Abonneer Log in

Werken in de actieve welvaartsstaat: minder en beter werken om goed te kunnen leven

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 5 (mei), pagina 19 tot 35

Het model van de actieve welvaartsstaat maakt niet alleen in België, maar ook in Europa opgang. In dit model staat arbeidsparticipatie als maatschappelijke doelstelling voorop. De hoofdgedachte is dat arbeid de beste garantie is voor actief burgerschap omdat het de verbindingsschakel vormt tussen individu, samenleving en politieke gemeenschap. Criticasters van de actieve welvaartsstaat hebben het dan over de actieve werkstaat waarin elke burger verplicht wordt te werken zonder dat er noemenswaardige aandacht is voor de kwaliteit van de arbeid, de relatie van arbeid tot andere levenssferen en sociale vrijheden. Het gaat om ‘werk, werk, werk’ en niet om het soort werk. Zij vrezen ook dat deze doelstelling zal gepaard gaan met de geleidelijke afschaffing van de ‘passieve’ verzorgingsstaat en dus zal neerkomen op de ontmanteling van het socialezekerheidsapparaat. In plaats van uitkeringen te verlenen moeten er immers op alle manieren kansen op werk geschapen worden. In deze bijdrage willen wij de rol belichten die arbeid vanuit een emancipatorische visie zou moeten (kunnen) spelen in de actieve welvaartsstaat. Hoger vermelde kritieken worden daarbij niet genegeerd, maar voeden deze rol mee. Arbeid wordt gezien als een structurerende en integrerende factor die tot het goede leven moet bijdragen.

Arbeid heeft nog een toekomst

Onder invloed van het hardnekkig werkloosheidsfenomeen laaiden het voorbije decennium de vertogen inzake het einde of het schaarser worden van de arbeid hoog op. Getuigen hiervan zijn o.m. de eminente werken van de Amerikaanse economist Jeremy Rifkin The End of Work, de Franse filosofe Dominique Méda Le travail: une valeur en voie de disparition en de Nederlandse professoren Klamer, van der Laan en Prij De illusie van volledige werkgelegenheid. Deze titels illustreren het veelzijdige karakter van het discours waarbij diverse zaken vermengd worden: het einde van de ordeningsfactor ‘arbeid’ en de subrogatie door het basisinkomen; de verkruimeling van een bepaald soort arbeid en het al dan niet opborrelen van nieuwe vormen van arbeid; het einde van het traditioneel mannelijk kostwinnersmodel en de transitie naar een nieuw werkgelegenheidsmodel, gesteund op volwaardige werkgelegenheid. Deze vraagstellingen hadden ongetwijfeld als verdienste dat zij in de sociologie, de economie en de filosofie een beweging op gang hebben gebracht die de overal aanwezige reductionistische economische visie fundamenteel in vraag stelde (Harribey, 2000: 19). Zij droegen ook bij tot nieuwe reflecties in verband met een verbreding van het arbeidsbegrip en tot de zoektocht naar innovatieve wegen om de kwaliteit van werk en leven te verbeteren. Toch waren deze vertogen overtrokken en werden zij tegengesproken door de feitelijke evoluties op de arbeidsmarkt. Het aantal personen dat aan het werk is, neemt immers toe. De werkgelegenheid - arbeid - wordt voortdurend her(r)ijkt: bepaalde types van arbeid verschrompelen, maar nieuwe duiken op, oude markten krimpen, maar nieuwe niches ontstaan, het ‘lifetime-employmentmodel’ staat onder enige druk, maar het ‘lifetime-developmentmodel’ probeert door te stoten, jobdestructie en jobcreatie gaan soms op een eigenaardige manier samen, de arbeidsparticipatie neemt in aantal toe … De intrinsieke dynamiek van arbeid in ons socio-economisch bestel mag zeker niet onderschat worden. Sommige auteurs wijzen met veel reden op de expansiekracht die samenhangt met de logica van het valoriseren van kapitaal (Wühl, 1999: 145-146). Een dergelijke logica houdt door de jarenlange syndicale en emancipatorische strijd in dat gesalarieerde arbeid als doorslaggevend toegangsbewijs geldt tot het verwerven van bestaanszekerheid - financieel maar ook participatief. Omwille van het feit dat de kapitaalsdynamiek zich verspreidt over andere levensdomeinen zoals ecologie, kunst, huishouden, politiek en vrije tijd, gaat ook de ermee verbonden arbeidslogica mee over naar deze domeinen. Daardoor komt gesalarieerde arbeid quasi alom als een centrale conceptgegevenheid te staan. Opdat dit niet meer het geval zou zijn, moet er een brede maatschappelijke reflex ontstaan, waardoor de relatie kapitaal-arbeid ten voordele van een ander soort sociale relatie kan worden ingeruild met behoud van de integratiemechanismen. Het aantrekkelijke discours van het basisinkomen ten spijt, stellen we vast dat er in de huidige maatschappelijke oriëntaties geen krachtenveld is dat een dergelijke nieuwe relatie tot stand brengt. Vooralsnog kan er geen verhouding in de plaats van het kapitaal-arbeidverband treden.

Wat meer is, de vaststelling lijkt te zijn dat hoe meer arbeid de integratie- of ordeningsrol moet delen met andere factoren of levenssferen, hoe belangrijker zijn rol wordt. Deze paradox steunt enerzijds op de gegevenheid dat arbeid een duaal karakter heeft: arbeid vervreemdt en integreert tegelijkertijd. Anderzijds wordt deze gevoed door de kwalificatie van beperkende factor inzake maatschappelijke integratie die op arbeid kleeft: arbeid is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor integratie. Dit hoeft ons niet te verwonderen aangezien arbeid een centrale rol vervult in deze samenleving en de socialisatie- en ordeningsfactor bij uitstek is. Het gebrek aan arbeid beperkt de maatschappelijke participatie. In die zin is er een nauwe band tussen arbeid en burgerschap, of deze nu gesteund is op het socialeaansprakenmodel van Dahrendorf, het workfaremodel van Mead of het wederkerigheidsmodel van de voorstanders van de actieve welvaartsstaat (Engbersen, 1994: 59-62). Sommigen gaan zelfs zo ver om te stellen dat arbeidsdeelname de facto belangrijker is voor politieke en sociale integratie dan het verwerven van stemrecht (Lalive d’Epinay, 1999: 47). Alhoewel wij deze these niet kunnen bijtreden en met de filosofe Hannah Arendt de vita activa, de maatschappelijk-politieke participatie, als ultieme zijnsreden zien. Toch willen wij de centraliteit van arbeid in ons maatschappelijk bestel niet negeren.

