Log in

Blommaert-Janssens: een ideologisch debat

Jan Blommaert is erin geslaagd een aantal mensen op een diepgaande manier in discussie te laten treden. Dat is op zich een niet geringe verdienste. Over het algemeen wordt er niet meer zo veel moeite gedaan voor een debat. Het moet vlug gaan, liefst voor de televisie. Dat men dan nauwelijks een argument kan ontwikkelen wordt er bijgenomen. Dat de echte discussie verstrikt raakt achter oppervlakkige nevenkwesties, liefst van persoonlijke aard, is dan niet te vermijden. Voor dit debat zijn zes mensen achter hun klavier gaan zitten. Ze hebben de tijd genomen, maar ze hebben ook het risico genomen om hun gedachten vast te leggen. Op 28 maart zijn de protagonisten ook nog in Gent samengekomen voor een gesprek. Marc Reynebeau leidde het in goede banen. Toch even meegeven dat hij vond dat de ideologische discussie het bestaan van Samenleving en Politiek ten goede komt. De vraag is nu of de discussie ook vooruit geraakt is. Worden meningsverschillen beslecht? Worden misschien nog nieuwe gezichtspunten aangebracht? Ik probeer een voorzichtige balans te maken.

Een plukboekje. Blommaert heeft het er moeilijk mee dat Janssens vertrekt van een emotionele definitie van socialisme. Deze laatste repliceert dat verontwaardiging analyses niet hoeft uit te sluiten. En hij voegt eraan toe dat analyses uit het verleden wel moeten aangepast worden aan de huidige realiteit. Geert Mareels vindt dat het inderdaad een zaak is van en … en. Hij waagt het om daarbij nogmaals naar Hendrik De Man te verwijzen, meer bepaald naar de betekenis die deze toeschrijft aan het sociaal-minderwaardigheidscomplex. In meer hedendaagse bewoordingen noemt Mareels dat een psychologie van de afgunst. Bij De Man was het wel degelijk ingebed in een analyse in termen van klassenstrijd. Op wereldniveau zou dat mechanisme van de afgunst nog altijd kunnen spelen. Holemans en Coolsaet vinden wel dat de analyse van Janssens niet ver genoeg gaat. De eerste noemt ze eendimensioneel en verouderd, de tweede rudimentair. Jones vindt dan weer dat ze zonder meer tekort schiet. Wie heeft gelijk? Het boekje van Patrick Janssens telt net geen honderd bladzijden. Tegenover de duizenden bladzijden van andere auteurs - noem maar Karl Marx - is dat twee keer niets. Maar Janssens had dan ook niet de ambitie om een allesomvattende analyse te geven. Die avond in Gent sprak hij van een ‘plukboekje’, een bundel ideeën om wat in te snuisteren. Het was de uitwerking van een open brief die rond nieuwjaar 2001 gepubliceerd werd. Janssens wilde de bestaansredenen van zijn partij in de verf zetten, op een ogenblik dat deze zich in een crisis bevond. Hij wilde vooral verstaanbaar blijven. En hij wilde ook elementen aanbieden waarop kan voortgeborduurd worden. Geen afgewerkt academisch verhaal, maar precies een uitnodiging om mee te spreken. Blommaert kon niet overtuigd worden. Hij wil geen academische bezwaren opperen, hij wil vooral aanklagen dat de socialistische beweging de utopie onderbelicht. Partij en vakbond verliezen zich in het dagdagelijks beleid en werken niet meer aan een motiverend verhaal. Zij leveren de utopie over aan het Vlaams Blok! Hij gaat er niet op in als Janssens zijn ambitie om een samenleving te realiseren die iedereen voldoende ontplooiingskansen geeft precies een utopie noemt. Deze ontkent niet dat het niet altijd makkelijk is die te verzoenen met beleidsdeelname. Holemans waarschuwt dan weer dat het haalbare niet altijd wenselijk is en geen excuus mag worden. Welvaart kan niet meer op een klassiek sociaaldemocratische manier ingevuld worden. Maar hij kan toch moeilijk ontkennen dat die sociaaldemocratie de ecologische component al langer in rekening brengt.

