Log in

Meedenken met Patrick Janssens

Maar tot een stuk 'Over de grenzen'

Deze bijdrage is een commentaar op het boek van Patrick Janssens, Over de Grenzen - Open brief aan de Vlamingen, met een zijdelingse blik op de ‘Open brief aan Patrick Janssens’ van Jan Blommaert in Samenleving en politiek (oktober 2001) en op de reactie van Patrick Janssens daarop: ‘Socialisme voor de middenklasse? Antwoord op de open brief van Jan Blommaert’, die eveneens in Samenleving en politiek verscheen.

Doel-middelverdraaiing

Dat Patrick Janssens zijn betoog start met een analyse van de heersende kapitalistische economie vind ik evident. Ik stem ook graag met zijn analyse in, hoe rudimentair ze ook uitgevallen is. Patrick Janssens klaagt ‘de ongebreidelde concurrentie’ aan ‘die voortkomt uit een economisch systeem dat winst­maximalisa­tie centraal stelt’ en ‘onvermijdelijk leidt tot sociale problemen, aantasting van het leefmilieu, schrijnende ongelijkheid, vervreemding op de werkplek en daarbuiten’ (blz. 9). Velen geloven dat onze analyse nog altijd steek houdt, voegt hij toe. Ik wil dat aanvaarden, maar ik zou hopen dat men de doel-middel­ver­draai­ing die erin aanwezig is, ernstig(er) neemt. Met doel-middelverdraaing bedoel ik het feit dat wat normaal middel zou moeten zijn - winst maken, accumulatie van kapitaal, ontplooiing van de productiemiddelen en daarin ingesloten de ontwikkeling van technologie en wetenschap, het opdrijven van de productiviteit, enzovoort - alle aandacht opeist, zodat wat natuurlijkerwijs doel is - de belangen van de samenleving maar zelfs van de individuen - op de achtergrond verzeild geraakt.1 Dat is een allesbehalve onschuldige perversie.2 Het is paradoxaal maar men verwacht heil van deze omkering van de natuurlijke verhoudingen. Dat betekent dat men erin gelooft en dat men er zijn hoop op stelt. Het is tegelijk het geloof in de markt, in de vrije concurrentie en in de vrije onderneming. Het is zijn hoop stellen op de ontwikkeling van de ‘productieve krachten’, die men vrij hun gang laat gaan en niet meent aan relevante, nuttige, maatschappelijke doelstellingen ondergeschikt te moeten houden.3 Ik heb er mijn twijfels over of Patrick Janssens deze toedracht voldoende doorziet. Maar dat betekent niet dat ik instem met Jan Blommaert. Het is vreemd dat Jan Blommaert het citaat hierboven over het hoofd ziet - wat Patrick Janssens (in zijn antwoord) trouwens terecht opmerkt. Jan Blommaert vindt in Over de grenzen in feite helemaal geen analyse. Hij ziet alleen een emotioneel uitgangspunt. De reden daarvan is duidelijk. Een analyse van het kapitalisme is voor hem een klassenanalyse (blz. 4).4 Maar dat is onvruchtbaar. Niet omdat er geen klassentegenstellingen meer zijn, maar omdat men daarmee niet kan werken. De idee van klassentegenstellingen insinueert dat men ze revolutionair zou moeten opheffen, elimineren. Dat is ondoenbaar, maar ook onwenselijk: een maatschappij zonder allerlei geledingen en tegenstellingen (met als extremen die van kapitaal en arbeiders) is volstrekt onvoorstelbaar. Dat is geen defaitisme. In de veronderstelling evenwel dat Jan Blommaert toch niet van dergelijke revolutie zou dromen, moet hij voorstellen aan die tegenstellingen te dokteren - maar dat komt neer op wat Patrick Janssens voorstelt: streven naar sociale gelijkheid en rechtvaardigheid.5 Het valt mij op hoe Jan Blommaert zelf weinig meer kan formuleren dan een emotioneel protest.

Mijn kritiek wijst erop dat het ‘centraal’ stellen van het principe van de ongebreidelde concurrentie, winstmaximalisatie en de vrije markt, de samenleving onophou­delijk in een richting duwt waarin de realisatie van ‘het goede leven’ en van sociale gelijkheid en recht­vaardigheid systematisch ondermijnd wordt. Ik tref in het essay van Patrick Janssens indicatie na indicatie aan van dergelijke tegen­werkende krachten. Ik meen evenwel dat hij ze onderschat. Niet dat ik niet kan instemmen met de voorstellen die hij formuleert, misschien zelfs wel met alle. Maar ze worden te zwakjes met het ‘ongebreidelde’ van de kapitalistische economie in verband gebracht. Ik vind ze meestal weinig radicaal en komen bij mij over als kurieren am Symptom, soms zelfs als dweilen met de kraan open. Ik moet dat natuurlijk aantonen.

