Abonneer Log in

Nog altijd in de buitenbaan

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 2 (februari), pagina 1 tot 2

Sommige boeken blijven beklijven. Ook jaren nadat je ze gelezen hebt, draag je ze op de een of andere manier nog mee. Je hoeft ze zeker niet telkens opnieuw te lezen. Het gaat hem niet om de details, het gaat hem om de boodschap. Je wordt geconfronteerd met een discussie en plots denk je: maar dat heb ik twintig, dertig jaar terug al gehad! Jouw auteur krijgt er een speciale betekenis door. Hij moet wel een soort ziener geweest zijn. Tegelijk overvalt je een gevoel van moedeloosheid. Hij heeft het zoveel jaren terug misschien al wel gezien, maar dat heeft kennelijk niets uitgehaald! Erger nog, de discussie vandaag wordt gevoerd precies alsof die vroegere inzichten opnieuw moeten uitgevonden worden.

In 1976 verscheen van de hand van Luc Huyse en Lieven Vandekerckhove In de buitenbaan. Er waren toen nogal wat boeken die zich afvroegen of de democratisering van het onderwijs echt aan het lukken was. Huyse en Vandekerckove stelden zelfs bij arbeiderskinderen die naar de universiteit konden een sociale achterstand vast. Zij kiezen heel weinig voor studies die uitzicht geven op een beroep als zelfstandige. Zij willen liever geen onzekerheid, maar ontlopen ook de kans op hoge inkomens en worden makkelijker leraar. Van de meest prestigieuze beroepen kiezen zij het vaakst voor ingenieur. Die kan nog in hun eigen cultuur gesitueerd worden, er hangt nog een industriële sfeer aan vast. Want dat is het mechanisme: de afstand van het nieuwe milieu waar de arbeiderszoon of -dochter hoe dan ook in terecht komt, moet zo klein mogelijk gehouden worden. Arbeiderskinderen lopen in de buitenbaan, maar in tegenstelling tot atletiekwedstrijden krijgen zij geen compensatie voor die handicap. Iedereen vertrekt op dezelfde plaats.

Zo veel jaar later verschijnen nog altijd studies die aantonen dat de democratisering maar niet gerealiseerd wordt. Leerlingen uit lagere sociale milieus hebben gewoon geluk als ze geen schoolse achterstand oplopen. Ze mogen al blij zijn dat ze niet in het buitengewoon onderwijs terecht komen. Ze hebben veel kans om hun onderwijsloopbaan zonder diploma af te sluiten. Zelfs naschoolse opleidingen lijken bij voorkeur voor hoger opgeleiden gereserveerd. Ik weet dat ik schematiseer en daardoor dreig te overdrijven, maar ik neem het niet dat die realiteit nog altijd verdoezeld wordt. Iedereen kent in zijn omgeving toch uitzonderingen? En heeft de verlenging van de leerplicht niet gezorgd voor een algemene stijging van het peil? Wie niet slaagt heeft toch echt zijn kansen niet benut! Het ligt eigenlijk aan hemzelf! De minister president van Vlaanderen durft het ongeveer met die woorden in zijn laatste boekje schrijven. Het heeft nauwelijks verontwaardiging opgewekt. Ergens een lezersbrief en dat was het dan. En zijn nicht maakt er zich vanaf met een verwijzing naar het gelijkekansendecreet dat straks in het Vlaams parlement zal gestemd worden. Precies alsof de schamele drie miljard die zij maar kan voorzien, ook maar iets fundamenteels zal veranderen. Op onderwijsvlak zijn de kansen nog lang niet gelijk. Dat is en blijft de waarheid. En blijkbaar stuit je hier op een scheidingslijn tussen links en rechts. Links verwijst naar structuren, rechts naar individuele gebreken.