Klassenstrijd. Blommaert betreurt dat Janssens de klassenanalyse laat schieten. Deze vindt inderdaad dat een analyse in termen van klassen niet meer dezelfde kan zijn als in de negentiende eeuw. Geen van de vier commentatoren valt Blommaert bij. Holemans gaat in zijn tekst op dit punt niet in, tijdens het gesprek volgt hij Jones. Coolsaet noemt de klassenanalyse onvruchtbaar. Hij ontkent het bestaan van klassen of klassentegenstellingen niet, maar wie daar vandaag aan uit wil geraken komt niet verder dan: er moet meer sociale gelijkheid komen. Mareels doet nog een stap meer. Het Noorden is gewoon zo rijk geworden dat sociaaldemocraten zich niet alleen maar op de armen kunnen richten. Zij dreigen zelfs met een identiteitsprobleem geconfronteerd te worden. Peter Tom Jones vindt dat de klassenanalyse scherper moet worden gesteld en uitgebreid. Hij probeert het met het begrip multitude, dat hij ontleent aan Negri en Hardt. Het verwijst naar een netwerk van organisaties en individuen aan de basis die zich verzetten tegen de kapitalistische logica. Hij is niet uitvoerig, maar het lijkt me toch niet zo maar overeen te komen met het mechanisme dat ooit de voortgang in de geschiedenis moest verklaren. Het minste wat men kan zeggen is dat Blommaert weinig steun krijgt voor zijn opvatting. Er zit voor hem een uitnodiging in om zich grondiger uit te drukken. Wellicht kan hij vertrekken van de idee - ook door Jones verwoord - dat de tegenstelling zich vandaag op een internationaal niveau situeert. Hij moet dan wel antwoorden op het probleem dat Mareels opwerpt: zou niet het hele Noorden wel eens aan de verkeerde kant van de strijd kunnen staan?

Basisdemocratie. Voor Blommaert gaat het echte debat over de verhouding van socialisme tot het kapitalisme. Moet het socialisme een strategie van coöperatie volgen of moet het zich overgeven aan een fundamentele kritiek? Worden de premissen van het systeem al dan niet aanvaard? En Janssens antwoordt dat hij wil uitkomen bij een serieuze bijstelling van het systeem, die de winstmaximalisatie en de totale vrijhandel beknot, maar dat hij geen andere weg ziet dan deze van de geleidelijkheid. Jones zal dit blijkbaar niet tegenspreken, want ook hij heeft het over een weg van lange adem, die moet vertrekken van concrete projecten die uitgaan van de basis. In Gent verklaarde hij uitdrukkelijk geen voorhoedepositie te willen innemen, maar toch niet in het kamp van de sociaaldemocraten terecht te willen komen. Ik zie echter niet in dat een sociaaldemocraat een principieel probleem zou hebben met basisdemocratie. Men kan er alleen over discussiëren of de basis voldoende gehoord wordt. Let wel, dat is natuurlijk van het allergrootste belang. De media dringen een razendsnel tempo op, dat het dikwijls heel moeilijk en soms zelfs onmogelijk maakt om lang democratisch te wikken en te wegen. Maar de sociaaldemocratie kan geen excuus inroepen om het niet te proberen. Janssens gaf toe dat het niet makkelijk is. Hij benadrukte dat hij in elk geval sceptisch staat tegenover referenda. Men moet samen met de mensen een beleid uitwerken. Kan dat via een participatieve democratie zoals in Porto Alegre? Hij wil eerst nog eens zien hoe het systeem echt in praktijk omgezet wordt. Zo duidelijk is dat allemaal niet. Wat is de rol van een politicus? Hij moet alleen maar het debat sturen. Volgens Janssens mag men van leiders een visie verwachten, maar die moet breed gedragen worden.