Maar eerst de analyse nog wat verfijnen. Waarom ideologisch evolueren in de richting van de markteconomie?6 Het marktmechanisme heeft zekere verdiensten. Ik wil het niet afschaffen. Het is efficiënt - hoewel die efficiëntie wezenlijk op het maken van winst slaat. Tot op zekere hoogte, en onder zekere voorwaarden die niet zo duidelijk in overeenstemming zijn te brengen met het heersende aspect van dit vrije-marktgebeuren7, levert dit een aantal gunstige resultaten op. Het gaat hoofdzakelijk om de productie en verspreiding van ‘materiële goederen’, waaronder consumptiegoederen, en daaronder een hoop echt nuttige. Ik zeg ‘materiële goederen’, omdat het opvalt dat dit systeem een in dit opzicht ‘totale Mobilmachung’ is, uitlopend op een opeenstapeling van goederen. Groei van de economie betekent hoofdzakelijk (wild)groei van allerlei goederen - met talloze kwalijke ‘neveneffecten’ (sociale kosten, milieukosten en dergelijke). Maar gelukkig gebeuren ook een aantal interessante dingen. Het is ter wille van deze laatste dat velen in de vrije markt (blijven) geloven.

Toch heb ik de indruk dat Patrick Janssens zich niet bewust is van een aantal ingebouwde beperkingen. Ik selecteer er enkele die door bekende apologeten als Samuelson en Pen zelfs grif worden toegegeven. Men kan ze nalezen in hun handboeken. Een eerste gegeven: de productie richt zich naar de bestaande koopkracht (zeg maar naar de rijke lui) en bestendigt zo de ongelijkheid. Lang voordat eventueel interessante producten bij de mensen komen die ze het meest nodig hebben, heeft de economie zich reeds naar andere zaken gericht omdat ondertussen aan de koopkrach­tige vraag voldaan is. Een tweede gegeven: Jan Pen geeft8 toe dat de keynesiaanse regulering van de economie geen rekening weet te houden met welvaart en milieu. ‘De reden daarvan is, dat deze cijfers van betekenis zijn voor de activiteit in een land, voor de werkgelegenheid, en voor het samenspel van de macro-economi­sche variabelen in het algemeen. Speciaal de keynesiaanse theorie maakt gebruik van dit soort variabelen - dat is dan weliswaar haar zwakte als theorie van het menselijke geluk, maar zo is de keynesiaanse macro-economie ook nooit bedoeld geworden.’ Maar waarvoor dient ze dan? Pen merkt niet dat dit moet uitlopen op een perverse doel-middel­verdraaiing. Een derde gegeven: Samuelson beseft heel goed dat de legitimiteit van de vrije markt en de vrije onderneming staat of valt met de autonomie van de individuele consument. Vandaar dat hij die ook hardnekkig poogt aan te tonen. Maar ik denk niet dat Patrick Janssens (of welke sociaaldemocraat ook) zonder twijfel in het hart de idee van dit autonome individu zal willen erkennen. En trouwens, zoveel is duidelijk, het gaat hier om een tot consumeren (van wat dan ook) gereduceerd individu. Achter de idee van het vrij kiezende individu steekt de gedachte van een zich op zijn eentje ontplooiend wezen, losgesneden van de samen­leving. Maar als dat waar is, komt dat erop neer dat het productiesysteem in grote mate de zogezegde autonoom kiezende consument voorschrijft wat hij zich moet aanschaffen. En een vierde gegeven, dat niet in de klassieke handboeken te vinden is: de stuw­kracht van het kapitaal is van die aard dat het meer en meer alles tot koopwaar herleidt en dat het gehele leven, in de eerste plaats het arbeidsleven, maar ook het gezinsleven, het gemeenschapsleven, de opvoeding, en volgens sommigen zelfs het seksleven van de mens, erdoor aangevreten worden.

Ik hou eraan te vermelden dat Patrick Janssens dat alles natuurlijk ook wel zal weten. Niettemin is het vreemd dat dit niet of nauwelijks in zijn betoog tot uiting komt. Het gevolg is dan dat de voorstellen waar­mee hij voor de dag komt, zeker niet kunnen volstaan om de problemen de baas te kunnen. Daarom is het goed het volgende onderscheid te maken. Er is enerzijds het marktmechanisme als een der instrumenten om tot een regeling van het eco­no­mische leven te komen. Dat is op zich niet eens ‘kapitalisme’. Er is evenwel ook wat we zouden kunnen noemen het geloof erin, of om mij op een algemeen erkende autoriteit te steunen, Hobsbawm9, het theologisch geloof in de weldadigheid van een totaal onbegrensde vrije markt, de nieuwe (af)gods­dienst van de moderne tijd, zeg maar the invisible hand van Adam Smith. Dat is liberaal erfgoed, dat bij sommige (ik zou zeggen consequente) liberalen zo wordt geduid dat als binnen de kapitalistische economie wantoestanden voorkomen deze onveranderlijk te wijten zijn aan het dwaze ingrijpen van de overheid, anders gezegd, aan het feit dat de markt in zijn vrijheid belemmerd wordt, aan het feit dus dat er te weinig markt is. Moeten we daar intrappen?
Laat ons kijken naar de volgende min of meer lukrake opsomming. Er zijn een aantal problemen die met het milieu te maken hebben. Een aantal problemen hebben met gezondheid en levenskwaliteit te maken. Andere betreffen de werksituatie, verlies aan zin van de arbeid, stress en andere kwalen. Een aantal problemen beïnvloeden de levenshouding, misschien zijn ze samen te vatten onder de noemers individualisme, narcisme, consumentisme.10 Er is vervolgens de tegenstelling rijke Noorden, arme Zuiden, het racisme, de criminaliteit (ook witteboordencriminaliteit), het drugsgebruik, de georganiseerde misdaad. Wie ziet niet dat de meeste punten in een of ander opzicht verwijzen naar de werking van de kapitalistische economie? Sommige van de opgesomde problemen behoeven zelfs geen commentaar, zo duidelijk is het verband. Andere zijn op wat onzekerder wijze met de ‘vrije markt’ verbonden. Dat is zo voor stress, agressiviteit en criminaliteit.11 Racisme moet heel zeker aan gevoelens van onzekerheid (werkloosheid of dreiging van werkloosheid) en onveiligheid gekoppeld worden. De werkdruk is zo groot en allesoverheersend dat de familiale verhoudingen in de verdrukking dreigen te komen. Er is een duidelijk verband met de opvoeding van de kinderen die hierdoor het gevaar loopt de verkeerde kant uit te gaan. Patrick Janssens wijst hier zelf op, zij het ook weinig uitdrukkelijk, en ik vind alvast dat een van de interessante punten van de kritiek van Jan Blommaert hier te situeren valt. Er is een verband met de ongelukkige situatie van vele buurten. Er is tenslotte het meest vage verband, dit van de ‘kolonisatie van de leefwereld’ (Habermas) of het koopwaar worden van stukken van het menselijke leven die hiervoor helemaal niet ‘geschikt’ zijn. Ik wens in te gaan op de problemen van de ‘tweeverdienersgezinnen’ (Jan Blommaert).

