Log in

'Stipmomenten. Een relaas'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 3 (maart), pagina 55 tot 56

Stipmomenten. Een relaas

Jan Debrouwere
Uitgevrij ACCO, Leuven, 2002

In zijn recente boek ‘Stipmomenten’ heeft Jan Debrouwere omgekeken in verwondering naar zijn eigen leven. Het resultaat is eigenlijk een tweedelig boek. In een eerste gedeelte speelt Jan zelf de hoofdrol. Daarin beschrijft hij zijn belevenissen als kind en als opgroeiende jongeman, periode die eindigt kort na de Tweede Wereldoorlog. Het tweede gedeelte handelt over zijn ervaringen als militant en vrijgestelde van de Kommunistische partij. Daar oefende hij jarenlang de functie van ‘minister van buitenlandse zaken’ uit. Daardoor wandelde hij vaak rond in de ‘socialistische’ landen en kwam er in contact met de leiders van deze wereld-in-ondergang. Jan Debrouwere kan schrijven. Het relaas van het leven in het Hellegat, wijk van de steenbakkerijgemeente Niel aan de Rupel levert bladzijden schitterende literatuur over het opkomend socialisme dat van Grootvader August Debrouwere, een van de weinige linkse activisten in de Eerste Wereldoorlog, een ‘Vlaams vroeg-marxist’ had gemaakt.

Een staaltje. Met het opkomende socialisme was verandering in het dagelijkse leven aan de orde: ‘Het veranderde, aan het tempo van de kleine wijzer. De wijven afkloppen werd van tolerabel “en verdomme soms al ès nodig” tot iets wat ààgelijkfààtelijk toch niet moet hé? Jenever drinken moest voor zaterdagavond blijven - ‘nen borrel, geen fles! - want de mannen mogen ook wat hebben, ze werken er voor. En liever thuis dan op staminee. Maar drinken door de week was schande en zatlapperij, vonden de vrouwen. En dan gaat soms ‘éél ‘un pree d’r aan, asse ’t krijge. Ze begonnen dat te zeggen en niet alleen in ‘t winkeltje van Selien. Vrouwen kwamen al eens mee met de man, als ’t vergadering was van de socialisten, in ’t Volkshuis. Ze bleven natuurlijk van voor zitten, in ’t lokaal. Om daar wat te klappen, achter ‘ne kaffe. De eerste die mee binnen kwam, in de zaal, werd gek aangekeken. Vooral toen ze het woord vroeg. “’t Goad’over dà gezoip van elle.” Is dat nu iets voor hier? In het gezin verschoof het gezag allengs naar hen toe. Ze telden, rekenden, dachten.’

De opgroeiende Jan komt via grootvader en vader in aanraking met het politieke gebeuren in Niel, tijdens de beroerde jaren dertig. Het VNV, het Plan De Man, de communisten, de twijfels omtrent de echte betekenis van Hitler, het voorbeeld van de Sovjet-Unie-zonder-krisis.De tienjarige beleeft het begin van de oorlog. Opluchting bij de capitulatie, de Duitsers vallen goed mee. De algemene pro-Duitse stemming verwatert echter naarmate de bevoorrading te wensen overlaat. Joodse medeleerlingen op het atheneum in Antwerpen verdwijnen,maar ‘al voor de oorlog was er veel antisemitisme in Antwerpen.’

Wie de oorlogsjaren heeft meegemaakt, zal heel wat situaties en argumenten in het boek herkennen. De erzats, de bombardementen, de verklikkingen, de sabotages, de aanhoudingen, de deportaties, de bevrijding met zijn uitspattingen tegen de kleine meeloper en het witwassen van de economische collaborateurs. Wie de oorlog niet heeft meegemaakt, kan zich een beeld vormen over hoe die vier oorlogsjaren in eigen land door een opgroeiende tiener bekeken werden. Niet zozeer als politieke analyse. Dat is helemaal niet de bedoeling van de auteur. Wel een feitelijke beschrijving van eigen ervaringen tijdens de bezetting, vergezeld van eigen bedenkingen, vlot en lezenswaardig geschreven. Ik moet bekennen dat ik, eerder sceptisch begonnen, het boek in één ruk heb uitgelezen. Het boeit van begin tot einde.