Reformisme. Holemans vergist zich wanneer hij de indruk geeft dat het reformisme een verschijnsel zou zijn van na de Tweede Wereldoorlog. Voordien zou de arbeidersbeweging radicaler geweest zijn. Hij moet er maar een ernstig historisch werk op naslaan, zoals het boek van David Sassoon One hunderd years of socialism. De tegenstelling tussen revolutionaire en reformistische doelstellingen zit gewoon in de beweging ingebakken. Trouwens, bijna alle verworvenheden die later tot de welvaartsstaat gerekend worden hebben hun wortels tot lang voor de Tweede Wereldoorlog. Het ‘Sociaal pakt’ heeft in 1945 eigenlijk vooral in een sluitend wettelijk systeem gesloten wat al vroeger bestond. Wanneer Holemans schrijft dat een reformistische opstelling niet kan samengaan met een volledige ondersteuning van de beweging voor een andere globalisering, doet hij alsof die beweging alleen maar radicaal met het kapitalisme wil breken. Naomi Klein en Noreena Hertz, toch twee toonaangevende figuren voor die beweging, breken niet met het kapitalisme als zodanig. Hertz verklaart uitdrukkelijk dat zij het kapitalisme en de vrije markt respecteert. Klein wil het misschien iets meer aan banden leggen, maar stelt finaal geen andere productiewijze voor. De beweging voor een andere globalisering is in elk geval heel verscheiden! Men mag zich vooral niet te vlug opwerpen als haar enige legitieme woordvoerder.

Een serieuze bijstelling. De vraag die Coolsaet stelt is heel pertinent: hoe serieus wil Janssens het systeem bijstellen? Er spreekt een wantrouwen uit dat dit wel niet ver zal zijn. Overigens vinden drie commentatoren dat hij niet radicaal genoeg is. Jones roept zelfs op te rebelleren. En ook al haast Coolsaet zich te onderstrepen dat de vrije markt als zodanig niet in vraag gesteld hoeft te worden, ook hij vindt dat Janssens het mechanisme van het kapitalisme radicaler in vraag zou moeten stellen. Holemans treedt dit bij. Alleen Mareels vindt dat dit niet kan, omdat de nationale politiek nu eenmaal zo onmachtig geworden is. Wie heeft gelijk? Janssens ontkent in elk geval niet dat een herverdeling op wereldniveau onvermijdelijk is. Men hoort hem echter niet zomaar zeggen dat het Noorden daar een prijs zal moeten voor betalen, maar Mareels heeft het bij het rechte eind dat het niet anders zal kunnen. En ook Jones zegt terecht dat het Westers welvaartspeil gewoon niet veralgemeenbaar is. Dat geldt ook voor Holemans die zich verweert tegen de misvatting dat ecologische problemen neveneffecten zouden zijn. Er zal geconsuminderd moeten worden, schrijft hij. Als Janssens zijn eigen opvattingen ernstig neemt zal de bijstelling toch serieus serieus moeten zijn. Dat moet ondubbelzinnig gezegd worden, ook aan een achterban die dit misschien niet leuk vindt. Of men zo ver kan gaan als Blommaert zou willen is een andere zaak. In Gent verklaarde hij dat men dat desnoods maar moet opleggen. De bevolking heeft jaren inleveringen geslikt, toen kon het wel. Hoe hij dat rijmt met een oproep om de middenklassen te mobiliseren rond issues als armoede is maar de vraag.