Werktijdverkorting

Ik begrijp namelijk niet waarom, alleen al ter wille van de gezins- en omgevingsproblemen, noch Janssens noch Blommaert ijveren voor een drastische werktijdverkorting. Ze zou volgens mij beter dan wat ook de opvoeding van dienst zijn en de communicatie en leefbaarheid in de buurt verbeteren. Het voordeel is dat ze de vrouwen hun wens om ‘carrière’ te maken laat en de mannen het gemakkelijker maakt om huishoudelijke en opvoedingstaken op zich te nemen. Ik verdedig de werktijdverkorting niet met het argument dat de arbeid in ons systeem zinloos is.12 Dat is hij alleen soms. Maar vele arbeid is zowel zinvol in de betekenis van zin die op datgene slaat wat voor de samenleving geproduceerd of afgeleverd wordt, als in de betekenis van zin die betrekking heeft op de wijze waarop men dit resultaat moet voortbrengen (de arbeidssituatie zelf, de werkvoorwaarden, het ritme, de discipline, enz.). Het gaat ook niet op om alle arbeid zinloos te noemen omdat hij loonarbeid is (of om met Marx te spreken omdat hij vervreemdend is). Misschien denkt Blommaert in die richting. Het lijkt soms alsof hij arbeid binnen ons systeem zelfs niet voor verbetering vatbaar acht. Maar het valt mij op hoe ook Janssens grotendeels aan het arbeidsprobleem voorbijziet. En, ik zie ook niet in waarom zo iets als nachtarbeid (natuurlijk uitgenomen waar het niet anders kan, in de verpleging bijvoorbeeld), zowel voor mannen als voor vrouwen, buiten de discussie zou moeten blijven. Zullen we moeten ‘inleveren’? Maar het wordt tijd om ons eens stevig te bezinnen over wat ‘inleveren’ hier betekent, gelet op het feit dat er een stevige verbetering van de levenskwaliteit tegenover staat. Als de zaak niet haalbaar is via in werktijdverkorting omgezette loonsverhogingen (steunend op productiviteitsverhogingen), moet wellicht inlevering worden aanvaard, waarbij men dan wel de laagste lonen zoveel mogelijk moet ontzien. Ik meen dat werktijdverkorting een absolute must is. Ik herhaal, niet ter wille van de zinloosheid van de (loon)ar­beid, en trouwens, buiten het looncircuit liggen pakken zinvolle ‘arbeid’ te wachten, waarop Blommaert terecht wijst. Wel pleit Patrick Janssens (blz. 44) voor deeltijdse en flexibele arbeid (maar ik vermoed op vrijwillige basis). Dat gaat in de goede richting.

Ik wil dit kleine betoog ondersteunen door een passage uit het zonder meer actueel gebleven boek van Christopher Lasch over het gezin.13 ‘Het probleem van de vrouwenarbeid en van de gelijkheid’, zegt hij, ‘moet onderzocht worden vanuit een oogpunt dat radicaler is dan dit van de feministische beweging. Het moet worden gezien als een speciaal geval van de algemene regel dat werk de bovenhand krijgt op de familie. De belangrijkste aanklacht van de huidige organisatie van het werk is dat het de vrouwen verplicht om te kiezen tussen hun verlangen naar economische zelfstandigheid en de noden van hun kinderen. In plaats van het gezin te laken voor deze stand van zaken, moesten we de meedogenloze eisen van de arbeidsmarkt zelf brandmerken. In plaats van de vraag te stellen hoe de vrouwen van de familie bevrijd kunnen worden, moesten we de vraag stellen hoe het werk gereorganiseerd - gehumaniseerd - kan worden om het de vrouwen mogelijk te maken economisch met de mannen te concurreren [?] zonder hun gezinnen of zelfs de hoop op het stichten van een gezin op te offeren’.

