Abonneer Log in

De miskenning van een globaliseringsconflict

Internationale inmenging in Ivoorkust

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 10 (december), pagina 48 tot 52

De trojka van de inmenging

In juli van dit jaar werd op basis van de genocidewet in België een klacht ingediend tegen Laurent Gbagbo, President van Ivoorkust en tegen drie ministers van hetzelfde land voor misdaden tegen de menselijkheid. De indieners van de klacht lieten zich bijstaan door de Belgische vzw Prévention Génocides die gelijktijdig een zelfgemaakte videofilm releaste met de niet mis te verstane titel: Côte d’Ivoire: poudrière identitaire. In Ivoorkust, aldus de film, waren sinds enige tijd etnische zuiveringen in voorbereiding die Rwandese proporties konden aannemen. De gerechtelijke klacht en de documentaire film moesten vooral de internationale alarmbel luiden. Tegelijk werd aan ‘Europa’ gevraagd om het uitroeiende tij te keren door streng vast te houden aan de afgekondigde financiële strafmaatregelen tegen het ‘racistische’ regime in Ivoorkust.1 Plots stond Ivoorkust dus oog in oog met België van waaruit drie types van internationale inmenging werden georganiseerd, zoniet georchestreerd: economische inmenging vanwege de Europese Commissie, juridische inmenging van het Brusselse gerecht en ‘mediatieke inmenging’ vanwege de Belgische mensenrechten-ngo Prévention Génocides.
De reacties in Ivoriaanse regeringskringen stonden bol van verontwaardiging over de pretenties van dat kleine land België. Waar haalde het recht van spreken? vroeg de regeringsgezinde pers zich af - en ging speuren in ons verre en nabije verleden. Vooreerst bracht men de koloniale geschiedenis in herinnering. België was direct verantwoordelijk voor de etnische tegenstellingen in Rwanda, die in 1994 leidden tot de enige onbetwistbare genocide die Afrika ooit kende. Ten tweede stelde men vast dat het onderbemande en ondergefinancierde Belgische gerecht reeds met de Dutroux-affaire alle vertrouwen van zijn eigen bevolking had verloren. Dát België zou nu oordelen over de Ivoriaanse leiders, maar ook over hun volk, aangezien de Belgische juridische en mediatieke hetze, de broodnodige Europese financiële steun kon blijven blokkeren.2 Vanuit België gezien zijn dergelijke reacties - te meten aan de persaandacht die eraan wordt besteed - volslagen onbelangrijk; maar dat is geen leidraad. Belangrijker is dat niets erop lijkt te wijzen dat door Afrikaanse reacties als deze de internationale interventies op de drie genoemde fronten zullen verzwakken, integendeel. Elk op zich lijken de drie soorten van inmenging trouwens steeds meer onontkoombaar.
Op het juridische vlak zullen België, Europa en de UNO hun zoektocht naar global justice verderzetten. Waarschijnlijk komt er een aanpassing van de Belgische genocidewet, maar zoals Luc Huyse het onlangs nog inschatte, is de algemene trend deze van een proliferatie van de wetgeving en van de installatie van rechtbanken voor de internationale vervolging van erge misdaden.3 Wat economische interventie betreft is de koppeling van financiële hulp aan voorwaarden van democratisering en respect voor de mensenrechten een feit waaraan met steeds meer moeite kan getornd worden. Aan deze twee hefbomen voor internationale inmenging voegen mensenrechten-ngo’s een derde toe: deze van de informatieverspreiding en sensibilisering. Iedereen lijkt het erover eens dat de mondiaal opererende commerciële media flink tekortschieten in hun berichtgeving over meer perifere gebieden zoals Afrika. Allerhande initiatieven (cf. Africa Action, Infosud en Inter Press Service) proberen daaraan te verhelpen, door precies de mediastroom van zuid naar noord te vergroten en te verbreden. Daarin passen de Afrika-rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch. Net als de website van Prévention Génocides en de film Côte d’Ivoire: pourdrière identitaire bieden ze feiten en duiding die bovendien moeten aanzetten tot politieke, juridische en maatschappelijke actie.
Niet alleen zijn elk van de drie vormen van inmenging een mooie toekomst beschoren, bovendien lijken ze enigszins de handen in elkaar te slaan. In haar rapport over Ivoorkust, roept Human Rights Watch de hulp in van Frankrijk, de EU, de Wereldbank en het IMF voor het uitoefenen van politieke en financiële druk op het regime in Abidjan. In een interview pleit de voorman van Prévention Génocides, Benoît Scheuer (van ECOLO-signatuur), voor een aanpak van de problemen in Ivoorkust door middel van een ‘Marshallplan voor Afrika’, zoals ooit voorgesteld door PRL-minister Louis Michel. Deze convergenties wijzen op een brede, gouvernementele en niet-gouvernementele consensus over de basiscondities waaraan een natie-staat moet voldoen wil het gespaard blijven van juridische, politiek-economische en mediatieke represailles. De tijd lijkt niet veraf dat de Wereldbank een mensenrechtenstudie bestelt bij Amnesty International vooraleer een project te financieren. Maar wat gaat daar in staan?