Werkloosheid ontkent de toekomst

De centraliteit van arbeid komt veelal in zijn ‘negatieve’ vorm tot uiting, namelijk bij werkloosheid. Onderzoek wijst uit dat het gebrek aan werk vervreemdende gevolgen heeft op diverse terreinen. Zo is de confrontatie met - vooral langdurige - werkloosheid problematisch voor de overgrote meerderheid van werklozen zowel op psychisch, fysisch als sociaal vlak (De Witte, 1995: 81). Werklozen hebben een lager niveau van psychisch welzijn en vertonen een lagere levensvoldoening. Bij langdurige werkloosheid mag er dan al een aanpassingsstrategie optreden, zij kan een sterke inkrimping van de maatschappelijke betrokkenheid en de leefwereld van werklozen niet verhinderen. Sociaal-culturele teruggetrokkenheid is het ontegensprekelijke gevolg. Eén en ander kwam reeds tot uiting in het klassiek geworden Marienthal-onderzoek van de sociaal-psychologe Marie Jahoda. Zij stelde vast dat werklozen een andere ervaring met tijd hadden en psychologische frustraties vertoonden (Jahoda e.a., 1933). De Brusselse sociologische school wijst in het verlengde hiervan op het risico van generatiewerkloosheid en -achteruitstelling (Elchardus en Glorieux, 1995: 102-105; Elchardus e.a., 1996: 153-155). Fenomenen zoals racisme, fascisme, hooliganisme en vandalisme zijn deels uitingen van het maatschappelijk kwaad dat werkloosheid en uitsluiting veroorzaken. Maar ook het gezondheidsniveau van werklozen is alarmerend. Zo zijn de werklozen oververtegenwoordigd in het cliënteel van de diensten voor geestelijke gezondheidszorg. Het aantal zelfmoordpogingen onder werklozen ligt zesmaal hoger dan onder werkenden. Diverse studies tonen aan dat er tussen sociaaleconomische status en gezondheid een duidelijk verband bestaat, dat zich uit in levensstijl en levensomstandigheden en waarbij langdurige werkloosheid katalyserend werkt. Amartya Sen beschrijft treffend de vele kwalen die werkloosheid op individueel en collectief vlak veroorzaakt. Hij citeert daarbij niet alleen de hiervoor vermelde psychologische en gezondheidsproblemen maar ook het ‘technisch’ kwalificatieverlies, de aantasting van de intellectuele mogelijkheden, het motivatieverlies, de ondermijning van de gezins- en samenlevingsrelaties, de vermindering van het verantwoordelijkheidsbesef en de mogelijkheid tot het creëren van spanningen tussen leefgemeenschappen en tussen mannen en vrouwen. Evenzo onderlijnt hij de economische deficiënties verbonden aan langdurige werkloosheid die niet enkel productieverlies en hogere overheidsuitgaven inhoudt maar ook gepaard gaat met blokkeringen op vlak van de organisatie van de arbeid en het technisch innovatievermogen (Sen, 1997: 174-178).
Even belangrijk als deze negatief correlerende factoren is de vaststelling dat de centrale rol van werk en arbeid nog steeds breed erkend en ‘geclaimd’ wordt. Niet alleen uit recent onderzoek bij jongeren blijkt een sterk arbeidsethos. Een studie van Rosseel wijst ook op het determinerend patroon van werkoriëntaties, de manifeste werkgerichtheid van werkzoekende cursisten en de vrees voor uitholling van elke vorm van werkzekerheid (Rosseel, 1993: 20-24). Glorieux accentueert op grond van zijn bevindingen de multifunctionaliteit van werk en illustreert dit o.m. door een beschrijving van hoe werklozen bepaalde niet-reguliere werkvormen gaan institutionaliseren (Glorieux, 1995).

De sterke werkbetrokkenheid is ook duidelijk aanwezig bij de minst kansrijken op de arbeidsmarkt blijkens ervaringsgerichte onderzoeken van diverse werkveld-ngo’s (OOTB, Vitamine W, VIBOSO, …). Hoeft het bovendien gezegd dat de meeste emancipatorische bewegingen, de oude en de nieuwe, werk prioritair vooruitschuiven als maatschappelijke waarde? In de trias ‘werk, tijd en inkomen’ staat de eerste component dus nog duidelijk voorop. Deze erkenning steunt niet alleen op het feit dat het inkomen uit arbeid de voornaamste bron van materiële welvaart vormt, maar ook op de vaststelling dat arbeid in tegenstelling tot inactiviteit hét middel is tot zelfrealisatie en tot maatschappelijke, culturele en politieke participatie in onze samenleving. De latente functies van arbeid hebben immers betrekking op sociale netwerking, doelgericht en collectief handelen, statusverwerving en positiebepaling, vaardigheidsontwikkeling en tijdstructurering. Arbeid is dus de bindende kracht, het cement van de maatschappij, het inburgeringsinstrument bij uitstek. Al mogen deze functies op het individueel niveau van de burger liggen, de samenhoping van de individuele niveaus zal baat brengen aan de gehele samenleving en het globale welvaarts- en welzijnspeil verhogen. Centraliteit van arbeid betekent evenwel niet per se ‘verpletterende dominantie’ of destructie van andere levenssferen. Wij geloven dat arbeid best kan worden ingericht met volle respect voor deze sferen en binnen de globale wil om het goede leven te verzekeren. In die zin is een pleidooi voor een verdeling van het werk en bijgevolg een reductie van het arbeidsvolume per persoon verzoenbaar met de rol die wij aan arbeid toebedelen. Zelfs met een arbeidsvolume van twee uur per dag kan arbeid de rol van integrator en ordenaar aan. Deze arbeidsopvatting staat dan ook niet haaks op het onthaastingsdiscours, maar is er compatibel mee. Ten onrechte worden beide waarden door sommigen principieel tegenover mekaar geplaatst, wordt de actieve welvaartsstaat herleid tot een actieve werkstaat (Geldof, 2001: 20-21). Onze opvatting steunt zowel op de centraliteit van de arbeid als de gelijkwaardige erkenning van de sferen van de niet-arbeid.

Arbeid loont

Vanuit de geschetste gedachtegang lijkt het wenselijk om, zoals André Gorz stelt, de autonome activiteiten of, in de woorden van Arendt, de elementen van de vita activa te benaderen vanuit het arbeidsverband, het salariaat. Onder ‘salariaat’ of gesalarieerde arbeid verstaan wij met Gorz de ruime waaier van activiteiten die zich situeren in de publieke sfeer en die daardoor ‘maatschappelijk’ worden gedefinieerd en gevaloriseerd (Gorz, 1991: 168-173). Deze valorisering uit zich met name door de toekenning van een ‘maatschappelijk bepaald’ loon. Bij wijze van parenthese kan opgemerkt worden dat zelfstandige arbeid o.i. ook onder deze omschrijving valt, ook al is er hier technisch geen sprake van gesalarieerde arbeid. Maar de zelfstandige arbeid wordt eveneens op het publieke forum verricht en gevaloriseerd. De betaalde arbeid wordt door Gorz als heteronome arbeid gedefinieerd en daarmee vrij categoriek afgezet tegenover autonome arbeid. Autonome arbeid heeft volgens de auteur geen vervreemdend karakter en behoort tot het rijk van de vrijheid en de persoonlijke keuzes (Gorz, 1991: 205-211). Daarmee pikt Gorz aan bij het gedachtegoed van Hannah Arendt die een onderscheid maakt tussen arbeiden, werken en handelen. Arbeiden betreft het labeur van de animal laborans, behorend tot het domein van de natuurlijke noodzaak. De menselijke conditie van arbeiden is het leven zelf. Werken is de bezigheid van de homo faber die de kunstmatige wereld der dingen schept en bewerkt. De menselijke conditie ervan is het zijn in de wereld. Handelen maakt echter het Mens-zijn zelf uit en is niet gebonden aan dingen en materie. Het handelen overstijgt het rijk van de noodzaak en geeft vorm aan de vita activa, het politiek burgerschap. De menselijke conditie van het handelen is de pluraliteit van de mensheid (Arendt, 1994: 19-22, 1999: 25-48).