Mag het wat radicaler?

Als men al deze gegevens bundelt, dan blijkt zich een radicalere aanpak op te dringen. Een aanpak die het geloof in het mechanisme van het kapitaal zelf in vraag stelt en die de productie, de productiemechanismen, insluitende wat en hoe geproduceerd moet worden en voor wie en waar, durft aanpakken. Het is alleen zo dat men op enig relevant resultaat kan hopen.
Dergelijk ingrijpen tast niet eens het vrij functioneren van de markt aan. En trouwens, het gebeurt dag in dag uit. Zo legt de overheid de snelheid van het vrachtvervoer op onze wegen aan banden (wat het maken van winst tegenwerkt). En op het niveau van de gezondheid en veiligheid worden allerlei producten en producties gewoon verboden (gebruik van asbest in de bouw bijvoorbeeld) - wat de kosten de hoogte in jaagt. Maar als dat zo is, waarom dan niet overal waar dat nodig blijkt, de passende (maar dat betekent meer ingrijpende) maatregelen voorstellen? Men zal zeggen, omdat de macht van het patronaat te groot is, maar evenzeer omdat er geen consensus over bestaat. En de reden die men zal aangeven, zal wel zijn dat men ‘welvaart’ zal moeten prijsgeven. Maar dat is pertinent onwaar, als men tenminste een degelijk begrip van welvaart hanteert. Motoren in auto’s inbouwen die zuinig zijn en geen hoge snelheden halen impliceert een toename van welzijn, zij het ook dat de burger die alleen maar zal opmerken als hij bereid is pro en contra tegen elkaar af te wegen. De bestrijding van de uitstoot van CO2 is een vooruitgang, zij het ook ‘slechts’ in de zin van het wegnemen van een grote bedreiging en onzekerheid. Wordt het niet hoog tijd dat de sociaaldemocratie een discussie op het getouw zet over wat ‘welvaart’, ‘vooruitgang’ en nog enkele andere sleutelbegrippen, echt betekenen?

Moet men zichzelf bewust moeilijkheden berokkenen?

Letten we ook op het volgende. Instemmen met het geloof in de vrije markt - zij het zelfs maar aarzelend - staat gelijk met het actief zichzelf in moeilijkheden verstrikken. Als in Groot-Brittannië ongeval na ongeval gebeurt met de geprivatiseerde spoorwegen, wijst men direct het winstbejag als een belangrijke oorzaak aan, vermits het kapitaal inderdaad niet prioritair geïnteresseerd is in de veiligheid van de spoorreizigers. Als Europa de concurrentie veralgemeent - ik denk aan de post - dan verplicht men deze laatste haast om geen rekening meer te houden met de belangen van een massa mensen, vooral kleine lieden. Men zal wellicht een aantal ‘onrendabele’ postkantoren moeten sluiten. En in het beste geval zal de overheid corrigeren door, zoals in de media al aangekondigd werd, eventueel de gemeen­ten te laten opdraaien.14 Goed, men zal erop wijzen dat in het algemeen de overheidsdiensten niet goed functioneren - waarbij men vergeet dat het hier in grote mate om een hetze gaat die door het liberale discours aangezwengeld is. Maar als het Scylla (privatisering, liberalisering) of Charybdis (overheidsdienst) lijkt te zijn, dan is vanuit sociaaldemocratisch standpunt de beslissing duidelijk, dan moet voor goed werkende overheidsinstellingen gestreden worden. Wat best mogelijk is! Men moet eventueel de zin, de functie, van de overheid herdefiniëren.15 Ik weet best dat de sociaaldemo­cratie niet zo maar in zijn eentje tegen het Europese concurrentiebeleid (en andere aspecten van de kapitalistische economie) kan opboksen. Maar de kritiek achterwege laten, dat is ontoelaatbaar.

Ik heb dus mijn aarzelingen als Patrick Janssens stelt (blz. 86) dat liberalisering en modernisering van de publieke sector kunnen, mits duidelijke afspraken, en dat ze tot een grotere gelijkheid van kansen kunnen leiden dan in een slecht functionerend overheidsmonopolie. We moeten dit dossier per dossier en met grote onbevangenheid bekijken, wat niet wil zeggen dat we van de weer­omstuit de liberalen achterna moeten hollen, zegt hij. Maar doet hij dat toch niet? ‘Voor ons kunnen liberalisering en privatisering een middel zijn op voorwaarde dat ze, zoals ik zei, meer mensen meer gelijke kansen bieden. Als sociaaldemocraten hebben we er alle belang bij zelf de publieke sector te moderniseren.’ De vraag is alleen hoe. Akkoord, dat de overheid niet alles zelf moet willen doen (blz. 87). ‘De rol van de overheid moet evolueren van die van een medespeler naar die van een regisseur’ (blz. 87). Eveneens akkoord, maar opnieuw, in welke mate, in welk opzicht, en mijn antwoord luidt: alleszins veel ingrijpender dan Patrick Janssens blijkbaar wil geweten hebben. Ik denk dat Patrick Janssens zou instemmen met de idee dat onze economie niet echt democratisch functioneert. Maar dat kan alleen betekenen dat de politiek - via de overheid - meer greep moet krijgen op de economie. Ze moet reguleren, regels opstellen, maar die moeten veel verder reiken dan wat Patrick Janssens bedoelt. En dat hier een en ander ontbreekt, blijkt uit het feit dat zijn essay nauwelijks voorstellen bevat om op het systeem in te grijpen. Ik toon dat aan nadat ik eerst een belangrijke opmerking ingelast heb.

