Log in

Een open-sourceprogramma

redactioneel

Twee verhalen over het internet

We bevinden ons in dit land blijkbaar nog steeds op een absoluut dieptepunt wat betreft het vertrouwen in onze instellingen. Dat blijkt uit het gemak waarmee samenzweringsmythes hier een vruchtbare bodem vinden. In De Morgen van 25 mei laatstleden was het weer goed raak. In een paginalang artikel wordt ingegaan op de moord op Pim Fortuyn. In de intro van het artikel wordt de vraag gesteld of het wel mogelijk is dat Volkert van der Graaf alleen handelde. De argumenten die de twijfel moeten rechtvaardigen kunnen tellen: (1) de dader kon te snel worden gearresteerd; (2) het was een speciale politie-eenheid die de dader kon arresteren: wat deed die daar in de buurt?; (3) de dader kon blijkbaar omgaan met een wapen en (4) de dader behoudt, ondanks duidelijke bewijzen tegen hem, het stilzwijgen. De auteur van het artikel neemt geen stelling in maar citeert verschillende mogelijke motieven die ‘hooggeplaatsten’ zouden kunnen hebben voor een moord op de lijsttrekker. Zo wordt de intentie van Fortuyn aangehaald om het leger grondig af te slanken en om uit het ontwikkelingsprogramma voor de Joint Strike Fighter te stappen. Het artikel baadt in de complotsfeer en er is wel erg slordig omgesprongen met de aanhalingstekens. Het is verre van duidelijk wanneer wie een bepaalde stelling inneemt. Nederlandse journalisten verzekeren mij dat de complottheorie absoluut niet leeft in de Nederlandse pers. Het is, naar mijn smaak, erg significant dat een dergelijk artikel wel in België, maar blijkbaar niet in Nederland wordt gepubliceerd. Nederland is, in tegenstelling tot België, een zogenaamd high-trustland. Echt beangstigend wordt het artikel in de tweede paragraaf. Daar blijkt dat het internet de belangrijkste bron is voor de speculaties: ‘Sinds de moord circuleren op internet veel verhalen over een complot, zoals gebruikelijk na een politieke moord.’ Ondanks de afstand die de journalist van zijn bron neemt, wordt achteraf kwistig uit de fantasierijke internetpagina’s geput. Internet is zo’n snel en vluchtig medium dat reputaties in minuten aan diggelen kunnen liggen en verhalen in seconden de ronde gaan. Bronnenkritiek is een schone deugd.

Sinds het begin van dit academiejaar nam ik afscheid van alle Microsoft-producten. Op mijn computer zit geen regel programmacode uit Redmond meer. Ik werk nu hele dagen op zogenaamde open-sourcesoftware, Linux als besturingssysteem en OpenOffice, voor teksten, presentaties en dergelijke. Deze software kan gratis van het internet gedownload worden omdat hij van iedereen en van niemand is. Het is het resultaat van de gezamenlijke inspanning van vele amateur-programmeurs die er hun vrije tijd aan besteden. Het internet maakt het technisch mogelijk dat deze gezamenlijke ontwikkeling kan gecoördineerd worden en dat het resultaat degelijk is. Linux is erg stabiel, functioneel en ongevoelig voor virussen en andere veiligheidsproblemen. Bijna 80% van de webpagina’s en een nog grotere proportie van de e-mails worden over het netwerk getransporteerd door gratis software, waarvan de programmacode niet gepatenteerd is en niet geheim gehouden wordt. Het is fascinerend hoe een blijkbaar ongestructureerde en onbetaalde groep mensen computer­programma’s maakt die, inzake kwaliteit, de vergelijking kunnen doorstaan met producten van een van de grootste en rijkste multinational ter wereld. Linux en de open-sourcesoftware in het algemeen zijn wellicht hét succesverhaal van het internet. Het wereldwijde net is dus niet enkel een verzameling roddels, urban legends en klinkklare kletskoek. Het is ook de drager van technologieontwikkeling en vernieuwende ideeën.

