Log in

'Secrets de jeunesse'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 4 (april), pagina 51 tot 52

Secrets de jeunesse

Edwy Plenel
Paris, Ed. Stock, 2001

Het verleden kent zijn wisselvalligheden en de toekomst ervan is onbepaald. Die enigszins paradoxale vaststelling of, zo je wil, ideologische figuur van noodzakelijk toeval betekent de opmaat en grondtoon van het nieuwste boek van Edwy Plenel, Secrets de jeunesse. De idee opent een perspectief waarin feiten en gebeurtenissen anders verschijnen. Ze tonen zich onder de verzachtende omstandigheid van hun willekeurige aard. De lichtheid ervan weerhoudt ons een oordeel uit te spreken. Hoe kun je iets, dat buiten elke verantwoording valt, veroordelen?
Plenel is momenteel hoofd van de redactie van de Franse krant Le Monde. Begin jaren zeventig begon hij zijn journalistieke loopbaan als buitenlandcorrespondent bij het trotskistische blad Rouge. In Secrets de jeunesse brengt hij dit ultralinkse studentenverleden in herinnering. Secrets de jeunesse is, enigszins verhaast allicht, eind vorig jaar op de markt gebracht. Kort tevoren werd bekend dat Lionel Jospin in zijn jeugd eveneens lid van de Vierde Internationale was. Jospin is huidig Frans premier en vooral kandidaat voor de socialistische partij bij de komende presidentsverkiezingen. Nu is al langer ruchtbaar dat ooit, op een blauwe maandag, ook Jacques Chirac een ultragauchistisch blaadje in de betere Parijse wijken heeft gecolporteerd. Die juveniele misstap wordt enigszins vergoelijkend weggelachen, wijzend op de discrete charme van de spreekwoordelijk onhandige president. Dat andersom, Jospin trotskist is geweest en speciaal dat hij dit verleden zo hard blijft verbergen1, kwalificeert Plenel als een zaak van het hoogste belang. Het is een schuldig zwijgen, een ernstig wanbedrijf dat nader onderzoek noodzaakt. Jospin weigert de jeugdige basis van zijn politiek engagement bespreekbaar te stellen. Zo gaat hij, zegt Plenel, de kritiek van de breuk met zijn oude kameraden uit de weg. ‘Niet wat hij te verbergen heeft, is wat iemand maakt tot wat hij is, maar wel wat hij doet’, heeft Lionel Jospin zich lange tijd verdedigd. Jospin loopt goed, kaatst Plenel, met een te bekende allusie, dit argument terug, maar hij loopt wel op zijn kop. Hij moet dringend terug met zijn voeten op de grond worden gezet. ‘Verbergen wat men deed, is ontkennen wie men is. […] Door toe te geven gezwegen te hebben over een ideologisch verleden, waarvan onduidelijk is wat er schandelijk aan kan zijn, laat Jospin zonneklaar zien dat het de praktische realiteit van dit engagement is die hem zorgen baart.’ De sleutel van die gêne heeft vanzelfsprekend weinig te maken met de naakte feitelijkheid van de vroegere militant-politieke inzet van Jospin. Het is de concrete praktijk van entrisme in de socialistische partij door de Lambert-fractie waar Jospin toe behoorde, die hem steekt.
Trotski heeft de leer van het entrisme in de loop van zijn korte verblijf in Frankrijk ontwikkeld. De eerste aanwijzingen in die theoretische richting gaan terug tot 1934. Hitler is een jaar eerder in Duitsland aan de macht gekomen en Trotski is van oordeel dat het orthodoxe, stalinistische communisme mee voor die machtsovername verantwoordelijk tekent. Trotski vindt het daarom des te belangrijker aansluiting te zoeken bij de SFIO, voorloper van de huidige Parti socialiste, omdat die ‘los van elk fetisjisme ten opzichte van de Sovjet-bureaucratie’ weet te opereren. Hij stelt weliswaar voor dergelijke tactische coalitie open en bloot te spelen, met de uiteindelijke bedoeling vanzelfsprekend de arbeidersbeweging in Frankrijk over een breed front te radicaliseren. Die flexibele tactiek - flexibel omwille van haar (con)tekstuele associaties - slaagt wonderwel. Dat brengt Trotski, die gemotiveerd wordt door het ontstaan van het Volksfront in Frankrijk en in Spanje, ertoe te argumenteren dat de beweging best opnieuw een autonome koers kan varen. Het grote schisma in het Franse trotskisme dateert evenwel van 1952. Dan ontstaat het lambertisme, gebaseerd op een andere interpretatie van de entrisme-praktijk, dan die door de dominante oriëntatie toentertijd binnen de Vierde Internationale beijverd. Binnendringen ditmaal in de Communistische Partij en wel op verheimelijkte manier, omdat het wantrouwen vis à vis het trotskisme op dat moment gevaarlijk groot is. Het lambertisme is dit entrisme aanvankelijk weinig genegen. Als de lambertisten zich er van lieverlede toch langzaam toe laten verleiden, opteren ze ervoor met dit mollenwerk zich op de nieuw