Abonneer Log in

Na het groot onderhoud

Zo goed als nieuw

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 7 (september), pagina 4 tot 9

Het groot onderhoud

Op een bepaalde morgen werd krantenlezend Vlaanderen geconfronteerd met sp.a-tenoren die in een garage aan het werk zijn. De voorzitter ligt zelfs te sleutelen onder een auto. Frank Vandenbroucke staat in een put. En Steve Sevaert en Johan Vande Lanotte kijken lachend in de camera. Een leuke manier om een campagne op gang te brengen, die twee doelstellingen heeft. De campagne wil in een open gesprek een proces van inhoudelijke vernieuwing voleindigen, maar moet ook een concreet verkiezingsprogramma opleveren. Ze moet gekaderd worden in de context van wat Patrick Janssens over gelijke kansen heeft opgebouwd. Gelijke kansen gaat recht naar het hart van het hedendaagse socialisme. Daarmee wordt het verschil gemaakt. Sommigen twijfelen aan dat verschil. Vooral als men de laatste verkiezingsgebeurtenissen in de rest van Europa bekijkt, lijkt het er soms op dat de socialistische partijen hun identiteit kwijt zijn. Nochtans bewijst het optreden van de regeringsleden van sp.a dat socialisten wel degelijk een verschil uitmaken. Stuk voor stuk kunnen zij een prachtig palmares voorleggen. Het geeft alvast de zekerheid dat verkiezingsbeloften voor hen geen loze beloften zijn. Het is echter ook heel belangrijk dat hun politiek teruggaat op een samenhangend verhaal, dat precies rond gelijke kansen draait. De advertentiecampagne was een startpunt. Tegelijk werd een discussieforum op de website geopend. Ondertussen zijn er duizenden bezoekers geweest en hebben tientallen mensen hun mening doorgegeven. Er werd een krant verspreid met interviews met mensen van binnen en van buiten de partij. De oplage was massaal. Voor wie het iets uitgebreider wilde werd ook een prachtig boek uitgegeven. Werkgroepen hebben in de diepte gewerkt. Ze hebben verfijnde analyses opgeleverd, maar ook een schat aan concrete actiepunten. In zijn redactioneel van juni vergelijkt Koen Pelleriaux de aanpak met deze van open source: iemand geeft een voorzet, daarna kan iedereen effectief meehelpen aan de uitbouw.1 Hierna wordt kort het kader geschetst waarbinnen de discussie zich afspeelt. Er spreekt de overtuiging uit dat de samenleving wel degelijk maakbaar is. Alleen ligt die maakbaarheid niet in handen van de politiekers alleen.

De internationale context

Het socialisme heeft een geschiedenis van honderdvijftig jaar. Het is ontstaan als een tegenmacht voor het kapitalisme, dat op dat ogenblik door geen enkele regel beperkt werd. In de loop van de tijd is het economisch systeem wel degelijk bijgestuurd. Er zijn heel veel varianten, maar in het Westen heeft het een menselijk gezicht gekregen. Vooral in West-Europa kon een steeds groeiend deel van de bevolking van de vruchten van de welvaartsstaat genieten. Op geregelde tijdstippen bleven zich crisissen voordoen, maar zelfs op die momenten konden de meeste werknemers zich nog vastgrijpen aan het vangnet van de sociale zekerheid. Ook al kan de socialistische beweging zeker niet alle pluimen op haar hoed steken, ze heeft in dat proces een prominente rol gespeeld. Ze groeide dan ook uit tot een fiere, zelfbewuste beweging. Alleen waren twee wolken maar niet weg te krijgen: de welvaartsstaat breidde zich niet uit naar de Derde Wereld en het milieuprobleem werd steeds dreigender. Toen de muur van Berlijn viel en er een eind kwam aan het zogenaamde reëel bestaande socialisme, kreeg het zelfbewustzijn een flinke knauw. Ook al hadden de West-Europese socialisten zich nooit vereenzelvigd met het totalitair communisme, ze kregen een deel van het puin over zich. 1989 werd aangevoeld als het bewijs dat er geen alternatief is voor het kapitalisme. Ook socialisten raakten in de ban van het discours over het einde van de geschiedenis. En toen kwam Tony Blair. Hij vond de Derde Weg, het alternatief! In zijn zog trok hij in heel Europa een revival aan. Overal kwamen de socialisten opnieuw aan het regeringsroer. Even leek het tij voorgoed gekeerd. Het verwekte hoogstens wat pijnlijke prikkels toen bleek dat ook de liberalen hem in de armen sloten. Het gevoel werd pijnlijker toen de Britse eerste minister steeds vaker een bondgenootschap sloot met zijn rechtse Spaanse en Italiaanse ambtsgenoten. Maar de echte ontnuchtering kwam toen in Nederland Wim Kok een afstraffing kreeg. Hoewel zijn paars-groene regering een positieve balans kan voorleggen op sociaaleconomisch vlak, werd zij gewipt door een zogenaamde populist, een praatjesmaker zeg maar. Iets dergelijks was even daarvoor al in Frankrijk gebeurd, maar daar kon de schuld gemakshalve in de schoenen van de verdeeldheid van de linkerzijde geschoven worden. Maar had het Nederlandse poldermodel niet model gestaan voor een socialistisch beleid? Wat was er gebeurd? Kan alles verklaard worden vanuit de saaiheid van de Nederlandse politici?

