Abonneer Log in

'Les trotskysmes' / 'Tout est à nous!'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 6 (juni), pagina 66 tot 67

Les trotskysmes

Daniel Bensaïd
PUF, Que sais-je, Parijs, 2002

Tout est à nous!

Olivier Besancenot
Denoël Impacts, Parijs, 2002

Tijdens de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen scoorden de klein-linkse kandidaten vrij goed: Olivier Besancenot van de Ligue Communiste Révolutionnaire behaalde 4,32 procent van de stemmen, Arlette Laguiller van Lutte Ouvrière 5,75 procent en Daniel Gluckstein van de Parti des Travailleurs (PT) 0,5 procent. Tezamen waren de trotskisten dus goed voor meer dan 10 procent.

In zijn bespreking van Secrets de jeunesse van Edwy Plenel heeft Luc Van Marcke (Samenleving en politiek nr. 4, p. 51-52) reeds even stilgestaan bij de trotskistische beweging in Frankrijk. Wie interesse heeft in de geschiedenis van deze tak van de linkerzijde wordt op zijn wenken bediend. Alleen al in het voorjaar van 2002 werden niet minder dan vier werken hierover gepubliceerd. In twee gevallen betreft het evenwel journalistieke producten die stijf staan van het anticommunisme. Zo wordt b.v. Les taupes rouges1 opgedragen aan de martelaars en gedeporteerden die het slachtoffer zijn geweest van de trotskistische ideologie (sic). Het boek is niet meer dan knip- en plakwerk zonder al te veel voetnoten. Ook een bibliografie is prominent afwezig. Wel werd een bloemlezing opgenomen van uitspraken van tijdgenoten die een weinig flatterend beeld van Trotski ophangen en waardoor a.h.w. wordt geïnsinueerd dat deze personen geen al te hoge pet van hem hadden. Het is typerend dat hierbij een aantal uitspraken volledig uit zijn verband worden gerukt. Zo wordt een passage uit een in 1938 door de Belgisch-Russische anarchist Victor Serge gepubliceerde tekst geciteerd. Hoewel Serge gebrouilleerd was met Trotski schreef hij later in zijn memoires met veel respect over le Vieux.2
Dan heeft Christophe Nick, auteur van Les Trotskistes3 (reeds geciteerd door Van Marcke in zijn boekbespreking), alleszins meer gelezen en meer veldwerk verricht. Spijtig genoeg is ook dat resultaat niet echt geslaagd. De nadruk ligt vooral op spectaculaire aspecten, zoals het soms agressieve gedrag van de ordediensten van de LCR en de PT en het beweerde sectaire karakter van Lutte Ouvrière. Tevens wordt overvloedig geciteerd uit Terrorisme et Communisme.4 Hierbij wordt totaal geen rekening gehouden met de historische context waarin dat boek is geschreven. Nick heeft waarschijnlijk slechts enkele werken van Trotski gelezen, citeert vooral uit de tweede hand en kent duidelijk zijn klassieken niet. Ook wat nog levende personen betreft, gaat hij soms in de fout wat hem een rechtszaak heeft opgeleverd (ingeleid door Daniel Gluckstein van de PT). Tot overmaat van ramp bezondigt Nick zich aan ongenuanceerde pseudopoliticologische beschouwingen of wat ander te denken van een uitspraak als ‘Le trotskisme est un léninisme et le léninisme enfantera toujours des Staline, Mao, Pol Pot et Ceaucescu’ (p.140).

Frédéric Charpier (vroeger zelf lid van de LCR) heeft alleszins meer zorg besteed aan zijn Histoire de l’extrême gauche trotskiste.5 Dit werk is vrij behoorlijk gedocumenteerd, hoewel ook hij - volgens insiders - nogal slordig zou omgesprongen zijn met bepaalde feiten.6
Het meest bescheiden boekje is tevens het meest degelijke. Daniël Bensaïd - docent filosofie aan de Université Paris VIII en lid van de leiding van de LCR - heeft in de reeks Que sais-je een deeltje over Les trotskysmes gepubliceerd. De auteur gebruikt bewust het meervoud omdat het trotskisme bijna steeds het werkterrein is geweest van - elkaar vaak bestrijdende - facties, met als grootste gemene deler de verering voor de Ouwe. In een honderdtwintigtal bladzijden konterfeit de auteur de geschiedenis van de beweging. In eerste instantie wordt de situatie tijdens het interbellum besproken, gekenmerkt door vier punten: de permanente revolutie, de verhouding tot de sociaaldemocratie, de strijd tegen het stalinisme en de bureaucratie en de internationalisering. Vertrekkende van de oprichting van de IVe Internationale (1938) wordt dan de odyssee van de Franse trotskisten geschetst. Het boekje wordt afgesloten met een existentiële vraag. Stopt het trotskisme tezamen met de teloorgang van de erven van het stalinisme of kan de beweging overleven in deze postmoderne tijden? Een antwoord hierop krijgen we van de zevenentwintigjarige postbode en presidentskandidaat Olivier Besancenot7 (LCR) in zijn Tout est à nous.