De brug tussen jeugd en volwassenheid - en tussen de beide delen van het boek - wordt gevormd door het intermezzo in het leger. Jan Debrouwere kreeg als oorlogsvrijwilliger een opleiding in Ierland. Dit is aanleiding tot enkele hilarische bladzijden over de taaltoestanden in het leger en over de politieke voorlichting van de Belgische piotten. Maar ook tot een kleurrijk verhaal over een passionele Ierse liefde, verhaal dat slechts op het einde van het boek tot een conclusie leidt. Na ontslag uit het bezettingsleger in Duitsland kan Jan, om sociaal-financiële redenen, niet verder studeren. Het zal zijn leven lang zijn grote frustratie blijven, al kan zijn belezenheid en eruditie zich gemakkelijk meten met die van de meeste academici. Zijn gebrek aan academische opleiding belette niet dat later de sterk ‘arbeideristische’ basis van de K.P. in Antwerpen hem verdacht tot de intellectuelen te behoren. En dat maakte hem in de ogen van dat Aantwaarps proletariaat uitermate verdacht.‘Wie intellectueel was - en daar ging ik toen al voor door - stond in de Antwerpse federatie laag in aanzien. Nonsensicale praat over “lactawièle” werd er zonder meer geduld. Maar iets zeggen dat het vanzelfsprekende klassebewustzijn en de morele superioriteit van de arbeider ergens in twijfel leek te trekken, gold als blasfemie. “Wij hebben de universiteit van de straat gedaan.” Ik heb daar over gepiekerd. Voelde me duidelijk de federale pispaal.’ De bladzijden over zijn entree in de K.P. en zijn eerste jaren als militant zijn erg leerzaam over de toestand van de partij in de beginjaren 50, met Edgard Lallemant als het plaatselijk ingebeeld en mislukt kloontje van Stalin. Jan werd vlug opgemerkt door de partijleiding, die hem een snelle politieke carrière bezorgde. Via het redacteurschap van de Rode Vaan maakte hij voor het eerst kennis met een ‘socialistisch’ regime, als correspondent in Berlijn, Haupstadt der DDR, waar hij verblijft van 1959 tot 1962. De bladzijden over zijn ervaringen in de DDR zijn doorspekt met interessante gegevens over het dagelijks leven aldaar, over de muur, over de leiders, met een genuanceerd beeld van Walter Ulbricht en Erich Honecker, die hij persoonlijk herhaaldelijk heeft gesproken. Op grond van gegevens uit de Statistische Jahrbücher van de DDR had Jan berekend dat er in de DDR in 1961 reeds een niet verklaard deficit van 2.700.000 inwoners bestond, het aantal naar het Westen geëmigreerde burgers. Na publicatie van dit cijfer in de Rode Vaan en Le Drapeau Rouge werd de correspondent op zijn vingers getikt door de leiding van de SED, maar die kritiek verstomde wanneer bleek dat die cijfers afkomstig waren uit hun eigen gegevens.Dat alles in de DDR geen kommer en kwel was, en dat een genuanceerd beeld van de DDR zeker gepast is, wordt vandaag trouwens ten overvloede aangetoond door de indrukwekkende electorale resultaten van de PDS, de ‘democratische’ erfgenaam van de SED. Sedert het regeerakkoord in Berlijn tussen de SPD en de PDS voor een ‘rosa-rote’ Berlijnse regering, kookt de rechtse Duitse pers over van woede en produceert ze proza die doet denken aan de ergste jaren van de koude oorlog.

Zijn latere functie als verantwoordelijke voor de internationale betrekkingen van de K.P. bracht Jan Debrouwere rechtstreeks in contact met heel wat situaties, problemen en personaliteiten uit de socialistische landen. Daaruit distilleert hij lezenswaardige bedenkingen over de verhouding DDR-USSR, over de slag om Warschau in augustus 1944, over de bijzondere geschiedenis van Polen, over de Roemeense ontsporing (het enige socialistische land waar de wisseling van regime gepaard ging met geweld). Binnen het ‘democratisch socialisme’ waren leiders zoals Stalin, Gierek, Rakosi, Ceausescu, Mao de spil waar alles rond draaide, schrijft Debrouwere.‘Zij waren allesbehalve marionetten. Noch domkoppen. Marionetten en domkoppen kwamen in zulk systeem slechts voor korte tijd aan bod en gingen vlug heen. Noch psychopaten, al kan over Stalin wel anders worden gedacht. Maar door en onder hen werd die vorm gegeven aan het communisme-aan-de-macht, waar het aan stuk is gegaan. Door de fatale spanning tussen haar theorie en haar praktijk. Zulk communisme-aan-de-macht, naar militaire normen opgebouwd, was niet dat waar zo velen van ons communist voor werden.’

Dertien jaar geleden verdween het communisme van het stalinistische type uit Europa. Het is niet onbelangrijk te wijzen op die lange rijpingstermijn om indrukken op papier te zetten. Vandaag brengt Jan Debrouwere publiekelijk een aantal getuigenissen, die destijds in de K.P. uitsluitend binnenskamers mochten gefluisterd worden. Publicatie van tientallen van zijn beweringen zou in die tijd door de K.P. zonder pardon afgestraft geweest zijn. Ik ken persoonlijk een goed voorbeeld van iemand die destijds uit de Partij gezet werd voor een opmerking die heel wat ‘onschuldiger’ was, dan vele van de verhalen die voorkomen in ‘Stipmomenten’. Maar ook mét de vertraging biedt het boek een goed inzicht in de gedachtewereld van iemand die tot het zeldzame ras van de Vlaamse communistische intellectuelen behoort.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 3 (maart), pagina 55 tot 56