Men kan zich afvragen of de strikte opdeling tussen arbeiden, werken en handelen of tussen heteronome en autonome arbeid wel kan en moet opgaan. Deze scheiding miskent de toch wel dichotome aard van arbeid. Arbeid kent reeds lang een dubbele waardering. Arbeid wordt aanzien als vervreemdend in een politiek-economisch systeem maar ook als het middel bij uitstek voor de zelfrealisatie van de mens. Net zoals het leven zelf is arbeid een wisselende combinatie van vrijheid en gebondenheid, van lust en last, van emancipatie en vervreemding (Grozelier, 1998: 186-187). De ontwikkelingen op de arbeidsmarkt geven in tegenstelling tot voormelde auteurs voorts aan dat arbeiden, werken en handelen perfect kunnen samengaan, dat de inbouw van grotere autonomie in de heteronome arbeid mogelijk is, dat het aliënerend karakter van heteronome arbeid zich mengt met het persoonlijke aspect van de autonome arbeid, dat het ‘lustgehalte’ van arbeid kan omhooggetrokken worden (Leroy, 1998: 259). Dit wordt onder meer geïllustreerd in de uitbouw van de zorgarbeid, de professionalisering van politieke, educatieve en vrijetijdsactiviteiten, de ontwikkeling van de kennisarbeid, het beheer van de arbeidstijd via stelsels van loopbaanonderbreking, travail à temps choisi en tijdsfondsen, de opgang van de sociale economie en sedert kort ook via vraagzijdeaspecten zoals het ethisch verantwoord ondernemerschap en de stakeholdersbenadering. Deze visie op arbeid houdt nochtans niet in dat er een blind vertrouwen is in de factor ‘arbeid’. Dit zou getuigen van al te veel naïviteit gelet op de inbedding van deze factor in de kapitalistische maatschappij. Daarom wordt niet alleen geopteerd voor een vergroting van de gesalarieerde arbeid, m.a.w. een zo breed mogelijk toepassingsgebied, maar ook voor de bevordering van de kwaliteit van de arbeid en derhalve van het leven. De werkbaarheidsgraad vormt in onze ogen met de werkzaamheidsgraad een Siamese tweeling. Het alternatief waar sommigen voor pleiten, om ‘activiteit’ gelijk te stellen met ‘arbeid’ en in de plaats van deze te laten treden lijkt ons in het huidig maatschappelijk bestel veeleer neer te komen op een ‘apologetische theoretisering’ van de dualiteit van de samenleving. Dergelijke aanpak institutionaliseert - ongewild door de betrokken pleitbezorgers - een maatschappijmodel waarin sommigen aan alle maatschappelijke sferen kunnen deelnemen en anderen niet of minder. Hij vormt een eerder goedkoop alibi om een secundaire ‘arbeidsmarkt’ (levensmarkt?) te creëren voor de uitgerangeerden uit de primaire arbeidsmarkt via precaire jobs of niet duurzaam beloonde activiteiten. En dat kan nooit de opzet zijn van de actieve welvaartsstaat waarin volwaardige en gelegitimeerde participatie het uitgangspunt is.

Arbeid herijken

In dit denkkader staat ingevolge de hiervoor vermelde context de herijking van de arbeid voorop. Deze wordt benaderd vanuit vier deelfacetten.

Politieke handelingsruimte. Het eerste facet betreft het vergroten van de politieke ruimte binnen het arbeidsverband, van de autonomie in de heteronome werkgelegenheid. Al te zeer wordt door auteurs zoals Méda de loonarbeid, de heteronome arbeid, beperkt tot een contractuele relatie tussen een werkgever en een werknemer. Zij houden er geen rekening mee dat deze relatie meer regelt dan een louter materiële productie en meer is dan een op individuele leest geschoeid verband. Loonarbeid is ook een politiek-economische relatie die uitdrukking geeft aan een sociale verhouding, die collectieve en afgeleide rechten opent (sociale zekerheid, CAO-bescherming, overheidsoptreden middels arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding en bescherming van het welzijn op het werk) en die een maatschappelijke identiteit voortbrengt. De arbeidsovereenkomst regelt dus niet enkel de individuele inschakeling in de onderneming maar houdt een (h)erkenning in van de werknemer als lid van een juridisch beschermde collectiviteit. Loonarbeid heeft zo zowel een individuele als een collectieve dimensie (Grozelier, 1998: 169-170). Juist deze collectieve dimensie moet worden gevrijwaard. Hierin zit Arendts handelen en speech and action vervat. Daarom moeten geïndividualiseerde arbeidsvormen worden verlaten en dient het syndicaliserend vermogen van de arbeid te worden hersteld. Bovendien breidt de impact van de arbeidsverhouding zich uit tot het domein van de niet-arbeid. Zo sijpelen langzaam maar zeker niet-arbeidselementen in de gereglementeerde arbeidsverhoudingen binnen. Het contractueel kader (collectief en/of individueel) bevat in die gevallen ook arrangementen inzake de combinatie arbeid-gezin, het recht op loopbaanonderbreking, bepaalde tijdsvrijheden voor de werknemer, mogelijkheden of rechten inzake vorming en individuele ontplooiing. In een ontspannen arbeidsbestel zoals Vandenbroucke en de verdedigers van de actieve welvaartsstaat voorstaan, wordt de contractuele verhouding aldus duidelijk opengetrokken naar de niet-arbeidssfeer (Van Miert e.a., 2000: 58). De recente meerjarenakkoorden met de social-profitsector illustreren ten volle deze ruime benadering.

Werkverdeling. In de tweede plaats betekent de herijking van de heteronome arbeid dat deze arbeid gelijker wordt verdeeld tussen de werkenden en de werkzoekenden. In plaats van een arbeidsmarkt met aan het ene uiteinde een groter wordende groep van hardlopers en slokoppen van arbeidstijd en aan het andere uiteinde een grote groep van structureel uitgeslotenen, dient het arbeidsbestel zo te worden georganiseerd dat eenieder een gelijk aandeel heteronome arbeid opneemt. Dit aandeel, hoe klein dat ook zou worden bij een doorgedreven werkverdeling, blijft het centraal participatiemechanisme van de samenleving. Het drukt de solidaire inzet uit om mee gestalte te geven aan de uitbouw van een echte welvaartsstaat. Het feit dat werkverdeling een inkrimping van arbeid op individueel of collectief vlak impliceert, doet, zoals hiervóór reeds gesteld, geen afbreuk aan de centraliteit van arbeid. Daarom staat werkverdeling in ons kader nadrukkelijk mee voorop. Het is een middel om een meer gelijke verdeling van arbeid en niet-arbeid door te voeren voor alle actieven. Of om het nogmaals in de woorden van Gorz te zeggen Travailler moins pour travailler tous (Gorz, 1991: 274-284) of nog beter Travailler tous pour travailler moins. In dit kader zou als arbeidsmarktwetmatigheid moeten gelden dat de arbeidstijd wordt teruggebracht tot de per persoon beschikbare arbeidstijd (Leroy, 1994: 34-38). Met persoon wordt hiermee bedoeld elkeen die zich op de arbeidsmarkt wenst aan te dienen. Deze arbeidsmarktwetmatigheid moet gekaderd worden in de verwezenlijking van de volwaardige werkgelegenheid en bijgevolg tegelijkertijd de verdeling van het onbetaald werk en de vrije tijd impliceren. Volwaardige werkgelegenheid houdt in deze context dan ook in dat via het verdelingsschema het individu de garantie krijgt van betaalde arbeid én van niet-betaalde activiteiten. Het beoogde werkgelegenheidspeil slaat op de verdeling van de arbeid die in onze samenleving noodzakelijk en wenselijk is om welvaart te bereiken voor alle leden van deze samenleving.

