Log in

'Crise et sortie de crise. Ordre et désordres néolibéraux'

Uitgelezen

Crise et sortie de crise. Ordre et désordres néolibéraux

Gérard Duménil & Dominique Lévy
Presses Universitaires de France, Paris, 2000

Het boek is verschenen in de reeks Actuel Marx - Confrontation. Actuel Marx organiseert lezingen en discussies, en publiceert studies waarin de actualiteit van de marxistische analyses met betrekking tot hedendaagse ontwikkelingen onderzocht wordt. De centrale thesis van de auteurs luidt dat hetgeen voorgesteld wordt als de mondialisering van de economie en de globalisering van de markt moet begrepen worden vanuit de interne structuur en dynamiek van het kapitalisme. Een herstructurering van het kapitalisme is aan de gang, gestuurd door en in het belang van het financiekapitaal. De oorsprong van de huidige crisis is gelegen in bepaalde tendensen die inherent zijn aan de kapitalistische productiewijze: met name de daling van de winstvoet, die het gevolg was van de onmogelijkheid om een constant ritme van technologische vernieuwing aan te houden. Daardoor kwam een eind aan de accumulatie van kapitaal en dat resulteerde in een formidabele stijging van de werkloosheid, een oplopende staatsschuld en een toenemende kwetsbaarheid van de arbeid. Het neoliberalisme, aldus de auteurs, is de (weloverwogen?) strategie van de heersende klasse, het financiekapitaal, om haar inkomsten en macht terug veilig te stellen, tegen de achtergrond van een algemene verzwakking van de volksstrijd. ‘In de loop van de jaren 80 hernam het financiewezen op een méér directe manier het initiatief. Het sloot zo aan bij de grote traditie van het begin van deze eeuw, lag aan de basis van een brede beweging van herstructurering, van concentratie, van controlering, en meer algemeen, van versterking van de netwerken van eigendom. Deze transformatie gebeurde, en gebeurt nog steeds, onder de voogdij van de banken in een context van grote permissiviteit vanwege het juridisch systeem’ (200).
Marx wist het! In het kapitalisme zijn terugkerende crisissen onvermijdelijk. Maar zij kondigen niet de nabije ineenstorting van het systeem aan. Het zijn momenten van herstructurering van de productiekrachten en productieverhoudingen. Op het sociaaleconomische niveau maken de auteurs een drie-klassen-analyse. Binnen de dominante klasse is een opdeling gebeurd tussen het bezit en de leiding van het kapitaal, d.w.z. tussen het geldwezen en het management. Binnen de niet-bezittende klasse is daardoor een scheiding ontstaan tussen het kader (in initiatiefnemende functies) en de bedienden (in uitvoerende functies). En daardoor vervaagt het onderscheid tussen bedienden en arbeiders: samen vormen ze les encadrés, het nieuwe proletariaat. Op het politieke niveau is de analyse verwant aan die van Saskia Sassen in Globalisering. Over mobiliteit van geld, mensen en informatie: zij zet zich af tegen de stelling dat het neoliberalisme zonder meer gepaard zou gaan met een vermindering van de rol van de nationale staat: meer economie, minder staat. Ook in een marxistische benadering blijkt dat, eerder dan dat de staat verzwakt zou zijn, hij een actieve rol speelt als stimulans en beschermer van financiële belangen en de macht van het geldwezen. ‘Achter het vertoog van de deregulering verbergt zich de praktijk van de herregulering’(271). Bovendien vindt men de tegenstelling tussen de klasse van het leidende management en het uitvoerende nieuwe proletariaat ook terug in de staatsfuncties. Bij ons is het Copernicusplan daar het sprekende voorbeeld van!