Vervaging van de politiek

Natuurlijk is die saaiheid een stuk van de verklaring. Als politici zich van de mensen isoleren mogen ze niet schrikken dat die mensen hen opgeven. Maar het is niet de enige verklaring. De burger is veeleisend geworden. Hij wil eigenlijk een onmiddellijke oplossing voor al zijn problemen. En als de politiek die niet levert, keert hij zich ervan af. Hij gaat eraan voorbij dat hij voor sommige problemen ook een stuk verantwoordelijkheid draagt, dat sommige oplossingen tijd vragen en dat sommige problemen niet zo eenvoudig helemaal op te lossen zijn. De politiek heeft in werkelijkheid ook een stuk terrein moeten afstaan aan de media, de wetenschap en het gerecht. Maar de politiek heeft vooral macht verloren aan de economie. Ook al blijft er nog veel over om politiek te realiseren, politieke macht is voor een stuk uitgehold. Luc Huyse, een van de belangrijke Vlaamse politieke wetenschappers, heeft het over de ‘emigratie van de politiek’. In zijn laatste werkje stelt hij vast dat de armen van de politiekers merkelijk korter geworden zijn. En dat is niet altijd tot de burger doorgedrongen. Hij ziet in de politieker een reus die alles aankan, maar die reus is een moderne Gulliver die langs alle kanten ingesnoerd is.2 De politieker heeft misschien te veel nagelaten dat ook duidelijk te maken. Het is dan ook niet makkelijk zijn eigen beperktheden, zijn eigen onmacht soms, toe te geven. Die onmacht toont zich natuurlijk het duidelijkst in de internationale context. Daar spelen de regels die de verschillende welvaartsstaten opgebouwd hebben niet meer. Ze waren immers op het niveau van nationale staten afgemeten, terwijl internationale regels doodeenvoudig nauwelijks bestaan. En als ze bestaan zijn er geen instellingen die ze kunnen bewaken. Een geglobaliseerde economie bestaat, een geglobaliseerde politiek bestaat voorlopig niet. In die context van dalende politieke macht ziet men hoe partijen wanhopig proberen elkaars vliegen af te snoepen. Overal in Europa zie je hoe het succes van rechts hen allemaal in dezelfde richting lokt. Het onderscheid tussen de partijen lijkt te vervagen. Het is geen toeval dat Verhofstadt probeert zelfs de beweging voor een andere globalisering aan te trekken. Een echt kritische stem dreigt op die manier doodgeknuffeld te worden. Maar ondertussen weet de kiezer het niet meer en hij stemt voor wie zich toch nog onderscheidt. Dat is iemand die het goed kan zeggen, die duidelijk opvalt in de media, die er een lap durft op geven.

Eigenheid

Voor de socialistische partij was het onderscheid met de andere partijen ooit evident. Vandaag is zij meegezogen in de trend van vervaging, maar daar moet weerstand tegen geboden worden. Zij is duidelijkheid verschuldigd, op de eerste plaats over haar doelstellingen. Zij moet ook heel duidelijk zijn over haar beperktheden. Zij moet de kiezer met andere woorden recht in de ogen kijken. In het recente verleden hebben de Vlaamse socialisten al twee maal op een grondige manier hun ideologische uitgangspunten geactualiseerd. In 1996 verscheen Het Sienjaal, een radicaal-democratisch project. Het was het product van een denkgroep rond Maurits Coppieters en Norbert De Batselier. Zij wilden de linkerzijde niet alleen van een nieuwe ideologische grondlaag voorzien, zij wilden er die linkerzijde ook rond hergroeperen. Men kan het een rood-groen manifest voor de eenentwintigste eeuw noemen. Hoewel het op een bepaald ogenblik heel wat enthousiasme heeft losgeweekt, werd het er vrij vlug stil rond. Het is toen ook niet tot een frontvorming gekomen. In 1998 heeft het Toekomstcongres opnieuw een schat aan inzichten en stellingnamen opgeleverd. Ze zijn om allerlei redenen een beetje in de schuiven blijven liggen, ook al zijn ze tot op vandaag zeker nog niet verouderd. Beide documenten moeten de vertrekbasis blijven voor wie de eigenheid van de hedendaagse socialistische partij wil blootleggen. Toen Patrick Janssens voorzitter werd heeft hij die eigenheid onmiddellijk in verband gebracht met gelijke kansen. Hij is dat telkens opnieuw blijven herhalen en uitdiepen. In 2001 zette hij een belangrijke stap, met zijn nieuwjaarsboodschap. Enkele maanden later kwam zijn boekje Over de grenzen, open brief aan de Vlamingen, dat doorging op een aantal aanzetten in zijn open brief. Hij zette zijn derde stap met de campagne Het groot onderhoud. Het is de bedoeling dat de wagen van de sp.a nadien zo goed als nieuw bolt.