Inclusie van zorgarbeid. Het derde facet betreedt het pad van de betaling van de zorgarbeid en het includeren van deze arbeid in het concept van volwaardige werkgelegenheid (Diels, 1996: 105-108). Deze trend is al enige tijd ingezet en komt in de uitbouw van de social-profitsector steeds nadrukkelijker naar voor. Het zou wenselijk zijn hierop in te spelen door het institutioneel kader aan te passen, zodat de inschakeling in zorgarbeid niet alleen wordt bevorderd, maar op gelijke voet komt te staan met de andere arbeidsvormen in de publieke sfeer. Zo niet stimuleert men het klassiek discours van de ondergeschiktheid van de social-profitsector aan de traditioneel economische profitsector en werkt men een arbeidsmarkt met twee snelheden in de hand. Zorgarbeid is net zoals andere arbeid een deel van de voor de samenleving noodzakelijke arbeid. Sommigen twijfelen aan deze aanpak en vrezen - in Habermas’ termen - voor een voortschrijdende kolonisering van onze leefwereld, waarbij alle segmenten worden onderworpen aan een ‘economistische’ logica (Diels, 1996: 91-92). Terecht wordt door hen de vrees geuit dat door deze inclusie de zorgarbeid dreigt ‘besmet’ te raken met de ‘dwangmatigheden’ van de economisch productieve arbeid, zoals het maximaliseren van de productiviteit, het elimineren van de communicatieve en persoonlijke aspecten, de versnelling van het arbeidsritme en dergelijke meer. Deze kritiek gaat evenwel ten dele voorbij aan de ontwikkelingen binnen de economie zelf waarbij, mede onder invloed van de technologische progressie en de aard van ons economisch bestel, het belang van het human-resourcesmanagement toeneemt en de communicatieve en persoonlijkheidsaspecten meer op de voorgrond treden. De voortschrijdende tertiarisering van de industrie, de uitbouw van de kenniseconomie en de ontwikkeling van de social-profitsector en de nieuwe dienstenwerkgelegenheid dragen hier als actuele tendensen in hoge mate toe bij. Het employabilitydiscours dat nu vooral een productieve betekenis heeft, gericht op economische rendabiliteit, zal zichzelf ontpellen tot een ontplooiingsverhaal. Competentiemanagement kan niet anders dan individuen in hun ontwikkelingsmogelijkheden versterken en aldus bijdragen tot het meer ‘verpersoonlijken’ van arbeid. Aldus wordt via de zorgarbeid de economie ook gehereconomiseerd (Janssen, 1995: 68). De economie moet immers een voldoende zorgkwaliteit in zich hebben zo stelt Raf Janssen. Hij pleit inzonderheid om ‘het zorgfundament dat de arbeid van vrouwen en de arbeid van de natuur onder de moderne markteconomie hebben gelegd’, als een wezenlijk kernelement van de economie te beschouwen (Janssen, 1995: 75). Door de opname van de zorgarbeid in de economische rationaliteit zou deze rationaliteit beter afgestemd raken op de kwaliteit van het leven. Aldus komen wij tot een meervoudige of meerwaardige economie waarbij nieuwe waarden in het socio-economisch bestel binnentreden, waarden die perfect aansluiten bij de principes van de actieve welvaartsstaat.

Duurzaamheid. Het vierde facet heeft betrekking op het begrip ‘duurzaamheid’. Dit begrip heeft in deze context meerdere doch aanvullende betekenissen die zowel slaan op het duurzaam karakter van de werkgelegenheid als op een vorm van duurzaamheid in de werkgelegenheid (Landuyt, 2000: 47-48); m.a.w. duurzame arbeid heeft zowel een breedte- als een dieptebetekenis die nauw aansluit bij de hiervóór vermelde invalshoeken. De duurzaamheid in de diepte heeft betrekking op de kwaliteit van de werkgelegenheid die waarborgt dat het individu maximaal aan bod komt, niet enkel als productieve eenheid maar ook als burger. Daarom zal het werk volwaardig moeten zijn met een speech-and-actiondimensie, maar ook met een brugfunctie naar de andere levenssferen. Duurzame werkgelegenheid houdt voor het individu dus ook een geïntegreerde benadering van bijvoorbeeld mobiliteit, kinderopvang en vorming in. Duurzame werkgelegenheid refereert in de breedte naar werk- en loopbaanzekerheid. Hiermee doelen wij niet zozeer op de klassieke verzekering van lifetime employment maar wel op een nieuw model van lifetime development. De deelname aan het arbeidsproces geeft de burger het recht op een verzekerde loopbaan die hem of haar toelaat zich ruimer te ontplooien. Via een tijdsfonds bouwt de participerende burger rechten op die de individuele ontplooiing, associatieve inschakeling, autonome tijdskeuzes en politieke participatie mogelijk maken in een zo soepel mogelijk georganiseerd systeem van werken en niet werken, van werkgelegenheid en anderssoortige activiteiten. De diepte- en breedtebetekenis van duurzame werkgelegenheid slaat niet alleen op het microniveau, maar ook op het macroniveau. De transformatie van de industriële samenleving naar de risicomaatschappij brengt met zich mee dat er niet enkel meer een ‘strijd’ is over de verdeling van de maatschappelijke rijkdom, maar ook meer en meer een strijd over de verdeling van de maatschappelijke risico’s. Drie soorten risico’s komen hierbij in het sociologisch vertoog nadrukkelijk tot uiting: de ecologische, de sociaaleconomische en de individualiseringsrisico’s. Terecht stelt Geldof dat deze nieuwe risico’s allesbehalve egalitair zijn omdat ze economisch, sociaal en cultureel kapitaal te ongelijk verdeeld zijn (Geldof, 1999: 77-80). Dit komt met name omdat de oude ongelijkheden blijven doorwerken in de nieuwe risico’s. De oude en de nieuwe breuklijnen versterken aldus mekaar. Met betrekking tot het werkgelegenheidsbeleid impliceert deze risicotheorie dat er vooreerst ten gronde en a priori moet rekening gehouden worden met de wetmatigheden van de natuur. Raf Janssen pleit dan ook terecht voor meer ‘bewarende arbeid’ (Janssen, 1992: 100-101; 1995: 65). Verder kunnen de sociaaleconomische risico’s enkel tegengegaan worden door een effectieve inhoud te geven aan het concept van de actieve welvaartsstaat waarin iedereen kansen tot integratie en participatie krijgt. De individualiseringsrisico’s kunnen ten dele voorkomen worden door een versterking van de collectieve dimensie van de arbeid. Dit veronderstelt meer netwerking tussen middenveldactoren, maar evenzo sterke en eigentijdse vakbonden die voor de insiders én de outsiders opkomen.