Reformisme, heel zeker

Ik heb in mijn artikel over kernenergie16 uiteengezet dat ik deze inzichten reformistisch blijf noemen, zij het ook met een ‘revolutionaire’ strekking. Ik weet geen enkel heil te verbinden met welke idee van revolutie ook. Dat ‘revolutionaire’ is trouwens in zekere zin mijn enige punt van verschil met Patrick Janssens. ‘Het systeem moet serieus bijgesteld worden’, zegt Patrick Janssens in zijn antwoord aan Jan Blommaert. Mijn vraag is alleen hoe serieus serieus hier is. Dat er iets in het betoog van Patrick Janssens hapert, kan misschien ook geconcludeerd worden uit de bedenking dat als bepaalde problemen niet eens ter sprake worden gebracht (en dat is zo,meen ik), men ook niet kan geloven dat ze ooit op de politieke agenda geplaatst worden.

Het internationale perspectief

Ik laat het aan de lezer van Over de grenzen om te controleren of mijn twijfel terecht is dat de meeste thema’s die Patrick Janssens behandelt weinig of niet in verband gebracht worden met het heersende mechanisme dat ik beschreven heb. Ik wens evenwel toch op drie punten in te gaan, de relatie rijke Noorden en arme Zuiden, de milieuproblematiek en het verkeer. Vooreerst het internationale perspectief - een thema dat Patrick Janssens heel zeker de meest radicale invulling geeft. Ik beperk me dan ook tot een of twee voorstellen.
Het is de plicht, zegt Patrick Janssens (blz. 18), van elke sociaaldemocra­tische politicus om de kloof tussen rijk en arm te dichten. Voor de sociaaldemo­craat is de tegenstelling tussen rijke en arme landen een moreel probleem. Janssens is zelfs bereid (blz. 16) om ter wille van de ontwikkelingslanden in te gaan tegen zijn electoraat, dat weinig interesse voor de problematiek lijkt te kunnen opbrengen. Janssens spreekt van een ‘welvaartsegoïsme’, armoezaaiers uit het Zuiden zijn niet welkom en eerlijke handel is geen prioriteit (blz. 18). Een ander aspect van het probleem (blz. 19): ‘We gebruiken in het Westen veel te veel energie en grondstoffen en leggen op die manier een te hoge druk op het leefmilieu van de hele wereld.’ ‘Het systeem moet serieus bijgesteld worden’. ‘Ik aanvaard niet zomaar de premissen van het kapitalistisch systeem. Als die premisse die van de totale vrijhandel is, dan verwerp ik haar. Ik ga niet zover te denken dat de vrije markt als zodanig de premisse zou zijn. … Als we er al zouden in slagen de totale vrijhandel op wereldniveau te onderwerpen aan regels, zouden we een economisch systeem hebben dat volgens andere principes functioneert dan het huidige. Dat is de reden waarom mijn partij ondubbelzinnig de beweging voor een andere globalisering steunt’ (antwoord aan Jan Blommaert). We moeten basisonderwijs voor alle kinderen waarborgen. We moeten de sociale rechten afdwingen, niet alleen in Europa, maar ook in de arme landen (blz. 19). Janssens verzet zich tegen de zogenaamde sweatshops en tegen kinderarbeid. Een interessante piste is wellicht de idee van het verplichten van Belgische of Europese investeerders om rekenschap af te leggen van hun gedrag in de ontwikkelingslanden. Janssens wijst op het belang van de internationale vakbeweging. En ook de consumentenorganisaties kunnen onze bondgenoot zijn (blz. 20). Dat is uitstekend. Janssens zegt evenwel niets over hoe de rijke landen ervoor zouden moeten zorgen dat hun verspilling van grondstoffen ophoudt.

