlijk zijn er verschillende mogelijkheden om zich als gepensioneerde sociaal nuttig te maken. Zijn ervaring ten dienste stellen van de arbeidsmarkt is daar een van. En ik weet wel dat de neiging om verder te werken groter zal zijn naarmate het werk dat men kan doen interessanter is. Maar ik ben er zeker van dat ook veel bejaarden nog wel een aantal uurtjes zouden willen presteren, ook al is dat werk heel gewoon. Weet je dan niet, Jan, dat heel veel oudere mensen te kampen hebben met vereenzaming? Het sociaal contact op de werkvloer kan daar iets aan doen. Het moet niet, het kan voor sommigen ook op andere manieren. Maar, ik herhaal het, dat kan enkel als het wettelijk pensioen voldoende hoog is om er niet echt een verplichting van te maken.

Meer natuur voor meer mensen

Je geeft toe dat de roodgroene invulling op het toekomstcongres belangrijk was, maar wat in mijn boekje staat kan je dan toch niet echt bekoren. Ik zou teveel willen overtuigen, terwijl de overheid gewoon dwingende maatregelen moet uitvaardigen. Indien dat niet gebeurt, kunnen de minder begoeden niet volgen. Zij zijn om budgettaire redenen verplicht om minder mileuvriendelijk te kopen. Zij kunnen zich bijvoorbeeld niet veroorloven om iets duurdere luiers te kopen. Zij kunnen zich ook niet altijd veroorloven om te besparen op elektriciteit. En ondertussen blijven de bedrijven buiten schot.

Maar Jan toch! Natuurlijk zou een simpele maatregel, waar voldoende sancties op staan bij niet naleving, vlugger en efficiënter werken. Probleem is dat je in een samenleving als de onze zo’n maatregel niet kunt uitvaardigen. We leven nu eenmaal in een parlementaire democratie, waar meerderheden moeten gevonden worden. Moet er dan maar niets gebeuren? Moeten ook de iets beter begoeden milieuonvriendelijk blijven kopen? Is het niet beter te beginnen? Als steeds meer mensen milieuvriendelijke producten kopen zullen de prijzen op termijn zakken. Ondertussen heb je nog het voordeel dat het milieubewustzijn geleidelijk aan gestimuleerd wordt. Het is in elk geval te simpel om te stellen dat de bedrijven helemaal buiten schot blijven. Bedrijven zijn ervan te overtuigen dat milieuvriendelijk ondernemen voordelen kan opleveren, hen zelfs in bepaalde opzichten concurrentiëler kan maken. Maar het is nogal evident dat tegelijk wettelijke beperkingen en dito sancties nodig blijven. En de maatregel van een gratis levering van 500 KWh elektriciteit is een goed idee! Alle gezinnen genieten ervan, maar voor de gezinnen met de laagste inkomens is het voordeel het belangrijkst. Het is dus op de eerste plaats een herverdelende maatregel. Daarnaast zit er ook een duidelijke stimulans in om zuiniger met elektriciteit om te springen. Akkoord dat die zich vooral richt naar de betere verdieners, maar zij gebruiken toch juist het meeste elektriciteit?

Mijn zetten

Aan sociale veiligheid zal ik geen aparte paragraaf wijden. Je hebt op wat in het boekje staat niet veel aan te merken. Alleen zouden het allemaal slogans zijn. Dat is wel heel gemakkelijk, maar dan kan ik er ook niet op repliceren. In het laatste hoofdstuk van mijn boekje verdedig ik enerzijds dat de socialistische partij beter geen exclusieve banden meer onderhoudt met zuilen of een vrijzinnige groep. Anderzijds verdedig ik de stelling dat in bepaalde omstandigheden geprivatiseerde diensten tot meer gelijke kansen kunnen leiden dan een slecht overheidsmonopolie. Op beide stellingen heb je iets aan te merken.