De actieve overheid

We gaan ervan uit dat arbeid nog geruime tijd zal gelden als een centrale waarde in onze samenleving en aldus een prioritaire socialisatie- en structureringsfactor zal blijven. Het einde van de arbeid kondigt zich nog niet aan. Dit betekent echter geenszins dat het begrip arbeid niet moet worden herijkt. Hiervoor is gepleit voor een dergelijke herijking via het vergroten van de autonomie en het politiek handelen in de heteronome arbeid, via een bewuste aanpak van arbeidsverdeling, via de inclusie van zorgarbeid en via de versterking van het duurzaamheidskarakter van de werkgelegenheid. Daarmee is evenwel de taak nog niet aangegeven van de overheid in de actieve welvaartsstaat om dit kader te implementeren. Het is dus nodig een inzicht te bieden in de opdrachten van de overheid op het vlak van werkgelegenheid.
Het begrip ‘welvaartsstaat’ is zeker niet nieuw. Esping-Andersen en Titmuss beschreven reeds eerder de ontwikkelingen van de welvaartsstaat en onderscheidden drie types welvaartsstaten: de liberale, de conservatieve en de sociaaldemocratische (Cantillon, 1999: 14-24). Dichter bij huis reikte Deleeck de ingrediënten van een welvaartsstaat aan. Samenvattend betreft het hier volgens hem een staatsconcept, dat gekenmerkt wordt door een hoog welvaartspeil, het streven naar volledige werkgelegenheid, de waarborging van burgerlijke, politieke, culturele en sociaaleconomische grondrechten, een sociaal gecorrigeerde marktwerking, de vrijheid van economisch en sociaal initiatief en een parlementaire democratie met een georganiseerd middenveld. Deleeck beschrijft de overheid in dit model als een instelling die sociale bescherming biedt en daartoe kan steunen op een zekere gemeenschappelijk gedragen ‘ideologie’ die een minimumconsensus vertoont inzake redelijke welvaartsverdeling, gelijkheidsstreven en in vrijheid georganiseerde solidariteit (Deleeck, 1992: 3-15, Deleeck, 2001: 21-39). Daarmee geeft Deleeck een perfecte beschrijving van de verzorgingsstaat. De kwalificatie dat het hier om een louter passief model zou gaan, is niet geheel terecht. Waar er inderdaad onvoldoende aandacht was voor het activeren van mensen, moet toch worden opgemerkt dat het juridisch kader geleidelijk werd afgestemd op het ‘actief burgerschap’. De sociale rechten kregen niet alleen inhoud maar werden ook geleidelijk uitgebreid. Zo ook vormde de - daarom nog niet gestructureerde - erkenning van het rijke middenveld een mogelijkheid tot actieve deelname aan het maatschappelijk gebeuren, inzonderheid voor groepen die hiervan geheel of gedeeltelijk verstoken waren. Toch liet het betrokkenheidsgehalte te wensen over. Vandaag doet zich de transitie voor, maatschappelijk én politiek, van de verzorgingsstaat naar de actieve welvaartsstaat. Hierbij voegen zich nieuwe waarden bij het oorspronkelijke model toe, waarbij participatie vooropstaat. Vertaald naar het werkgelegenheidsbeleid betekent dit dat een inschakelingsbeleid primeert op een uitkeringsbeleid, jobgeld op dopgeld. De rol van de overheid verschuift nadrukkelijk van sociale beschermheer naar sociale investeerder (Vandenbroucke, 2000: 134-136). Daardoor komt het accent in het overheidsbeleid over het algemeen te liggen op maatwerk in plaats van lineariteit, preventief in plaats van curatief optreden, het hulpbron-gelijkheidsbeginsel in plaats van formele of procedurele gelijkheid, stimuleren in plaats van betuttelen, regisseren en netwerken in plaats van alles zelf doen…(Van Miert, e.a., 2000: 48-49). Juist omwille van de prioritaire participatiedoelstelling is werk in de actieve welvaartsstaat een centraal element: de sleutel voor integratie, een waarborg tegen armoede en uitsluiting. Arbeid is naar Sen een essentiële functioning in dit samenlevingsconcept (Sen, 1997: 182). Het waarborgen van deze functioning impliceert een actieve overheid. De markt zal immers niet spontaan tot de realisatie van deze essentiële functies voor iedereen leiden. Het heersend activeringsdiscours is dan ook in eerste instantie tot de overheid zelf gericht. De rol van de overheid is niet die van een automatische piloot die passief toekijkt op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. De overheid heeft de actieve taakstelling om erover te waken dat de moderne welvaartsstaat voor iedereen reële effectieve kansen schept en inhoudt. Dergelijke welvaartsstaat speelt preventief in op de oude (bv. werkloosheid en kinderlast) en nieuwe risico’s (bv. lage of onvoldoende scholing, gebrek aan kinderopvang) alsook op de nieuwe maatschappelijke behoeftes (vergrijzing, kennisdeelname, …). Dit betekent daarom niet dat de overheid alles zelf doet, maar zij dient in elk geval de welvaartsstaat te regisseren en vanuit deze regiefunctie actief bij te dragen tot de verwezenlijking van duurzame werkgelegenheid voor iedereen. Hierin kadert een bewuste keuze voor massale sociale investeringen middels bijvoorbeeld een activerend uitkeringsbeleid, een impulsprogramma m.b.t. vorming en opleiding, een werkgarantieplan voor zeer langdurig werklozen of de uitbouw van voldoende kinderopvang. Dergelijke aanpak draagt bij tot actief, participatorisch burgerschap waardoor positieve netwerking ontstaat op het kruispunt van werk, markteconomie, leven en gemeenschap. Met name kadert hierin ook een billijke verdeling van de arbeid over individuen en gezinnen die niet spontaan door de arbeidsmarktwerking tot stand wordt gebracht. De arbeidsmarkt heeft immers de meest drastische herverdeling doorgevoerd gedurende de voorbije decennia met aan de ene kant een grote groep van hardlopers en aan de andere kant een grote groep van have-nots, structureel uitgeslotenen. Deze ontwikkeling dient gekeerd te worden. Zij ondermijnt immers de grondvesten van de actieve welvaartsstaat. Dit impliceert geenszins dat de bestaande sociale bescherming die vooral georganiseerd wordt via de sociale zekerheid, moet worden afgebouwd. Wel integendeel … ook in de actieve welvaartsstaat zijn inkomensvoorzieningen broodnodig. Het komt ons zelfs voor dat de bestaande uitkeringsstelsels moeten verbeterd worden én in het licht van de maatschappelijke participatiedoelstelling én om de arbeidsmarktopstap te vergemakkelijken. Hierbij moet rekening gehouden worden met de gewijzigde context. Zo zouden bijvoorbeeld in beginsel alle afgestudeerde jongeren uitkeringen moeten kunnen ontvangen. De actuele beperking tot bepaalde onderwijsniveaus is door de ontwikkelingen in de economie en op de arbeidsmarkt immers voorbijgestreefd. Zo ook kunnen werkloosheidsvallen geen alibi vormen om geen fatsoenlijk inkomensbeleid te voeren. De toetssteen van dergelijk overheidsbeleid ligt in de verhoging van de werkzaamheidsgraad. Daarmee wordt de eerder passief uitgedrukte doelstelling van het Verdrag van Leuven, t.w. de halvering van de werkloosheid, omgezet in een actieve target (Groep van Leuven, 1997: 15-16). In de actieve welvaartsstaat zijn niet de werkloosheidscijfers de richtmeter van het beleid, maar wel de werkzaamheidsgraden. Dit is een fundamenteel andere aanpak waarbij inclusie en participatie vooropstaan en niet langer uitsluiting. De actieve welvaartsstaat is in tegenstelling tot de passieve verzorgingsstaat niet gediend met het camoufleren van werkloosheidsstatistieken of met een massaal schorsingsbeleid. Dergelijk beleid miskent immers het menselijk potentieel, werkt de verlaging van de werkzaamheidsgraad in de hand en institutionaliseert de dualisering.

Beginselen van Goede Arbeid

In het werkgelegenheidsbeleid moet de overheid oog hebben voor vier fundamentele aspecten: het recht op arbeid moet voor iedereen openstaan; volwaardige werkgelegenheid primeert; er is nood aan een coöperatieve relatie tussen het inschakelingsbeleid en het productiesysteem; het activeringsbeleid moet sociaal gericht zijn.