Ik zou het pleidooi van Alain Lipietz voor een Marshall-plan voor de Derde Wereld willen verdedigen.17 De Marshall-hulp van de VS aan Europa bedroeg vier jaar na elkaar 1% van hun bbp (het grootste deel ervan bestond uit giften). Lipietz berekent dat een zelfde hulp van de rijke landen aan de arme landen (in 1984) 400 miljard dollar zou bedragen. Dat is meer dan de helft van de schulden van de arme landen aan de rijke, in 1984 572 miljard dollar. ‘Een belasting van 1% voor de Derde Wereld, is niet duur betaald voor dergelijk resultaat … mais l’opinion est loin d’en être convaincue.’ Lipietz verbindt die inspanningen met sociale en ecologische clausules. Waarop wacht de sociaaldemocratie om die idee te propageren? Het klimaat is er zelfs gunstig voor, aangezien we die hulp kunnen koppelen aan de noodzaak om de terroristische dreiging - die heel zeker door de bestaande ellende in de hand wordt gewerkt - weg te werken.
Ik wens tenslotte enig commentaar te geven op de volgende enigmatische zin. ‘Het is mogelijk om de armen van deze wereld een weg uit hun miserie aan te wijzen, zonder de wereld onleefbaar te maken voor onze klein­kinderen’ (blz. 19). Als Patrick Janssens één idee duidelijk had moeten maken dan was het wel die. Want wat impliceert dat? Dat de rijke landen de buikriem zullen moeten aanhalen? Als dat zo is, valt te begrijpen dat Janssens terugschrikt voor meer uitleg, en dat hij weinig haalbaars ziet. Het is inderdaad de gangbare mening dat de rijke landen op de rug van de arme landen leven. Het is zeker dat ze voor een stuk de arme landen uitbuiten. Maar ik vermoed slechts in zekere mate, wat men ziet aan het geringe percentage in het bbp van de rijke landen dat uit handel met de ontwikkelingslanden bestaat. Het is zeker dat de rijke landen voor de arme landen een enorme hinderpaal zijn om vooruit te komen. Dat ziet men eveneens aan het bbp - dit van de arme landen, dat voor circa de helft uit handel met de rijke landen bestaat. Ik denk ook aan allerlei belemmeringen, onder andere aan de moeilijkheid om interessante technologieën in te voeren. De onrechtvaardigheid betreft vooral een aantal grond­stoffen, landbouwproducten en energie. De sociaaldemocratie zou ervoor moeten ijveren om duidelijk te maken dat, mits een aantal fundamentele wijzigingen van onze producten en productiemethoden, onze welvaart absoluut niet moet gaan slabakken, integendeel zelfs, dat in zo’n hervorming interessante kansen steken. Het zou zelfs het mi­lieuprobleem helpen oplossen. Zo zou ‘men’ (zeg maar de overheid) op massieve wijze hernieuwbare energiebronnen kunnen ontwikkelen (o.a. zonnecellen), wat de druk op de klassieke bronnen zou doen afnemen. Natuurlijk zou men ook moeten ‘plannen’ om het met veel minder energie te kunnen klaren. Het is algemeen geweten dat dit kan.

Milieuproblemen

Ook hier is volgens mij te weinig kritiek op de werking van het kapitaal. Natuurlijk dat Janssens ijvert voor natuurbehoud (blz. 61) en aandacht heeft voor een gezonde leefomgeving. ‘Een moderne sociaal-democratische partij moet ecologisch en dus roodgroen denken en handelen’. Hij pleit voor duurzame ontwikkeling. ‘Duurzame ontwikkeling is als een uitbreiding van de beginselen van het socialisme. Het gaat over solidariteit en rechtvaardigheid tussen de mensen van hier en nu, met mensen van overal en alle tijden’ (blz. 62). Maar als het duurzame ontwikkeling is in de zin van sustainable development à la Brundtland-rapport (Our common Future, 1987) is dat te weinig zaaks, want alweer wordt dan geen kritiek uitgesproken over ons productiesysteem. En natuurlijk ook wil Janssens de CO2-uitstoot verminderen. Maar hij vindt als antwoord nauwelijks meer dan: ‘We zullen minder met de auto moeten rijden en veel meer groene energie moeten opwekken’ (blz. 62), en er zal om dit te bereiken een overtuigend overheids­beleid nodig zijn. Ik kan het geloven. Maar het moet uitgestippeld worden. ‘We verslinden grondstoffen en schuiven zware lasten door naar de toekomstige generaties’ (blz. 62)’ Janssens ziet het probleem van de afvalverwerking en in het bijzonder dit van de nucleaire afval. ‘Onze huishoudelijke en industriële afvalverwerking is vooral gebaat bij minder afvalproductie’.
Het is niet dat Janssens het probleem niet juist stelt: ‘Veel milieuproblemen zijn een gevolg van onze productiemethodes’ (blz. 62). Maar ik zie niet dat dit leidt tot maatregelen die zich op het niveau van die productiemethoden zelf situeren. ‘Ook de overheid kan sturend optreden. De beste maatregelen hebben een rood én een groen karakter’ (blz. 63). Er volgt evenwel slechts een enkel voorbeeld, de 500 kwh gratis van minister Stevaert die de gezinnen gratis krijgen.

Een opmerking over het verkeer

Ik schrijf verkeer en niet mobiliteit omdat ik de idee wil gehandhaafd zien dat het grootste probleem van het verkeer de dodelijke ongevallen zijn (cette boucherie horrible die jaarlijks in Europa ca 50.000 doden en een veelvoud van zwaar gewonden meebrengt). Janssens ziet volkomen aan dit probleem voorbij.18
Janssens verwijst wel even naar de vrije markt (blz. 68). Hij wijst op het verschijnsel van de schaalvergroting. ‘Schaalvergroting is veelal een gevolg van een bedrijfseconomische logica. Maar ze is ook onlosmakelijk verbonden met de opkomst van de auto’ (blz. 69). ‘De schaalvergroting en het feit dat de samenleving steeds meer autogericht is, zorgen dus voor spanningen en voor nieuwe ongelijkheid’ (blz. 69). Maar is het waar dat de overheid geen vat kan krijgen op ‘het puur economische gegeven van de schaalvergroting’ (blz. 69)? ‘We moeten ons, ook als politici, niet te veel illusies maken. We kunnen wel iets doen aan onze ruimtelijke ordening.’ Janssens beperkt zich dus tot haalbare voorstellen, zoals (blz. 70): ‘Wie veel autoverkeer uitlokt, moet verplicht worden om zelf zijn vervoersstromen in kaart te brengen en zelf oplossingen aan te reiken. Daarbij denk ik, bijvoorbeeld, aan bedrijven met meer dan vijftig werknemers. Maar deze maatregel zou ook moeten gelden voor schoolcampussen, grote winkelcentra of grote popfestivals’. En verder aan (evenwel interessante) ideeën zoals carpooling, huurauto’s, gedeeld gebruik van auto’s. ‘Een auto voor iedereen zit er wellicht niet in’ (blz. 73). Maar zou men niet althans voor de lange termijn een politiek kunnen uitstippelen die de mensen minder afhankelijk van de auto maakt?