Een open herbronning

De sp.a heeft voor haar Groot Onderhoud het open-sourceontwikkelingsmodel gekozen. Er is nu een website waar iedereen kan meedenken over het programma van de sp.a. De gelijkenis tussen het initiatief van de sp.a en de ontwikkeling van open-sourcesoftware is frapperend én leerrijk.
(1) Het model werkt enkel als iemand een voorzet geeft. De allereerste versie van Linux werd geschreven door één individu, die het toenmalige erg primitieve en eigenlijk onbruikbare ding prompt op het internet voor iedereen beschikbaar maakte. Een eerste versie van OpenOffice werd vrijgegeven door Sun, een informatica­multinational, gedeeltelijk als strategie tegen de marktdominantie en monopolievorming van Microsoft. De sp.a heeft eveneens een enorme voorzet gegeven door rond verschillende thema’s - onderwijs, cultuur, sociale zekerheid, enz. - de visie van een aantal experts en mandatarissen als startpunt van een maatschappelijke dialoog te nemen.
(2) De belangrijkste reden voor de kwaliteit van de open-sourcesoftware, is ongetwijfeld dat er méér mensen over nagedacht hebben dan in het geval van klassiek ontwikkelde software. In het geval van open-sourcesoftware, worden gewoon méér vergissingen en kleine fouten gecorrigeerd dan in het geval van klassieke software. De fouten worden ook sneller gevonden en verbeterd. Het is trouwens niet voor niets dat dé voorwaarde voor goed wetenschappelijk werk de openheid is. Onderzoek moet, als het goed is, publiek en repliceerbaar zijn. Om dezelfde reden is het ook van belang voor een politieke partij die wil wegen, dat véél mensen hebben nagedacht over het programma en de te volgen weg. Ik geloof dat ‘het groot onderhoud’ kan leiden tot een beter doordacht programma voor de sp.a.
(3) Het is niet omdat een grote groep vrijwilligers meewerkt aan de ontwikkeling van een open-sourceprogramma, dat er bij disputen wordt teruggevallen op een soort meerderheidsprincipe. Er is altijd een kleine groep mensen die coördineren en uiteindelijk, na discussie en beraad, de knopen doorhakken. Dat moet ook zo zijn tijdens ‘het groot onderhoud’. Uiteindelijk moet het programma van de sp.a coherent zijn en herkenbaar links. Daarom moet de ontwikkeling ervan bewaakt worden. Ik twijfel er niet aan dat we dat zullen doen.
Men kan zich anderzijds wel afvragen waarom al die programmeurs hun vrije tijd opofferen om mee te werken aan de ontwikkeling van gratis software. Ze worden er in elk geval niet voor betaald. Ik denk dat er verschillende antwoorden op die vraag zijn. Ten eerste is er een stuk fierheid op het werk dat ze doen. Het gaat dan om de overtuiging mee te werken aan iets dat beter is dan hetgeen tot nu toe bestaat. Daarbij speelt ook wel een milde vorm van leedvermaak over het zoveelste veiligheidsprobleem in de commerciële software. Ten tweede gaat het om het respect dat men krijgt van medestanders. Het gevoel dat andere mensen waarderen wat je doet. Dat gevoel van respect is uiteraard afhankelijk van de persoon die feedback geeft op je werk. Als programmeur begin je als prutser maar je kan opklimmen tot whizzard en een enkeling kan het tot guru brengen. De voornamen van deze guru’s - Linus, Larry, Monty… - zijn wereldwijd bekend. Respect en respons is voor die mensen cruciaal in de motivatie verder te werken.

Het Groot Onderhoud is, denk ik, een zeer lovenswaardig initiatief. Er is een belangrijke voorzet gegeven, er zijn nu reeds uiterst interessante voorstellen uitgekomen en het lijkt zeer goed mogelijk er een coherente aanvulling op ons programma uit te distilleren. Er is, vrees ik, wel een probleem met de motivatie om véél meer mensen aan het denken te zetten. We hebben nog niet duidelijk genoeg gemaakt dat ‘meedenkers’ uiteindelijk aan het werken zijn aan een betere toekomst voor onze samenleving. Het moet, denk ik, duidelijker worden wat we gaan doen met al de voorstellen, hoe ze zullen ingepast worden in het globale programma. Ten tweede moet er veel meer respons komen op de voorstellen door het coördinatieteam, dat zijn de partijleiding en de mandatarissen. Een open-sourcemodel werkt niet zonder voortdurende respons van de ‘coördinatoren’. En die respons ontbreekt te vaak. Er staan te veel ‘losse flodders’, zonder repliek, op die website. Iedereen, maar vooral mandatarissen, mogen dit beschouwen als een warme oproep zeer actief te participeren. Men kan zich natuurlijk de vraag stellen of het aantal mensen dat meedenkt wel zo relevant is. Moeten we niet kijken naar de kwaliteit van de bijdragen i.p.v. naar de kwantiteit? Wel ja, uiteraard. Anderzijds is het in het geval van de open-sourcesoftware natuurlijk ook zo dat mensen de software gebruiken waaraan ze zelf meewerkten. In het geval van de sp.a hopen we, uiteraard, ook dat mensen uiteindelijk kiezen voor het programma waartoe ze hebben bijgedragen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 6 (juni), pagina 1 tot 3