Een recht voor iedereen. Met het eerder recente activeringsdiscours is de contractualiseringslogica sterker op de voorgrond getreden. Luc Notredame wijst terecht op het gevaar van een fors contractualiseringsbeleid, waarbij rechten en vooral plichten van - uitkeringsafhankelijke - burgers gekoppeld worden en vorm krijgen in een ‘onechte’ contractuele verhouding (Notredame, 1999: 211-212). De facto betreft het immers een eenzijdige aanpak, die verpakt wordt in een contractuele relatie. Illustraties van deze benadering vindt men in de diverse individuele inschakelingscontracten voor langdurig werklozen, bestaansminimumtrekkers en nieuwkomers. In feite staan deze personen vrij machteloos ten aanzien van de betrokken overheidsinstituties. Door deze contractualisering raakt het rechtendiscours verdrongen. Dit is niet alleen in tegenspraak met supranationale en nationale regelgevingen (Europees Sociaal Handvest, IAO-conventies, Grondwet, …) die het recht op arbeid wensen te waarborgen, maar installeert tevens een systeemdiscriminatie omdat zo’n aanpak enkel de ‘zwaksten’ op de arbeidsmarkt, de uitkeringsafhankelijken, treft. De rechtenbenadering moet dan ook hersteld worden. Zoals de socioloog Dahrendorf stelt, is het onvoorwaardelijk karakter van rechten, ook socio-economische, een cruciaal element van burgerschap en participatie. Deze rechten zijn ongeconditioneerde ‘toegangsbewijzen’, die elke burger vanwege de overheid omwille van zijn burgerschap krijgt (Engbersen, 1994: 58). Omwille van ethische problemen en problemen inzake de vormgeving van de verzorgingsstaat zijn deze rechten vooral uitgedrukt geworden als het wegnemen van juridische, institutionele en administratieve hinderpalen die de inschakeling in het arbeidsproces belemmeren. Illustraties daarvan zijn de regelgevingen m.b.t. het voorkomen van discriminatie op grond van geslacht, leeftijd of etniciteit, de diverse werkgelegenheidsmaatregelen en de wetgeving inzake additionele werkgelegenheid. Deze noodzakelijke ‘indirecte’ rechtenbenadering moet evenwel aangevuld worden met directe rechtscomponenten zoals bvb. garantieplannen voor langdurig werklozen of tijdspaarsystemen. Het is in onze ogen de plicht van de overheid om een werkgelegenheidsbeleid te voeren dat de waarborg van zo’n recht maximaliseert. Slechts in de mate dat dergelijk recht geëxpliciteerd wordt, zal de burger op een evenwichtige manier verantwoordelijkheden kunnen en willen opnemen.
Een rechtenbenadering is a priori op elke burger gericht. Om het kernachtig met Amartya Sen te zeggen rights are goods. Rechten drukken een ethische conceptie uit, die gesteund is op gelijkheid van individuele functioneringsmogelijkheden. Daarom moeten recht en rechtvaardigheid met mekaar verbonden worden. Rechtvaardigheid gaat verder dan een directe of indirecte toekenning van rechten, maar vereist een actieve en preventieve interventie van de overheid. Gelijkheid van rechten (het formele gelijkheidsbeginsel) en kansen (het procedurele gelijkheidsbeginsel) kunnen mensen op de arbeidsmarkt een gelijke startpositie bieden. Dit is echter niet voldoende. Er moeten door de overheid ook instrumenten ingezet worden die de gelijkheid van uitkomsten beogen (het hulpbron - gelijkheidsbeginsel). Er moet dus naar een herverdeling van maatschappelijke goederen tussen de verschillende groepen in de samenleving gestreefd worden. Men mag immers niet enkel rekening houden met de sociale of maatschappelijke hinderpalen waarmee mensen in aanraking komen. Ook hun oorspronkelijk of zelf opgebouwd kapitaal, samengesteld uit de aangeboren aanleg en talenten, opvoeding, familiale achtergrond, gezinssituatie, materiële startpositie en sociaaleconomische omgeving, is van belang (Vandenbroucke, 2000: 143-145). Niet iedereen start met gelijke kansen. Rechtvaardigheid betekent dat degenen die door het lot minder goed bedeeld zijn, bevoordeeld worden. Men is persoonlijk immers niet verantwoordelijk voor de manier waarop het lot de kansen bij de start verdeeld heeft. Het rechtvaardigheidsbeginsel betekent dus dat enerzijds aan mensen met een gelijke startpositie gelijke kansen worden geboden en dat anderzijds de ongelijke verdeling gecompenseerd wordt met het oog op een gelijke uitkomst. Deze opvatting wordt meegedragen door de vaststelling van o.m. de vooraanstaande Amerikaanse economist Robert Solow dat werkloosheid een enorme verspilling aan ongerealiseerde welvaart is. Adam Smith kaderde reeds in 1776 in zijn Wealth of Nations een actief sociaaleconomisch beleid in de politieke doelstelling om welvaart te bieden aan alle burgers. Als dusdanig vormt werkloosheid een enorm democratisch-maatschappelijk deficit. Deze opvatting wordt evenzo geschraagd door de wetenschap dat elke burger een positieve bijdrage kan en moet leveren. Kan: omdat elke burger unieke talenten heeft die tot ontplooiing moeten komen met het oog op de maximale aanwending ervan in het maatschappelijk bestel. Moet: niet vanuit een op dwang gericht concept of een eenzijdig plichtendiscours, maar wel vanuit het geloof in het reflexief vermogen van de burger die de opname van eigen verantwoordelijkheden inziet (Landuyt, 2000: 49). De maatschappelijke inrichting moet er dan wel op gericht zijn de reflexiviteit van de burgers te stimuleren.

Volwaardige werkgelegenheid. Een duurzaam werkgelegenheidsbeleid onderscheidt zich van een beleid dat gericht is op hetzij volledige tewerkstelling, hetzij volledige werkgelegenheid (Landuyt, 2000: 49-50).
Een beleid van volledige tewerkstelling waarbij het erom gaat mensen met alle middelen aan het werk zetten, miskent de autonomie van de burger en geeft aanleiding tot de uitbouw van precaire of secundaire arbeidsmarkten of grootschalige tewerkstellingsprogramma’s die het onderscheid tussen ‘reguliere’ en ‘niet-reguliere’ werkgelegenheid institutionaliseren. Dergelijke aanpak steunt vaak onderhuids op een eenzijdig plichtendiscours waarbij werklozen geculpabiliseerd worden voor hun situatie en het begrip ‘passende arbeid’ elke inhoud verliest. Een beleid van volledige werkgelegenheid miskent dan weer te zeer de kwaliteit van het werk en de band tussen het werk en het goede leven. Het is vooral gericht op een kwantitatieve doelstelling en minder op een kwalitatieve. Diverse economisten staren zich dan ook blind op het peil van de frictiewerkloosheid. Indien dit ‘natuurlijk’ werkloosheidspeil bereikt wordt, is er volgens hen sprake van volledige werkgelegenheid. Daardoor wordt het vraagstuk van de verhoging van de werkzaamheidsgraad veronachtzaamd. Dit zet de overheid er niet toe aan aandacht te besteden aan de participatie van sommige groepen. Bovendien is zo’n opvatting geënt op het model van het mannelijk kostwinnerschap en dus niet compatibel met arbeid van vrouwen en arbeid van de natuur. Een dergelijke beleidsaanpak vertaalt zich in een reeks maatregelen die onderling weinig samenhang vertonen en waarbij de cijfermatige registratie van het aantal jobs primeert op de tevredenheid van de werknemer. Duurzame werkgelegenheid is in onze ogen volwaardige werkgelegenheid, vol en waardig (Mok, 1995: 14-25), en wordt hiermee duidelijk afgezet tegenover volledige tewerkstelling, c.q. werkgelegenheid. Dit laatste begrippenpaar, vol en ledig, geeft goed aan dat de doelstelling gerealiseerd is indien men ‘vol’ aan het werk is, maar dat men a priori niet stilstaat bij de ledigheid, de inhoud van het werk. Volwaardige werkgelegenheid slaat op het welzijn van de werknemer in zijn totaliteit, een rechtvaardige beloning, ergonomische arbeidsomstandigheden en ‘werkzekerheid’. Het houdt rekening met de wens van de werknemer om zelf keuzes inzake werk en werktijd te maken en om kwalitatief te leven. Voorstellen inzake een werkverdelingsverzekering of een tijdsfonds kaderen perfect in deze opvatting. Volwaardige werkgelegenheid includeert emancipatie en politiek handelen en heeft aldus een maximaal ‘lustgehalte’. Een treffende illustratie van dit onderscheid vormt het Amerikaans arbeidsbestel dat thans beschreven wordt als een systeem dat naar volledige werkgelegenheid tendeert. Nochtans wordt dit bestel gekenmerkt door toenemende ongelijkheid, een aantasting van de positie van de vakbonden, workfaretoestanden en een toenemende groep van werkenden die er niet in slagen de armoedegrens te overschrijden, de zogenaamde working poor (Bruyninckx, 1997: 81-82). De actieve welvaartsstaat steunt niet op deze keuze.