Begrenzing van het nationalisme

Een kritische stap in het proces van internationale interventie is de beschrijving van de toestand van het land in kwestie en de analyse van de problemen en conflicten. In het geval Ivoorkust bestaat het publieke dossier uit drie speciale documenten: een Human Rights Watch-rapport getiteld Het nieuw racisme, het UNO-onderzoeksrapport over het geweld tijdens de verkiezingen in Ivoorkust van oktober tot december 2000, en de film Côte d’Ivoire: poudrière identitaire van Prévention Génocides.4 In tegenstelling tot de twee andere documenten die gebeurtenissen objectief willen rapporteren, neemt de film van Benoît Scheuer een stuk meer wetenschappelijk hooi op z’n vork. Scheuer beweert een meer-stappenplan te hebben blootgelegd in de organisatie van om het even welke genocide. Deze, wat hij noemt invariants van de genocidaire dynamieken, illustreert hij aan de hand van de recente geschiedenis van Ivoorkust. De wetenschappelijkheid van de analyse wordt bovendien visueel beklemtoond: Scheuer brengt zichzelf als socioloog in beeld en gebruikt didactische middelen zoals diagrammen en tussentitels die de verschillende stadia in de opmars van de (te verwachten) genocide benoemen. Echter, hoe Scheuer ook de wetenschappelijkheid van zijn video-rapport beklemtoont, het verschilt in weinig van wat de andere rapporten te lezen geven. Meer bepaald, het verhaal in deze rapporten vertoont twee opmerkelijke eigenschappen: ten eerste, benadert het de situatie als typisch Ivoriaans en, ten tweede, als heel recent.
Het UNO-rapport (§ 35) beweert dat de problematiek van etnische onverdraagzaamheid in Ivoorkust te begrijpen is als een uiting van nationalisme à l’ivoirienne. Deze typisch Ivoriaanse vorm van nationalisme heeft, aldus het rapport, economische, politieke en culturele aspecten. Dan volgt een opsomming van de problematieken die het Ivoriaans nationalisme moeten typeren: ‘de regulatie van migratiestromen, het voorbehouden van grondbezit aan autochtonen, en de participatie van vreemdelingen aan de verkiezingen.’ Het typisch Ivoriaanse van dit nationalisme ontgaat me totaal. De eenvoudige oefening waarbij ‘grondbezit’ wordt vervangen door b.v. ‘sociale zekerheid’ zou namelijk resulteren in een goede omschrijving van het ‘Belgisch’ of ‘Europees nationalisme’. De discussies over zogenaamde ‘economische vluchtelingen’, het aanslepende debat over migrantenstemrecht, en de consensus over de bescherming van het sociaal stelsel door de toegang ertoe te limiteren - het verschil tussen het beschikken over een levensminimum in België, en een stuk landbouwgrond in Ivoorkust, is een kwestie van nuance - zijn vaste thema’s in het discours over Fort Europa.
Wat het Ivoriaans nationalisme heel erg typisch lijkt te maken is de naam ervan: ivoirité. Maar schijn bedriegt. Het begrip werd halverwege de jaren 90 gelanceerd door President Bédié in samenwerking met een indrukwekkend aantal academici. Deze kwamen niet verder dan aan te geven dat er een onderscheid moest gemaakt worden tussen ‘wij’ en de anderen. Die verschillen konden, zoals het UNO-rapport aangeeft, op politieke, economische en culturele manier worden ingevuld. Naargelang het uitkwam betrof ivoirité zuiver de afkomst of nationaliteit van een persoon, ofwel zijn/haar economisch statuut als gast- of seizoenarbeider, ofwel zijn/haar verknochtheid aan ongespecificeerde waarden waarbij toch wel geïnsinueerd werd dat het Moslim zijn een min was. Een betere typering van het Vlaams of Europees nationalisme kan ik niet bedenken. Zowel in het gebruik van strategisch vage aanduidingen van het verschil tussen ‘wij’ en ‘zij’ als in de ad hoc invullingen ervan, is ivoirité een banaal ‘migrantendebat’.5 Of ten minste, de exotisering van het Ivoriaans nationalisme is bepaald misplaatst.