Besancenot is een kind van zijn tijd. Zijn boek bevat dan ook bedenkingen over de manifestaties van andersglobalisten, de ecologie en de nieuwe verworpenen der aarde (sans papiers, enz.). Het omvat echter ook interessante beschouwingen over de vakorganisaties, de privatisering van de publieke sector, het eigendomsrecht enz. Door de aandacht die hij besteedt aan de verhouding Arbeid-Kapitaal onderscheidt hij zich van burgerlijke politici die het ideeëngoed van de andersglobalisten willen recupereren. Zo getuigen zijn opmerkingen m.b.t. het gebrek aan democratie in de onderneming (p. 107-110) van zijn antikapitalistisch engagement: ’…l’entreprise est le domaine exclusif de la recherche du profit: la démocratie s’arrête à la grille d’entrée. C’est précisément ce que nous combattons. Une révolution démocratique est nécessaire, à commencer par l’obtention de nouveaux droits pour les salariés dans l’entreprise (…) les travailleurs doivent disposer d’un véritable droit de contrôle permanent sur la gestion des entreprises à commencer par un droit de véto sur les décisions importantes: organisation du travail, hygiène et sécurité, investissements, plans de licenciements’ (p. 109-110). We zien het Guy Verhofstadt zo niet onmiddellijk uit zijn bek krijgen.
In zijn laatste hoofdstuk pleit Besancenot voor een 100% linkse politiek. De auteur getuigt hier van groot strategisch inzicht en van retorische kwaliteiten. Zo erkent hij ootmoedig dat Trotski af en toe wel eens minder gelukkige beslissingen heeft genomen, zoals het neerslaan van de opstand van Kronstadt (waarbij vele anarchisten het leven lieten). In de zelfkritiek gaat hij zelfs zover dat hij begrip opbrengt voor degenen die de trotskisten niet vertrouwen. De wijze waarop hij de lezer-kiezer dan toch tracht te overtuigen om zijn beweging te steunen, is schitterend, zelfs zo schitterend dat het de vraag is of de auteur het wel zelf heeft geschreven, dan wel ‘geïnspireerd’ is door zijn wat oudere kameraden.
Trotski zelf heeft ooit gezegd dat de grootste fout van de meeste revolutionairen erin bestaat dat ze niet na hun vijfenvijftigste verdwijnen.8 Met Besancenot heeft de LCR zich alleszins tegen dit risico ingedekt. Zijn boek bewijst dat - om met Bensaïd te eindigen - het trotskisme toekomst heeft: ‘…un certain trotskysme, ou un certain esprit des trotskysmes, n’est pas dépassé.’9

Noten

  1. L.M. Enoch en X. Cheneseau, Les taupes rouges, Paris, Manitoba, 2002, 217 p.
  2. Zie o.a. V. Serge, Mémoires, Parijs, Club des éditeurs, 1957, p. 343: ‘Le Vieux n’était pour nous que l’un de nos plus grands camarades, un aîné dont on discutait librement des idées.’
  3. C. Nick, Les Trotskistes, Paris, Fayard, 2002, 615 p.
  4. L. Trotsky, Terrorisme et communisme, Paris, Bibliothèque Communiste, 1920, 253 p.
  5. Paris, Editions n° 1, 2002, 402 p.
  6. Zie L. Mauduit, ‘Voyages hâtifs dans la galaxie trotskiste’, Le Monde, 8 maart 2002.
  7. Zie http://www.olivierbesancenot.org
  8. F. Zeller, Témoin du siècle, Paris, Grasset, 2000, p. 167.
  9. Les trotskysmes, p. 124.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 6 (juni), pagina 66 tot 67