Coöperatief arbeidsmarktmodel. De beleidsmakers, overheden en sociale partners, hebben steeds oog gehad voor de herintegratie van risicogroepen op de arbeidsmarkt, getuige daarvan de verschillende inschakelingsacties (Weer Werkactie, begeleidingsplan, inschakelingscontracten, …), de 0,15% IPA-bijdrage voor risicogroepen, de additionele werkgelegenheidsmaatregelen (sociale werkplaatsen, tewerkstellingsprogramma’s, DAC, arbeidszorginitiatieven, …) etc… Maar dit inschakelingsbeleid stond - bewust of onbewust - geïsoleerd. Er was geen sprake van een coöperatieve relatie tussen inschakeling aan de ene kant en de vraagzijde aan de andere kant, laat staan met het productiesysteem en de arbeidsorganisatie. De meeste acties waren gericht op het verhogen van de employability van de werkzoekenden: de werkzoekenden werden ertoe ‘aangemaand’ de kloof met het arbeidscircuit te overbruggen; opleiding en begeleiding waren (en zijn nog steeds) de toverwoorden om de werkzoekenden inzetbaar en aanpasbaar te maken. Door dit aanbodbeleid kwam heel het gewicht aan één kant van de arbeidsmarkt te liggen, nl. bij de werkzoekenden. Het workfare- en het plichtenvertoog vond hierin natuurlijk een gemakkelijke voedingsbodem. Deze éénzijdige benadering past perfect in het fordistisch-Tayloristisch arbeidsmodel, waarbij een scheiding wordt gemaakt tussen opleiding (inschakeling) en werk. Aldus kan het ‘naadloos’ samengaan met de klassieke arbeidsorganisatie. Men kan - terecht - opmerken dat deze niet-coöperatieve relatie toch gecorrigeerd werd door enerzijds het publieke systeem van arbeidsbemiddeling en anderzijds jobcreatiestimuli die ook gericht waren op het activeren van de vraagzijde. Deze correctie zou men kunnen verwoorden in een coördinatieverhouding, waarbij vraag- en aanbodzijde samen bekeken worden. Deze benadering doet nochtans geen afbreuk aan de predominantie van de vraagzijde. Sectorale screeningsacties, arbeidspools, vacatureconsulenten, invoeginterim, werkervaringstrajecten op de werkvloer … zijn allemaal uitingen van deze dubbele aanpak, maar gestuurd of ingericht vanuit de noodzaak om de arbeidsmarktreserve te mobiliseren vanuit een ‘vaststaande’ arbeidsvraag. Met Simon Wühl wordt gepleit voor de ontwikkeling van een coöperatief model waarbij de kwalificatiethematiek van de werkzoekenden en werknemers geïntegreerd wordt in één interventieschema met de kwalificatiethematiek van de arbeidsorganisatie en het productiesysteem (Wühl, 1999: 137-138). Dit model gaat uit van een gelijkwaardige inbreng van beide partijen. Het inschakelingsbeleid houdt dan ook niet alleen rekening met de mogelijkheden en bekwaamheden van de werkzoekenden, maar ook met deze van de ondernemingen. Zo worden ook de arbeidsorganisatie, de door de onderneming gestelde kwalificatieprofielen, de kwaliteit van het werk referentiepunten van het integratiebeleid. Het gaat om de koppeling van competenties van werknemers en competenties van ondernemingen. Waar in het non-coöperatief en het coördinatiemodel de onderneming een exogene factor ten aanzien van het inschakelingsbeleid vormt, wordt deze in deze benadering een endogene factor. Deze benadering stelt de nood aan ‘sociale engineering’, waarbij opleiding, begeleiding en inschakeling kwalitatief gemeesterd worden met de jobinhouden en de arbeidsorganisatie. Dit vergt een volwaardig ondernemingsoverleg en privaat-publieke samenwerkingsverbanden of afspraken, inzonderheid met de vakbonden. Maar deze aanpak kan tegemoetkomen, zeker in de huidige arbeidsmarktcontext, aan de drieledige vereiste van economische ontwikkeling, kwaliteitsvolle arbeidssystemen en inschakeling van (langdurig) werkzoekenden.

Sociale activering. Het recente beleidsdiscours, ook in het kader van de actieve welvaartsstaat, is doorspekt met begrippen zoals ‘activerend arbeidsmarktbeleid’, ‘activering van uitkeringsgelden’ en ‘sociale activering’. In wezen komt het hierbij steeds neer op het conditioneren van sociale zekerheidsuitkeringen in functie van de bereidheid of bekwaamheid van de uitkeringstrekkers om zich in het arbeidsproces in te schakelen. Omdat deze begrippen te pas en te onpas gebruikt worden, wordt op deze problematiek nader ingegaan. Door sommigen wordt een eenzijdige invulling gegeven aan de actieve welvaartsstaat. Voor dit risico willen wij ons behoeden. Immers al te vlug wordt de actieve welvaartsstaat in zijn werkgelegenheidscomponent vereenzelvigd met workfare. De inspiratie van workfareconcepten ligt in de Verenigde Staten maar is uitgedeind naar Groot-Brittannië en het Europees vasteland. Workfare slaat in het algemeen op de verplichting voor uitkeringstrekkers om in ruil voor het behoud van hun uitkering elke soort werk of taken van algemeen nut uit te voeren. Kiemen hiervan zitten bijvoorbeeld vervat in het werkloosheidssysteem, de PWA-regeling en het inburgeringsbeleid. Maar vooral het activeringsvertoog wint politiek terrein. De op workfare gebaseerde aanpak lijkt ons aan bezinning toe, omdat er achteloos wordt voorbijgegaan aan een aantal belangrijke knelpunten. Vooreerst steunt deze benadering op de culpabilisering van werklozen en uitkeringstrekkers (Gorz, 1997: 135-136). Zij worden gestigmatiseerd als werkonwilligen, als personen die verantwoordelijk zijn voor hun blijvende werkloosheid of inactiviteit. Het werkgelegenheidsvraagstuk is, zoals reeds betoogd, echter niet in de eerste instantie een probleem van de aanbodzijde op de arbeidsmarkt, maar wel van de vraagzijde: work-care dus in plaats van workfare. Bovendien kan met Guy Standing de vraag gesteld worden naar de rechtvaardigheid van dergelijk schema (Standing, 1999: 319). Eén groep wordt o.w.v. een bepaalde inkomenssituatie met een plichtendiscours geconfronteerd. Wat is evenwel het aandeel dat anderen moeten leveren, welke verplichtingen stellen zich t.o.v. de andere stakeholders? Wordt van een beursspeculant verwacht dat hij zijn ‘fair deel’ aan de samenleving geeft? Ten tweede, en zoals hierboven al aangegeven, houdt de workfareaanpak het risico van de uitbouw van een secundaire arbeidsmarkt in. Omdat het de bedoeling is de uitkering zelf als activerend element te gebruiken en hierbij de vraag rijst naar substitutie van werkgelegenheid, ontstaat er een ‘semi-spontane’ beweging waardoor uitkeringstrekkers naar een specifiek jobcircuit worden geleid. In de PWA-aanpak is deze beweging duidelijk aanwezig. Zoals Standing in zijn standaardwerk Global Labour Flexibility aangeeft, is workfare het ultieme beleid van absolute arbeidscontrole. Dat is een derde kritiek. Workfare heeft verschillende negatieve componenten: het erodeert de positieve vrijheid, is paternalistisch, werkt sociaal verdelend en veroordelend en kan, ironisch genoeg, zelfs tegengesteld werken inzake sociale en economische participatie (Standing, 1999: 317-333). Daarmee camoufleert workfare onder een sluier van onwetendheid het echte recht op arbeid en op inkomenszekerheid. Het komt erop aan deze nadelen om te bouwen tot voordelen zodat de sociale activeringspiste een positieve invulling wordt van de actieve welvaartsstaat. In dat kader kan de actieve inzet van uitkeringsgelden nieuwe perspectieven openen voor laaggeschoolde, langdurig werklozen. Hierbij wordt gepleit voor een aanpak die steunt op een positieve vrijheidsnotie. Positieve vrijheid wordt gekenmerkt door het vermogen om zelfstandig richting te geven aan het eigen leven en zichzelf ten volle te realiseren. Deze filosofie is in het werkgelegenheids-, c.q. werkloosheidsbeleid nog grotendeels afwezig.