Miskende globalisering en globaliseringsdiscours

Een tweede opvallend kenmerk van de publieke dossiers over Ivoorkust, is de grootschalige veronachtzaming van de geschiedenis. Zowel het HRW-rapport over ‘nieuw racisme’ alsook de poudrière-film beginnen, bij wijze van spreken, met: ‘Ten tijde van President Houphouët-Boigny (1960-1993) was er geen etnisch vuiltje aan de lucht. Toen kwam zijn opvolger, de boze President Bédié...’. Voor een gewoon mensenrechtenrapport is het abstractie maken van het verleden misschien vergeeflijk, voor een wetenschappelijke analyse die Scheuer beweert te maken, is dat een nederlaag. De laatste twee jaar zijn er tientallen analyses gepubliceerd over het etno-nationalisme dat Ivoorkust treft.6 Geen enkel artikel begint bij Bédié. Ook deze die focussen op de huidige politieke of etnische verhoudingen halen hun inzichten uit de lange koloniale en postkoloniale geschiedenis van Ivoorkust. Ironisch genoeg wijzen een aantal studies op het feit dat in tegenstelling tot vele andere Afrikaanse landen waar het nationalisme een laatkoloniaal fenomeen is, men in Ivoorkust vanaf de jaren 1920-1930 reeds van een uit de kluiten gewassen nationalisme kan spreken inclusief drukkinggroepen van ‘autochtonen’ en gewelddadige uitdrijvingen van ‘vreemdelingen’. In deze lange geschiedenis is de Franse kolonisering de schepper van een Ivoriaanse ruimte met diepe etnische en religieuze tegenstellingen, is de alleenheerschappij van Houphouët-Boigny een uitwerking daarvan, en is het bestuur van Bédié (1993-99) slechts ‘een historisch parenthese’, zegt Dozon.7 De gemiste historische reconstructie van economische, politieke en culturele verscheurdheid binnen Ivoorkust, zou de kroniek vertellen van de globalisering van Afrika en de Afrikaanse Westkust (het gebied rond de Golf van Guinea waar Ivoorkust aan paalt). In dit verhaal van de mondialisering van ‘de derde wereld’ via slavenhandel, kolonisering, koude-oorlog-politiek, enz. bekleedt het Westen een onmiskenbaar belangrijke plaats. De meest recente episode uit dit globaliseringsproces is de opgelegde democratisering en liberalisering van Afrika sinds de vroege jaren 90. Ook hier maken een aantal auteurs zich sterk dat de etnicisering een effect is van het doorbreken van het staatsmonopolie in de politiek (= democratisering) en in de economie (= liberalisering). Dit leidt tot het ontstaan van politieke entrepreneurs die, op zoek naar legitimiteit en achterban, desgevallend de etnische kaart trekken.8
Niet alleen is er een pak wetenschappelijke literatuur die de globalisering van Ivoorkust illustreert, bovendien is het hele identiteitsvertoog (over en tegen ivoirité) doordrongen van thema’s, terminologie en anekdotiek over ‘Europa’, ‘het Noorden’ (in zijn vele betekenissen), de globalisering van de media, het verlies aan nationale autonomie, oprukkend kapitalisme, en zo meer. Dat discours ligt voor het rapen op de straten, op de marktplaats en in de veranda’s van Ivoorkust, maar ook in de kranten, de lokale publicaties en de politieke toespraken zowel in Abidjan als op het platteland. Ook dit verhaal krijgen we van Scheuer of van de andere rapporteurs over Ivoorkust niet te horen; dat is een dubbele nederlaag.Het begrenzen van de problematiek waarmee Ivoorkust te maken heeft, zowel politiek-geografisch (eigen, dolgedraaid nationalisme) als economisch-historisch (miskende globalisering en miskend populair globaliseringsdiscours) als voornaamste effect dat het Westen in het hele stuk niet voorkomt als direct geïmpliceerd in de etnische en religieuze tegenstellingen, in de armoede, de werkloosheid en de moeilijke democratisering en liberalisering van Ivoorkust. Europa staat hier blijkbaar netjes aan de kant en intervenieert als de situatie dreigt uit de hand te lopen.