opgerichte socialistische partij, op de sociaaldemocratie, en niet op de PCF en haar mantelstructuren, te richten. Nu staat de lambertisten niets langer in de weg om op slinkse wijze allerlei plaatsen in te nemen, ook de hoogste, binnen de meest diverse institutionele verbanden in de Franse samenleving en binnen statelijke en andere organisaties, nauw gelieerd met de uitdijende welvaartsstaat. Eenmaal de kapitalistische maatschappij ineengestort en een socialistische samenleving ontstaan, kunnen die apparaten zonder veel moeite worden overgenomen en onder gewijzigde leiding verder blijven werken. Ondertussen is het geenszins nodig enig hinderlijk gewetensbezwaar te cultiveren over wat je doet of nalaat te doen. Integendeel, openlijke politieke of sociale actie dient - en dit om diverse redenen - als nutteloos, ja contraproductief te worden beschouwd. Het kapitalisme wordt wel door zijn interne tegenstellingen ingehaald. De revolutie krijgt haar gram. De lambertisten noemen zich daarom liever attentist. De uitdrukking entrisme wordt uit het officiële vertoog geschrapt. Plenel militeerde voor een tweede trotskistische splintergroep, de LCR, die diametraal tegenover het lambertisme stond. Hij heeft nooit een hoge dunk van dit zogenaamde attentisme gehad. In Secrets de jeunesse maakt hij des te meer brandhout van de partijgenoten van het lambertisme, omdat ze er boosaardig beducht op waren, de politieke grondovertuiging die ze beweerden aan te kleven, systematisch te verhelen. Denkbaar onder omstandigheden van imminente terreur, zoals bijvoorbeeld in verband met de Sovjet-Unie of de PCF, zijn dergelijke houding en praktijken binnen een democratisch, transparant bestel theoretisch vals en praktisch immoreel. Het lambertisme is, in zijn ogen, een venijnig gevaarlijke mix van economische catastrofisme en Messiaanse verwachting, tot dogma verstard en erop gericht opportunistische uitbuiting van de gelegenheid een zeker aanzien te verlenen. Precies die klare, dissociërende scheiding van doel en middelen, van theorie en praxis: het stuitende nalopen van het succes van het moment, waarbij private voordelen onder de mom van een meer fundamentele publieke interesse worden weggeredeneerd, zit Plenel danig hoog. Jospin is een opportunist, een baantjesjager, en een hoog onbetrouwbaar sujet. Jospin kan in de ogen van Plenel kennelijk niet de presidentskandidaat van de socialisten noch die van links zijn. Maar wie dan wel? En zo niet nu, wanneer dan? De veeleer ‘paarse’ Dominique Strauss-Kahn die, na pijnlijk met het gerecht gebrouilleerd te zijn geweest, als topminister - en ideologische waakhond van Aubry - uit de regering Jospin ontslag moest nemen en nu een politieke terugkeer en grandeur voorbereidt? Strauss-Kahn vormt met Martine Aubry de speerpunt van Jospins think tank voor de verkiezingen. Of Mevrouw Aubry zelf? Aubry is tweede in lijn bij de PS en huidige burgemeester van Rijsel. Ze bezit, ook al ontmoet ze vanzelfsprekende laster en tegenstand, een onberispelijk curriculum. Aubry steunt, niet zonder reserve, het principe van de ‘actieve welvaarstaat’. Ze werpt zich des te meer op als vurige verdedigster van een ‘politiek van civiele nabijheid’. Allicht mede om die reden vertegenwoordigt Aubry in de ogen van velen, niet enkel de noodzakelijke pragmatiek van het compromis, inherent aan het feitelijke politieke bedrijf, maar ook en tegelijk de radicale idee van het politieke. Kan het dat Martine Aubry wacht tot Jospin zich een buil valt, om hem dan op eigen veld te verslaan - de polls zijn niet eenduidig aangaande de kansen van Jospin tegen Chirac. En dat ze, in de wetenschap, die Mitterrand haar kennelijk nog heeft voorgezegd, dat je ‘de presidentsverkiezingen niet inzet als een sprintnummer maar als een marathon’, zich nu al op een volgende campagne voorbereidt, die - dat is bij referendum vorig jaar beslist - niet binnen zeven maar binnen vijf jaar wordt gevoerd?

Noten
1/ Cf. L. Jospin: Le temps de répondre. Entretiens avec Alain Duhamel, Paris, Stock, 2002, 281 blz.. Verder: S. Raffy: Secrets de famille, Paris, Fayard, 2001, 438 blz., C. Askolovitch: Lionel, Paris, Grasset et Fasquelle, 2001, 416 blz.; G. Leclerc en F. Murraciole: Jospin. L’énigme du conquérant, Paris, JC Lattès, 2001, 280 blz..
Zie ook: G. Filoche: Ces années-là ou Jospin, Paris, Ramsay, 2001, 120 blz.; C. Nick: Les Trotskistes, Paris, Fayard, 2002, 616 blz.
Vgl. A. Chemin: ‘Pour lui, le trotskisme reste «une quête secrète», in Le Monde’, 1 mrs. 2002.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 4 (april), pagina 51 tot 52