Op het internationale niveau tekenen sommige hedendaagse auteurs, zoals Hardt en Negri in Empire, de mondialisering vanuit een postmoderne en anarchistische aanpak als een proces van decentralisatie en fragmentatie. Duménil en Lévy daarentegen putten uit de klassiek-marxistische analyse van het kapitalisme als imperialisme. Zij focussen binnen de crisis op de hegemonie van de VS, en meer bepaald de Amerikaanse financiële klasse, in samenwerking met buitenlandse connecties, in eerste instantie Groot-Brittannië, waarbij Londen zich maar al te graag opstelt als de trouwe dienstknecht van Washington. De mondiale monetaire crisis had in principe kunnen leiden tot het oprichten van een mondiale munt, die voldoende autonoom was ten opzichte van de Amerikaanse dollar (de bancor van Keynes), maar in feite leidde zij tot het herstel van de dominantie van de dollar. ‘Niet de mondialisering als dusdanig heeft de economieën van hun autonomie beroofd, maar het neoliberale traject van de mondialisatie’ (209). Deze economische hegemonie gaat gepaard met politieke, militaire, wetenschappelijke, culturele hegemonie.
In deze hele analyse willen de auteurs lessen trekken uit de geschiedenis. Met een overvloed aan historisch materiaal willen ze een parallel laten zien tussen de crisis in het laatste kwart van de 20e eeuw en die van de voorgaande eeuwwisseling, en ook tussen de uitkomst van beide crisissen. In beide gevallen ging het om een herstructurering van de kapitalistische productiewijze en meer bepaald in de richting die het economisch en politiek belang van het financierskapitaal (la finance) privilegieerde. Hilferding en Lenin analyseerden hoe het financierskapitaal aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw voor het eerst zijn monopolie vestigde. Deze hegemonie werd radicaal op de proef gesteld door de crisis van 1929 en de Tweede Wereldoorlog. Daarna werden, in de New Deal en Les trente Glorieuses, aanzienlijke beperkingen aan het financierskapitaal opgelegd in de vorm van een hele wettelijke en juridische structuur. Het was de periode van J.M. Keynes en H.D. White en van de akkoorden van Bretton Woods in 1944. Maar sinds de jaren 80 werd het monopoliekapitaal onder het neoliberalisme hersteld, en werd een mechanisme uitgebouwd in de lijn van de periode vóór 1929. Met dit verschil dat de neoliberale politiek a.h.w. binnen de keynesiaanse instellingen binnenglipt. In die zin leidt de heersende klasse de crisis (gérer la crise): zij zoekt een uitweg uit de crisis, en maakt gebruik van de crisis om een oplossing te vinden in haar belang.
Dit nieuw mechanisme bevat allerlei incoherenties. Enerzijds vergt het herstel van de vrije concurrentie een vergaande deregulering, anderzijds vereist de strijd tegen de inflatie dat de Centrale Banken het financieel systeem strenger controleren. De technologische innovatie en organisatorische verandering leidde tot een duale economie, waarin grote ondernemingen met een hoge graad van performantie qua techniek en organisatie fungeren naast traditionele, verouderde sectoren. Het systeem kan de tewerkstelling niet verzekeren en de monetaire, financiële en politieke instellingen blijken zeer kwetsbaar te zijn. Bovenal zet de historische parallel aan tot voorzichtigheid ten aanzien van de hoerastemming bij de apostelen van de nieuwe economie. De ‘oplossing’ van de eerste crisis fungeerde als katalysator in de crisis van 1929 en de grote depressie. De oplossing van de crisis vormde de aanzet tot een nog grondiger crisis.
Bij Duménil en Lévy is het marxisme uitgezuiverd tot een puur instrument van analyse. Ontdaan van zijn hegeliaanse erfenis ziet het marxisme af van dwingende voorspellingen aangaande de toekomst. Dat het kapitalisme aan zijn interne tegenstellingen ten onder zou gaan, die apocalyptische idee hebben zij al lang opgegeven. Het kapitalisme is immers in het verleden bijzonder soepel gebleken en, als een kat met vele levens, is het erin geslaagd zich uit elke crisis te herstellen en in een nieuwe gedaante te verrijzen. Mij lijken ze een vorm van neokeynesianisme te verwachten: een soort beschaafde (want door de staat en supranationale instellingen gecontroleerde) vorm van kapitalisme, en intussen toch te blijven hopen op een grondiger transformatie van de productieverhoudingen. ‘Het financiewezen is in gevaar, want vroeg of laat zal het privébezit van de productiemiddelen tot het verleden behoren’ (273). Pessimisme van het verstand, optimisme van het hart?

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 4 (april), pagina 53 tot 54