Haalbaarheid en realisme versus ‘academische’ radicaliteit?

Het essay van Patrick Janssens spitst zich met enkele uitzonderingen toe op wat haalbaar is voor een politieke formatie die aan het beleid wil deelnemen (onmiddellijk, op de korte termijn). Dat is respectabel, maar het is onvoldoende, want een politiek project moet ook vooruitkijken, het moet zijn electoraat willen beïnvloeden. En althans op één punt erkent Patrick Janssens dat hij opkomt voor de belangen van de arme landen, zelfs ‘als ons dat electoraal niet onmiddellijk iets zou opleveren’ (blz. 16). Deze concentratie op haalbaarheid en realisme blijkt ook uit de reactie op Jan Blommaert. ’Indien ik een academicus was gebleven, zou ik vandaag waarschijnlijk even radicaal zijn als jij’ (Jan Blommaert). Dat zal Patrick wel ook aan mijn adres zeggen. ‘Maar ik heb nu eenmaal een andere weg gekozen, die van de dagdagelijkse politiek’, zegt Janssens. Maar dat is een tegenstrijdigheid. Een politieke partij die enkel de haalbaarheid in het oog zou houden, is gewoon flauw. Ze moet haar kiezers enkele stappen voor zijn. Ze moet durven discussiëren en pleiten. Ze kan dat, en dat sorteert effect. Ze moet durven zeggen dat een aantal zaken voor het ogenblik niet haalbaar zijn. Ik denk niet dat Janssens dat anders ziet - maar dat maakt alleen maar op pijnlijke wijze duidelijk dat hij er in feite een al te beperkte kritiek op ons economische systeem op na houdt.
De ironie wil dat als men het bij het onmiddellijk haalbare houdt, datgene wat de sociaaldemocratie toch zelf ook wil halen, zal ontglippen. Zo kan men het vooropgestelde percentage vermindering van de CO2-uitstoot onmogelijk realiseren met de tot op heden voorgestelde maatregelen, wat direct blijkt uit het feit dat de aangroei van het verkeer het effect van al deze maatregelen direct ongedaan maakt. Zo kan men het aantal verkeersslachtoffers niet afdoende terugdringen als men het houdt bij wat drempels en wat onbewaakte camera’s. En zo in vele andere gevallen.

Sociale gelijkheid en rechtvaardigheid

Is ondertussen in mijn eigen betoog het thema van het streven naar sociale ongelijkheid en onrechtvaardigheid, voor Patrick Janssens de bestaansreden van de sociaaldemocratie, zoek geraakt?
Ik denk dat een politieke partij geacht wordt voor het algemeen belang op te komen, maar dat dit het best gebeurt vanuit een bepaald segment van die maatschappij. In het geval van de sociaaldemocratie het gedeelte van de samenleving dat is geïmpliceerd in de woorden ‘sociale gelijkheid’ en ‘sociale rechtvaardigheid’. Patrick Janssens viseert de arbeiders, of als je wil, de werknemers, en dan in eerste instantie de onderste geledingen daarvan, diegene die het meest te lijden hebben onder de kwalen van de hedendaagse samenleving - zonder dat hij daarbij de andere geledingen van de maatschappij links moet laten liggen.
Inzien dat de problemen van iedereen zijn, houdt (electorale) kansen in voor de sociaaldemo­cra­tie, ook al worden de problemen vanuit de genoemde invalshoek benaderd. Hier situeert zich trouwens het verschil met de groene partijen, die eenzijdig het milieuprobleem centraal stellen of met de christendemocratie die belangenverschillen niet wenst te erkennen. Ik moet zeggen dat Patrick Janssens er keer op keer goed in slaagt om de ongelijkheid en onrechtvaardigheid te detecteren, zodat het zelfs kan lijken alsof alle problemen in onze samenleving zich hiertoe reduceren. Ik moet zelfs zeggen dat zijn invalshoek uitstekend lijkt te passen bij wat ik de radicalere aanpak noem.