Uitleiding

In deze bijdrage hebben we de rol van de arbeid in de actieve welvaartsstaat willen belichten. Hierbij is de nadruk gelegd op de centrale waarde die arbeid blijft vervullen, maar tegelijkertijd aangegeven dat het niet om arbeid om de arbeid gaat. Meer dan ooit dient toegezien te worden op de kwaliteit van de arbeid, de rechtvaardige verdeling van de arbeid en de band met het Goede Leven (de Beus, 1993). Daarom moet arbeid verdiept en verrijkt worden om zijn rol als essential functioning in een democratische en participatieve samenleving te kunnen vervullen. Bij de politieke omzetting van dit denkkader moet bewust gekozen worden voor de toetssteen van de rechtvaardigheid om ervoor te zorgen dat dergelijk beleid de minst kansrijke groepen ten goede komt. De realisatie van de actieve welvaartsstaat met zijn prioritaire participatiedoelstelling, zal pas volledig zijn wanneer hij een antwoord biedt aan alle burgers. Ten aanzien van de huidige situatie moeten we dus met meer minder en beter werken om met zijn allen beter te kunnen leven.

Bibliografie
- Arendt, H. (1994), Vita activa. Amsterdam: Boom
- Arendt, H. (1999), Politiek in donkere tijden. Essays over vrijheid en vriendschap. Amsterdam: Boom
- Beck, U. (1997), De wereld als risicomaatschappij. Amsterdam: De Balie
- Bruyninckx, H. (1997), Staat Amerika model? Het werkgelegenheidswonder kritisch bekeken. Leuven: Steunpunt WAV
- Cantillon, B. (1999), De welvaartsstaat in de kering. Kapellen: Pelckmans
- De Beus, J. (1993), Economische gelijkheid en het goede leven. Amsterdam: Contact
- De Witte, H. (1995), ‘’t Is geen leven zonder werk. Een overzicht van recente literatuur over de psychische gevolgen van werkloosheid’, in: ACV-WAASLAND, (G) ‘een leven zonder werk’. Sint-Niklaas: ACV
- Deleeck, H. (1992), De architectuur van de welvaartsstaat. Leuven: Acco
- Deleeck, H. (2001), De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken, Leuven: Acco
- Diels, D. (1996), Ondergesneeuwde sporen. Een andere visie op arbeid en burgerschap. Leuven: Acco
- Elchardus, M. en Glorieux I. (1995), Niet aan de arbeid voorbij. De werkloosheidservaring als reflectie over arbeid, solidariteit en sociale cohesie. Brussel: VUB Press
- Elchardus, M., Glorieux, I., Derks, A. en Pelleriaux, K. (1996), Voorspelbaar ongeluk. Over letsels die werkloosheid nalaat bij mannen en hun kinderen. Brussel: VUB Press
- Engbersen, G. (1994), ‘Dilemma’s rond arbeid en burgerschap’,pp. 57-68 in Scholten H. en de Groot S.C. (red.), Arbeidsmarkt en Sociale Zekerheid, Beleid in Beweging. Delft: Eburon
- Geldof, D. (1995), ‘Loonarbeid: bron van integratie en uitsluiting’, pp. 277-287 in: Van Dijck, J., Henderickx, E., Van Hoof, J. (red.), Baas over de eigen (loop)baan. Houten: Stenfert Kroese
- Geldof, D. (1999), Niet meer maar beter. Over zelfbeperking in de risicomaatschappij. Leuven: Acco
- Geldof, D. (2001), Onthaasting, Antwerpen: Houtekiet
- Glorieux, I. (1995), Arbeid als zingever. Brussel: VUB Press
- Gorz, A. (1991), Métamorphoses du travail. Quête du sens. Paris: Galilée
- Gorz, A. (1997), Misères du présent. Richesse du possible. Paris: Galilée
- Groep van Leuven (1997), Programma van de Groep van Leuven. Vijf-sprongen-programma ter bestrijding van de werkloosheid op basis van het Verdrag van Leuven. Brussel: Welzijnszorg
- Grozelier, A. (1998), Pour en finir avec la fin du travail. Paris: Editions de lAtelier
- Harribey, J.M. (2000), ‘De la fin du travail à l’économie plurielle: quelques fausses pistes’, pp. 19-40 in Appel des économistes pour sortir de la pensée unique (2000), Le bel avenir du contrat de travail. Paris: Syros
- Jahoda, M., Lazarsfeld, P., Zeisel, H. (1971[1933]), Marienthal, the sociography of an unemployed community. Chicago/New York: Aldine-Atherton
- Janssen, R. (1992), Arbeid, tijd en geld ontschaarsen. Utrecht: Commissie Oriënteringsdagen
- Janssen, R. (1995), Dansen en ontspringen. In twijfelpas met zorg, arbeid en natuur. Utrecht: Commissie Oriënteringsdagen
- Jung, J. (2000), Le travail. Paris: Flammarion
- Klamer, A., van der Laan, L., Prij, J. (1997), De illusie van volledige werkgelegenheid. Assen:Van Gorcum
- Lalive d’Epinay, C. (1999), ‘La société du travail et au-delà: vers l’intervention d’un nouveau lien social’, pp. 39-56 in: Soulet M.-H. (ed.), Le travail, nouvelle question sociale. Fribourg: Editions Universitaires Fribourg Suisse
- Landuyt, R. (2000), Beleidsnota Werkgelegenheid 2000-2004. Brussel: Kabinet Vlaams minister van Werkgelegenheid en Toerisme
- Leroy, F. (1994), De werkverdelingsverzekering. Inzicht in de contextuele factoren en proeve tot verduidelijking. Brussel: Kabinet Vlaams Minister van Tewerkstelling en Sociale Aangelegenheden
- Leroy, F. (1997), ‘Van dopgeld naar jobgeld. Werk-uitkeringen voor een activerend arbeidsmarktbeleid’, Nieuwsbrief Steunpunt WAV, 7(4): 46-55
- Leroy, F. (1998), ‘De toekomst van de arbeid: discriminerend of integrerend?’, pp.255-268 in: Vranken, J., Geldof, D., Van Menxel, G., Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 1998. Leuven/Amersfoort: Acco
- Mok, A. (1995), ‘Werkgelegenheid: vol en waardig’, pp. 14-25 in: Huijgen, F., e.a. (red.), Naar volwaardige werkgelegenheid? . Amsterdam: SISWO
- Notredame, L. (1999), ‘Actieve bijstand: water en vuur verzoend’, pp. 205-225 in: Vranken, J., Geldof, D., Van Menxel, G., Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 1999. Leuven: Acco
- Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (1997), ‘RMO Advies. Werkloos toezien? Activering van langdurig werklozen’. Rijswijk: RMO
- Reich, R. (1991), The Work of Nations. Preparing ourselves for 21th Century Capitalism. New York: Simon & Schuster
- Rifkin, J. (1996), La fin du travail. Paris: La Découverte
- Rosseel, E. (1993), Niet werkloos toezien: werkperspectieven bij werkzoekenden in beroepsopleiding. Brussel: TESA-VUB
- Sen, A. (1992), Inequality reexamined. Cambridge: Harvard University Press
- Sen, A. (1997), ‘L’inégalité, le chômage et l’Europe d’aujourd’hui’, Revue Internationale du Travail, vol. 136, nr 2: 169-186
- Smith, A. (1993 [1776]), Wealth of Nations. Oxford: Oxford University Press
- Standing, G. (1999), Global Labour Flexibility. London: Mac Millan Press
- Van Miert, K., Vandenbroucke F., Cantillon B., Bouckaert B. en Aernoudt R. (2000), Op zoek naar de derde weg. De actieve welvaartsstaat: retoriek of realiteit. Roeselare: Roularta
- Vandenbroucke, F. (2000), Op zoek naar een redelijke utopie. De actieve welvaartsstaat in perspectief. Leuven: Garant
- Wühl, S. (1999), ‘Insertion, les politiques en crise’, pp. 127-148 in: Soulet, M.-H. (ed.), Le travail, nouvelle question sociale. Fribourg: Editions Universitaires Fribourg Suisse

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 5 (mei), pagina 19 tot 35