Paradigmawissel. Blommaert verdenkt er Janssens van alleen maar verontwaardigd te zijn vanuit een paternalistische positie. Hij zou de problemen van de derde wereld alleen maar willen oplossen door het kapitalisme te veralgemenen. Als dat het geval is, kan hij niet ook opkomen voor een eerlijke prijs voor grondstoffen en arbeidskrachten en voor een kwijtschelden van schulden. Op die manier pleit hij wel degelijk voor een inperking van het kapitalistische systeem. Ik begrijp Peter Tom Jones niet wanneer hij daar smalend over doet. Waar Janssens pleit voor internationale regels stelt hij dat er toch regels zijn: gedereguleerde regulering in dienst van het kapitaal. Komaan zeg. Daar moeten dan regels voor in de plaats komen die het kapitaal juist minder dienen. Misschien moet Janssens op dit vlak een en ander verder verduidelijken, misschien moet de sociaaldemocratie op een plechtige en officiële wijze het blinde vooruitgangsgeloof afzweren, maar daarvoor hoeven geen principiële barrières genomen te worden. En dat dit neerkomt op een paradigmawissel, zoals Jones in Gent in het midden wierp is juist. Groei mag niet langer centraal staan en middelen moeten in overeenstemming gebracht worden met het doel, zei hij. Maar hij had net zo goed Norbert De Batselier kunnen citeren of zelfs de teksten van het Toekomstcongres. Op een bepaald moment zei Janssens een eigenaardig déjà vu-gevoel te hebben. Hij hoorde zaken die hij in de jaren zeventig gelezen had. Hij heeft gelijk. Misschien moet de beweging voor een andere globalisering eens grasduinen bij Herbert Marcuse, Ivan Illich, André Gorz en dichter bij ons bij Hans Achterhuis en Rudolf Boehm. Misschien zal die beweging dan beter begrijpen dat veel van de huidige oudjes zelf intellectueel opgegroeid zijn met ideeën die niet zo ver van die van hen verwijderd zijn.

Effectenrapport. Blommaert zelf gaat heel ver wanneer hij schrijft dat ijveren voor sociale rechtvaardigheid de situatie in de derde wereld alleen maar slechter kan maken. En hij heeft het dan over de strijd tegen kinderarbeid, voor goed onderwijs, degelijke loonafspraken en veilige werkomstandigheden. Ik vind zelf dat er over kinderarbeid vaak te ongenuanceerd gedacht wordt, maar wie zich verzet tegen iedere sociale vooruitgang, uit naam van de rechtvaardigheid, verplicht zichzelf tot nietsdoen. Ook Marx was ervan overtuigd dat sociale strijd vrij nutteloos is. Hij vond deze zelfs gevaarlijk, want daardoor kon de revolutie alleen maar langer uitgesteld worden. Het systeem moet zich alleen maar consequent ontwikkelen om op termijn een nieuw systeem mogelijk te maken. Wie pleit hier voor een kapitalistische logica? Gelukkig vindt ook Mareels dat er op internationaal niveau stevige sociale rechten moeten zijn. Hij lanceert overigens een interessante idee, namelijk van een internationaal fonds voor sociale zekerheid. Coolsaet wil dan weer een soort Marshallplan voor de derde wereld. Janssens verdedigt terecht ethische acties en consumentenacties. Niet dat deze op zich een betere wereld zullen realiseren, maar ze leveren daar toch een bijdrage toe. En misschien zijn zij vooral belangrijk om het bewustzijn van de Westerling aan te scherpen. Een sociaal label is natuurlijk niet waterdicht, maar het verbetert zichtbaar de omstandigheden van een (beperkt) aantal mensen in de derde wereld. Dat dit label in de Belgische wetgeving opgenomen wordt, is overigens een verdienste van de partij van Patrick Janssens. Net zoals zijn partij in het parlement een van de belangrijke promotoren van de Tobintaks is. Als straks in dat Belgische parlement over een wetsontwerp voor een Spahnvariant gedebatteerd en gestemd wordt, zullen socialistische volksvertegenwoordigers daar een niet geringe verdienste aan hebben. De discussie over het sociaal label, die bijna 10 jaar aangesleept heeft, illustreert overigens hoe traag het parlementaire werk zich voortsleept. Blommaert zei in Gent dat we het gaspedaal toch wat dieper moeten indrukken. We moeten beseffen dat al wat we doen effect heeft in de derde wereld. We moeten een soort ethisch effectenrapport ontwikkelen. Gaat dat dan fundamenteel zo veel verder?