Bij de laatste stelling schrijf je dat ik appelen met citroenen vergelijk. Ik vergelijk een ideaal privé-systeem met een slecht overheidssysteem. Je hebt gelijk dat dit niet correct is. En je hebt ook gelijk als je er aan toevoegt dat er tegelijk slechte privé-systemen en goede overheidssystemen zijn. Mijn tekst is op die plaats te ongenuanceerd. De teneur is echter dat het secundair is of een dienst door een overheid ingericht wordt of niet en daar sta ik achter. Ik verwijs naar wat ik hoger schreef over doel en middel. Het komt aan op goede publieke dienstverlening. Als de overheid dat goed doet, dan hoeft dat niet geprivatiseerd te worden. Maar waar de overheid er niet in slaagt, hoeft men niet te aarzelen om dat wel te doen. Voorwaarde is wel dat de publieke dienstverlening voldoende ruim blijft. Het is verkeerd om enkel te privatiseren wat voor de privé financieel aantrekkelijk is.

De partij en de vakbond zijn niet meer zo sterk in een zuil ingebed. De partij wordt duidelijk aangetrokken door de idee van een koepelpartij, waarbij de hele linkerzijde aan eenzelfde zeel trekt. Ik wil me inderdaad niet in die ene zuil laten opsluiten. Als ik bijvoorbeeld naar het onderwijs kijk, dan wil ik mij niet beperken tot het verdedigen van het gemeenschapsonderwijs. Het gaat mij niet om de netten, om de structuren. Het gaat mij om de kinderen. Aan de andere kant wil ik hier geenszins het proces van de vakbonden maken, maar ik ondervind niet dat zij altijd een progressieve kaart trekken. Je probeert me vast te pinnen op een uitspraak in het boekje over het korte termijn denken van de bonden. Je moet echter weten dat die passage teruggaat op een interview met een belangrijk vakbondsman. Hij maakte het voor heel Vlaanderen duidelijk dat de vakbond wat hem betreft wel iets anders te doen heeft dan na te denken over de lange termijn. Ik ervaar dat de samenwerking met de bonden het best verloopt op concrete dossiers. Maar ik wil hier wel uitdrukkelijk aan toevoegen dat ik niet zal aarzelen mij ook in te schrijven indien zij op een bepaald moment ook een groter verhaal aanbieden. Het kan voor mij niet anders dan dat de vakbonden een eersterangsrol moeten spelen in de strijd voor een andere globalisering.

Gelijke kansen

In jouw slotparagraaf noem je het mijn verdienste om over de samenleving te spreken in termen van gelijke kansen en ongelijkheid. Ik blijf volgens jou wel te veel in retoriek steken. Ik moet mijn verhaal onderbouwen, realistisch maken en doen aansluiten bij socialistische principes. Ik besef in elk geval maar al te goed dat mijn verhaal niet af is. Het wordt de eerstkomende tijd effectief verder uitgebouwd. We zullen proberen dat zo realistisch mogelijk te maken. Maar realistisch wil voor mij ook zeggen ‘realiseerbaar’. Het moet natuurlijk ook aansluiten bij socialistische principes, maar op dat punt is er tussen ons beide nog een groot verschil. Het heeft ten andere voor een stuk te maken met realiseerbaarheid.

Mijn mensbeeld zou moeten aangepast worden. Het ziet de mens teveel als arbeidskracht. Ik moet het vervangen door een centraal humanisme, met een boodschap over emancipatie en ontvoogding. Er bestaat nog iets naast de arbeid. Dat klinkt mooi, Jan. Ik heb ten andere geen enkel probleem met zo’n benadering. Ik begrijp alleen niet dat jij dat humanisme bij mij niet ontmoet hebt. Dat arbeid toch zo’n belangrijke - geen exclusieve - plaats inneemt zou jij mij niet kwalijk mogen nemen. Dit gaat inderdaad terug op een aloude socialistische traditie.

Ik hoop oprecht, beste Jan, dat mijn antwoord een en ander opgehelderd heeft. Ik heb er in elk geval mijn uiterste best voor gedaan om eventuele dubbelzinnigheden te verduidelijken. Ik heb mijn uitgangspunten zo klaar mogelijk gesteld. Misschien zijn we nu gereed om echt aan een gedachtewisseling te beginnen. Ik heb je trouwens ook een paar vragen gesteld!

Het ga je goed,

Patrick

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 9 (november), pagina 4 tot 11