Naar een kritiek van de inmenging

Alles wijst erop dat de inmengingstrojka op een succesvolle carrière afstevent. De arbeidsverdeling tussen juridische en politiek-economische instellingen enerzijds en niet-gouvernementele organisaties anderzijds is van die aard dat ngo’s een belangrijk deel van de berichtgeving en populaire bewustmaking voor hun rekening gaan nemen. Dat heeft Prévention Génocides perfect begrepen. Niet alleen stuurde het een onderzoeker-socioloog naar de plaats van het onheil, ze lieten hem tevens vergezellen van een cameraploeg. Wat alle rapporten doen is feiten verzamelen en duiding geven bij het schaarse spektakelnieuws dat ons uit Afrika bereikt. Wat ze duidelijk niet doen is de vele dimensies van een conflict onderzoeken. De Westerse implicatie in de zuiderse conflicten is één zo’n dimensie die, in het geval Ivoorkust, kortweg onvermeld bleef. Daarbij laat men zowel de wetenschappelijke literatuur als het grassroots identiteitsdiscours links liggen.
Gezien het belang dat ngo’s gaan spelen in informatieverstrekking en beleidsvorming, lijkt het mij aangewezen dat ze hun taak ernstig nemen en zich alleszins niet, zoals Scheuer, uitroepen tot wetenschapper en expert, ruim geïnformeerd of voorzien van diepe inzichten, zonder dat daar enige ernstige indicatie voor is. Het effect van de hele beeldvorming over Ivoorkust op basis van de kortzichtige en geval-specifieke rapporten en campagnes is dat we dreigen af te glijden in een ideologisch schema volgens hetwelk de ongelijke globalisering wordt miskend. De kritiek van de Ivoiriaanse pers tegen de ‘Belgische’ interventies, wees in die richting maar bleef steken in ad hominem verdachtmakingen. Wat België boven zijn mank rechtssysteem en beschamende koloniale erfenis doet uitstijgen is de Westerse juridische, politiek-economische en mediatieke hegemonie waarin het participeert. Dat is het rechtstreekse gevolg van de ongelijke globalisering waarvan Ivorianen zich bijzonder scherp bewust zijn.
De onvolledigheid van de rapporten die oproepen tot inmenging bestaat er fundamenteel in dat ze zelf geen kritiek formuleren van de inmenging. Dat zou impliceren dat ze moeten vaststellen dat de voorgestelde interventies slechts correcties zijn op de kwalijke gevolgen van economische en politieke inmengingen die zich zowel in het verleden als op dit moment voordoen. De kritiek van de inmenging is dus niet noodzakelijk de zoveelste evaluatie van de invulling van het begrip ‘mensenrechten’ of ‘democratie’ of de herneming van de discussie over de universaliteit van deze begrippen. Belangrijker is de beschouwing van de historische praktijk van de inmenging, de monitoring van de coördinatie van de verschillende soorten van interventie, en bovenal, de kritische analyse van de informatie, het dossier, op basis waarvan tot inmenging wordt overgegaan.

Noten
1. Alle analyses van Prévention Génocides zijn te vinden op http://www.prevention-genocides.org/fr/index.html.
2. Zie b.v. Paul Yao-N’Dré ‘La Belgique: un super-état dans la société internationale relationnelle ?’ in Notre Voie (10/09/2001).
3. Luc Huyse in De Standaard (01/12/2001).
4. HRW [http://www.hrw.org/french/reports/ivorycoast/]; UNO [http://www.un.org/french/hr/ivory.htm]. Er zijn ook de jaarlijkse mensenrechtenrapporten van Amnesty International [http://www.web.amnesty.org/web/ar2001.nsf/webafrcountries/] en van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de VS [http://www.humanrights-usa.net/reports/cotedivoire.html].
5. Zie Jan Blommaert & Jef Verschueren 1992 Het Belgisch Migrantendebat, hfdst 3.
6. Themanummers over Ivoorkust in Afrique Contemporaine (nr. 193, 2000) en Politique Africaine (nr. 78, 2000).
7. Jean-Pierre Dozon in Afrique Contemporaine (nr. 193, 2000, p46).
8. Zie themanummer over democratisering en etnicisme in Afrika in Autrepart (nr. 10, 1999).

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 10 (december), pagina 48 tot 52