Onderwijs en arbeid. Blommaert vindt dat Janssens onderwijs te veel beoordeelt in functie van zijn economische efficiëntie. Ook Holemans en Mareels lijken dat te vinden. De laatste vindt dat onderwijs de democratie moet dienen. Holemans vindt dat het er niet op aankomt goed functionerende mensen, maar kritische mensen af te leveren. Beide kunnen alleen maar gelijk hebben. Janssens heeft zich recent heel intensief in de publieke discussie over onderwijs gemengd. Het gaat hem duidelijk niet om economische efficiëntie. Hij wil weerbare - dat zijn kritische - mensen die op een behoorlijke manier mee gestalte geven aan een democratische samenleving. Nergens anders dan in het onderwijs ziet men zo duidelijk dat er toch nog een verschrikkelijke ongelijke verdeling in kansen is. Daar zit een behoorlijke uitdaging aan de democratie in. Terecht bemerkte Janssens in Gent dat in het onderwijsdossier de grens tussen links en rechts zichtbaar wordt, wat op de eerste plaats te maken heeft met de wil om al dan niet in te grijpen in structuren. Blommaert vindt ook dat Janssens een te enge visie op arbeid heeft. Hij vertrekt te veel van de idee dat werken alleen maar kan in loonverband. Hijzelf pleit voor een betere waardering voor zorgarbeid. En hij krijgt bijval van Holemans, die vindt dat de arbeid gewoon te centraal staat voor de sociaaldemocraten. Hij geeft Blommaert trouwens ook gelijk dat men datzelfde ziet wanneer Janssens pleit voor de mogelijkheid van gepensioneerden om nog betaalde arbeid te verrichten. Ik denk dat het juist is dat de visie van Janssens over arbeid maar rudimentair uitgewerkt werd. Ook hier zie ik evenwel weer geen principiële problemen. En hij heeft zeker gelijk om voorzichtig te zijn om vrouwen niet uit de arbeidsmarkt te verdringen. Het pleidooi van Blommaert voor maatschappelijk nuttige arbeid, die vandaag niet vergoed wordt is misschien ontroerend. Maar als het effect is dat vrouwen terug aan de haard gezet worden - al dan niet met een loon - dan zet men pijnlijke stappen terug. En men moet hoe dan ook oppassen met de idee dat arbeiders in de fabriek verkommeren in een triestig en eentonig bestaan. Ook minder hoog geschoolden putten fierheid en zingeving uit hun werk. Voorwaarde is dat zij dat in behoorlijke omstandigheden en voor een goed loon kunnen doen. Niet iedereen moet per se hooggeschoold zijn. Iemand riep trouwens vanuit de zaal op omzichtig te zijn met dat woord scholing. Minder geschoolde mensen zijn geen minderwaardige mensen. Misschien hebben we het trouwens beter over ‘anders geschoolde mensen’.

Doel en middel. Blommaert valt Janssens ook nog aan op wat hij geschreven heeft over overheidsinstellingen. Die gaf in zijn repliek toe dat er inderdaad goede overheidsbedrijven en slechte privébedrijven zijn. Hij wil ook dat een publieke dienstverlening verzekerd blijft. Holemans vindt de hele discussie over de middelen eigenlijk verkeerd. Het moet gaan over democratie. Hij heeft gelijk, maar dat belet niet dat de middelen effectief geen doelstelling kunnen zijn. Janssens zei tijdens de gespreksavond dat het bijna een natuurlijke evolutie is dat bewegingen op een bepaald moment meer vechten voor het behoud van de eigen structuren dan voor hun doelstellingen. Fijntjes voegde hij eraan toe: men ziet dit nog niet zo bij Agalev, maar de eerste symptomen zijn toch al zichtbaar. Holemans gaat nog even in op de maatregel om de gezinnen jaarlijks gratis 500 kW elektriciteit te geven. Hij noemt dat een weinig sociale en ecologische maatregel. De laagste verdieners zullen er het minst aan hebben omdat zij weinig kunnen kiezen in de energiebron die zij gebruiken. Misschien, maar Holemans zal ondertussen Geert Mareels gelezen hebben en er misschien van overtuigd geraakt zijn dat er in ons land niet alleen maar arme mensen leven. Ook wie minder arm is moet een stimulans krijgen.