Noten
1. Deze beschrijving van het kapitalisme als doel-middelverdraaiing kan op Marx beroep
doen. Dat wordt aangetoond door Rudolf Boehm, door Otto Ullrich, en ik heb aan dit thema een boek gewijd.
2. Ik wens er van meet af geen misverstand over te laten bestaan dat volgens mij de hier bedoelde economische doel-mid­delverdraaiing niet de enige oorzaak is van wat in onze samenleving verkeerd loopt. Maar dat uitwerken gaat het onderwerp van dit artikel te buiten.
3. Ik hoop in de loop van het hier volgende betoog deze doel-middelverdraaiing voor de lezer een stuk zichtbaarder te kunnen maken. Voor wat meer concrete invulling verwijs ik naar mijn ‘Voor een radicalere aanpak van het energieprobleem’, Samenleving en politiek, jaargang 8, februari 2001, blz. 43-46.
4. Hij verwijst naar het theoretisch model van De Man dat klasse als concept hanteert ‘en dat de materialistische definitie van klassen binnen een kapitalistische systeem aanvaardt en aanvult met ‘superstructurele’ elementen’. Ik heb mijn twijfels bij dit materialisme en bij de idee dat ‘superstructurele elementen’ enkel een aanvulling zouden zijn. Ik kan dat hier niet uitwerken.
5. Het essay van Patrick Janssens spitst zich met enkele uitzonderingen toe op wat haalbaar is voor een politieke formatie die aan het beleid wil deelnemen (onmiddellijk, op de korte termijn). Dat is respectabel, maar het is onvoldoende, want een politiek project moet ook vooruitkijken, het moet zijn electoraat willen beïnvloeden. Dat veronderstelt een ‘conflictmodel’ van de democratie. Ik heb hiervoor gepleit in W. Cool­saet; ‘Gelijkheid, vrijheid, broederlijkheid. Het conflictmodel van democratie versus het democratiemodel van Marx’, in: Controversen. Democratie en maxisme, met bijdragen van Rudolf Boehm, Willy Coolsaet, Ignaas Devisch, André Mommen, Guy Quintelier, Jacques Texier, Luc Vanneste, Imavo/Kritiek, Brussel, Gent, 2001, blz. 37-60.
6. ‘Meer dan vroeger beseffen we dat het marktmechanisme zijn verdiensten heeft’, schrijft Patrick Janssens (blz. 87). Hij gaat verder door een tegenstelling te maken met het overheidsoptreden, een thema dat we nog nader bekijken.
7. Denk aan de coöperatie tussen vakbonden en patronaat onder supervisie van de overheid na de Tweede Wereldoorlog, vaak keynesianisme genoemd en indringend beschreven door de Franse regulatie-economen. Op dit punt heeft Patrick Janssens gelijk tegen Jan Blommaert in. Jan Blommaert ziet dan ook geen verschil tussen kapitalisme tout court en het Rijnlandmodel (blz. 5). Nochtans lijkt mij dit laatste een belangrijke stap in de goede richting.
8. In zijn Macro-economie, 1977, blz. 22.
9. E. Hobsbawm, Een eeuw van uitersten. De twintigste eeuw 1914-1991, 1995, blz. 645.
10. Mag ik nogmaals Hobsbawm aanhalen (blz. 29)? Hobsbawm spreekt van een ‘in bepaalde opzichten de meest ontwrichtende’ verandering in onze dagen, een verschijnsel, zegt hij, dat het duidelijkst aanwezig is in de landen met een kapitalistische economie, ‘waarin de waarden van het absolute, asociale individualisme overheersten’, een ‘maatschappij bestaande uit een onsamenhangende verzameling egocentrische individuen, die alleen hun eigen belangen nastreven (of dit nu winst wordt genoemd of plezier of nog iets anders)’.
11. ‘Criminaliteit en overlast zijn …niet alleen toe te schrijven aan de anderen, en dan denken we natuurlijk in de eerste plaats aan die enkele criminelen. Neen, criminaliteit en overlast zitten ook bij u en ik, bij de weldenkende burgers die met gemak wetten overtreden en hun medemens benadelen. Als dat goed uitkomt. Brave huisvaders kunnen zich in geen tijd ontpoppen tot agressieve en gevaarlijke chauffeurs’ (blz. 80-81). ‘Veel wrevel en onbehagen, veel gevoelens van onveiligheid zijn toe te schrijven aan moeilijke verhoudingen tussen mensen (blz. 81) …’ Ik denk dat deze uitspraken veel waarheid bevatten. Maar als dat zo is, dan is ook een ingrijpende ‘cultuurkritiek’ nodig.
12. Ik treed Patrick Janssens (blz. 6) bij als hij stelt dat arbeid essentieel is om zin te kunnen geven aan het leven. Maar welke arbeid: loonarbeid, vrijwilligerswerk, huishoudelijk werk, enz.?
13. Chr. Lasch, Haven in a heartless World, New York, 1977, blz. XVII.
14. Vgl. Patrick Janssens, blz. 87.
15. Ik heb hierover enkele opmerkingen gemaakt in mijn ‘Met de beste bedoelingen. Over de groeien de controle in de openbare instellingen’, Samenleving en politiek, jaargang 8, september 2001, blz. 24-32.
16. Zie voetnoot 3.
17. Ik vermoed dat het Alain Lipietz is die de idee gelanceerd heeft, namelijk in Problèmes de l’industrialisation dans le tiers monde, La découverte, 1986, blz. 167,
18. Enkel op blz. 77 en op blz. 82 een korte verwijzing.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 1 (januari), pagina 14 tot 23