In zijn nieuwjaarsboodschap heeft de voorzitter van de Vlaamse socialisten een oproep gedaan om er eindelijk aan te beginnen. Zijn oproep dreigt in eigen middens verstikt te raken, omdat sommigen er een aanval op de gemeenschapsscholen in zien. Anderen voelen zich in het kruis van hun vrijzinnigheid getast. Ik heb begrip voor beide reacties. Ik woon in een streek waar vrijzinnigen een gediscrimineerde minderheid blijven, terwijl het gemeenschapsonderwijs het er bijzonder moeilijk heeft. Alleen mag gevoeligheid geen overgevoeligheid worden. Dan kan alleen maar overgereageerd worden en dat is de beste manier om het denken op nul te zetten. Wie twijfelt er nu eindelijk aan de kwaliteit van het gemeenschapsonderwijs? De discussie over de netten en de arbeidsvoorwaarden van het onderwijzend personeel heeft haar belang, maar dat is ondergeschikt aan de discussie over gelijke kansen. Het begrip gelijke kansen gaat naar het wezen van het socialisme, terwijl men complexloos socialist kan zijn als men zijn kinderen naar een vrije school stuurt. Of zal men vragen dat de partijleden die het wel doen hun lidkaart inleveren? Ik ken er alvast heel wat. Als de partij wil uitstijgen boven het miniformaat van vandaag zullen het er steeds meer moeten worden. En natuurlijk moeten socialisten bekommerd zijn om de arbeidsvoorwaarden. Alleen kunnen zij daarin niet zo ver gaan dat de eigenlijke doelstellingen op de achtergrond geraken. Onderwijs is er voor de kinderen, niet voor de onderwijzers.

Ik vraag me trouwens af of hier niet een blinde vlek van onze moderne samenleving zit. Hoe komt het dat een boek als dat van Huyse en Vandekerckhove nog altijd actueel is? Willen we eigenlijk wel weten wat zij beschrijven? Zijn we eigenlijk wel geïnteresseerd in die groep die weinig kansen krijgt? Wie wordt gehoord in de onderwijsdiscussies? Soms heb ik het gevoel dat het alleen gaat om de beter gesitueerde ouders die hun kind zien ‘mislukken’, omdat het niet meekan in het algemeen secundair onderwijs en de werkgevers die niet meer voldoende technisch geschoolden vinden. Een herwaardering van het technisch onderwijs zou voor beide in praktijk wel eens kunnen betekenen dat er een nieuwe onderwijsvorm komt, een beter gewaardeerd soort technisch onderwijs. De kansarmen zouden dan nog verder verwijderd - gesegregeerd - worden. Wat is dan wel de oplossing? Er moet minstens een nieuwe financieringswijze komen. Alleen kan dat niet zomaar neerkomen op wat de voorvechters van de vrije scholen vragen: de lat gelijk leggen. Als niet de scholen maar de leerlingen primeren, moet gefinancierd worden in functie van de leerlingen. Hun afkomst wordt dan een belangrijke factor om de hoogte van het bedrag te bepalen. Voor veel vrije scholen kan dat alleen maar betekenen dat zij minder zullen krijgen.

Ik wil tot slot nog verwijzen naar een ander boek van de beklijvende soort. Het waarschuwt voor een overdreven betutteling van de kansarmen. Ik hoor dat we de problemen zo vroeg mogelijk moeten detecteren. Het begint in het basisonderwijs. Eigenlijk mogen we het kleuteronderwijs niet overslaan! Of kan Kind en Gezin geen rol spelen om reeds peuters te categoriseren? Je kan er gewoon niet vroeg genoeg aan beginnen. Hans Achterhuis schreef in 1979 De markt van welzijn en geluk. Zijn basisstelling is dat het hele welzijnswerk veel meer de welzijnswerkers dan hun klanten dient. Die klanten worden zo gekneed en gevormd (gedisciplineerd) dat ze passen binnen een systeem, maar beter worden ze er nauwelijks van. Opnieuw de omkering van middel en doel! Ik wil maar zeggen: laten we er ook niet teveel school van maken.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 2 (februari), pagina 1 tot 2