Wie heeft gelijk? De vraag is niet zo belangrijk. Belangrijk is te zien dat de discussie in essentie over twee vragen gaat: is de sociaaldemocratie vandaag radicaal genoeg? En welke visie op arbeid moet zij voorstaan? Op de eerste zal Blommaert misschien geen voldoende antwoord gekregen hebben. Hij wil heel radicaal zijn. Janssens is radicaal in zijn doelstelling, voorzichtig realistisch in de weg die hij kiest. Verliest hij daardoor onvermijdelijk aan radicaliteit? Het is een oude vraag, waar niemand met zekerheid op kan antwoorden. In praktijk gaat het volgens Janssens om: kan men iets realiseren of moet men zich beperken tot academische discussies? Het is niet uit te sluiten dat wie kiest voor kleine veranderingen uiteindelijk het systeem versterkt. Maar het lijkt mij zo goed als zeker dat wie zijn handen niet durft vuil maken ter plaatse blijft trappelen. De visie op arbeid van Janssens hoeft niet zo ver van deze van Blommaert verwijderd te zijn. Het moet duidelijk zijn dat een sociaaldemocratie zich niet tevreden kan stellen met een ouderwets arbeidsethos. Arbeid moet meer zijn dan loonarbeid, de zinvolheid van een bestaan gaat verder dan de arbeid, al is arbeid daarin toch een belangrijk element. Men moet er wel voor oppassen de realisaties van de vrouwenstrijd niet op de helling te plaatsen. En eigenlijk moet men in deze discussie het werk van Hannah Arendt bovenhalen. Haar concepten van arbeid-werk-handelen bieden plaats genoeg om een evenwichtige mensvisie uit te bouwen.

Een balans. Is er vooruitgang te zien in de discussie? Ik vrees dat veel standpunten ongewijzigd blijven. Ik stel nogal ontgoocheld vast dat zelfs na publicatie van een aantal nuanceringen en verduidelijkingen Patrick Janssens vastgepind blijft op posities die hij absoluut niet verdedigt. De gedachtewisseling was kennelijk toch in hoofdzaak een eenrichtingsverkeer. Janssens noemde ideologie een rationalisering van emoties. Misschien heeft hij wel gelijk. Toch blijft er aan beide kanten een uitnodiging om zaken verder uit te werken. Blommaert moet aan zijn klassenanalyse werken, Janssens aan zijn arbeidsbegrip. Misschien moet deze laatste zijn doelstellingen nog wat scherper stellen en daarbij vooral de consequentie voor de consumptie in het Noorden ondubbelzinnig formuleren. Blommaert moet dan weer de moed hebben om echt op tafel te leggen wat het kan betekenen om revolutionair te zijn. Het zou wel eens kunnen dat hij in praktijk zal pleiten voor posities die niet zo verschillend zijn van deze van de sociaaldemocraten. Op minstens een punt zou de discussie over moeten zijn: Geert Mareels heeft ongetwijfeld gelijk dat de tegenstelling over emoties en analyse een valse tegenstelling is. Zelfs de discussie over de overheidsinstellingen moet eigenlijk niet veel langer gevoerd worden. Middel of doel? Holemans situeert die terecht binnen een discussie over democratie. Ik denk dat het goed zou zijn om daarop door te gaan. Het boek van Dirk Holemans over burgerschap en democratie kan overigens een goed uitgangspunt zijn. Belangrijk is dat democratie niet beperkt wordt tot de optelling van zo veel mogelijk meningen, de referendumdemocratie. Een democratie moet ook stem geven aan wie niet zo makkelijk praat.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 5 (mei), pagina 4 tot 9