Gelijke kansen

Socialisme gaat al sinds de negentiende eeuw terug op verontwaardiging omwille van onrecht. Verontwaardiging is de brandstof voor een motor die voor maatschappelijke verandering moet zorgen. Want het moet duidelijk zijn dat ook het hedendaags socialisme zich niet mag beperken tot een morele stellingname. Het gaat er om in te grijpen in structuren die verhinderen dat iedereen gelijke kansen krijgt. Het gaat niet om een oppervlakkig aanpassen, het gaat om een radicaal en structureel veranderen. Zo hoeft niemand zich in te beelden dat het mogelijk is in het onderwijs gelijke kansen te realiseren, zonder daadwerkelijk iets te veranderen. Dertig, veertig jaar zogenaamde democratisering bewijzen dat oppervlakkige ingrepen niet zo veel opleveren. Het project van een moderne partij moet inderdaad een radicaal project zijn, dat nog altijd utopisch van inslag is. Het wil uitkomen bij gelijke kansen voor iedereen, waarmee twee zaken bedoeld zijn: iedereen moet gelijke kansen krijgen om zichzelf te ontplooien, maar iedereen heeft ook de verantwoordelijkheid om die kansen te nemen. Achter het hedendaags socialisme steekt geen passief mensbeeld, dat ervan uitgaat dat de gebraden duiven in de mond zullen vliegen. Zich ontplooien is een opdracht, waar men als individu verantwoordelijkheid voor draagt. Maar het is ook een opdracht waar de samenleving mee verantwoordelijk voor is. Er wordt immers niet zo maar aangenomen dat iedereen gelijk geboren wordt en dat het daarom van iedereen afzonderlijk afhangt of hij of zij zijn kansen neemt of niet. De kansen zijn absoluut niet gelijk: iemand die in een gezin terechtkomt waar de ouders gestudeerd hebben, heeft het veel makkelijker om later zelf door te leren dan iemand die terechtkomt in een gezin waar de ouders niet lang naar school gegaan zijn. En wie gestudeerd heeft krijgt sowieso meer kansen. Wie op dat vlak bij de start minder kansen kreeg moet op een extra kunnen rekenen wanneer het moeilijk gaat. Ook dat zijn gelijke kansen. Mensen mogen niet opgesloten worden in de toevallige omstandigheden van hun geboorte. Iedereen moet de mogelijkheid krijgen om te groeien, om morgen meer te zijn dan vandaag op die terreinen die hij of zij zelf belangrijk vindt. Wie zijn kansen niet grijpt moet bereid zijn daar ook de gevolgen van te dragen. Dat kan misschien best duidelijk gemaakt worden met het voorbeeld van de werkloosheid. Er is in ons land een systeem opgebouwd dat toelaat dat werklozen gedurende lange tijd een uitkering krijgen. Tot voor kort bleef de verantwoordelijkheid van de overheid beperkt tot het verschaffen van een uitkering en het controleren of er geen misbruik gemaakt werd. Werklozen moesten vroeger twee maal per dag een stempel ophalen en dat was het ongeveer. Het was tegelijk makkelijk en vernederend. Vandaag moet die overheid meer doen: zij moet de werkloze een traject aanbieden dat hem of haar begeleidt naar een nieuwe job. Dat kan inhouden dat er ook bijkomende opleiding aangeboden wordt, die soms heel erg op maat wordt gemaakt. Maar ook de werkloze moet meer doen: hij of zij moet ingaan op de voorstellen, mag zich niet nestelen in zijn situatie van werkloosheid. Zo’n systeem van wederzijdse afspraken kan echter alleen werken als er langs beide zijden garanties gegeven worden. Als aan het eind van een traject geen werk staat hoeft men geen contract aan te bieden. Het resultaat moet overigens afdwingbaar zijn, anders vervalt men heel vlug in loutere bestraffing. Het volstaat bijvoorbeeld niet inburgering te eisen van migranten, op het moment dat iedereen weet dat het aanbod van de cursussen Nederlands niet groot genoeg is. Als buitenlander moet je de overheid gewoon juridisch kunnen verplichten een aanbod te hebben! Dat is de hele idee van de actieve welvaartsstaat, die niet alleen maar een vangnet wil ophangen voor wie werkloos of ziek wordt, maar die vooral wil aanzetten en helpen om zo vlug mogelijk terug op de boot te geraken. Gelijke kansen op volwaardig burgerschap, kan men zeggen. Dat betekent geenszins dat de zogenaamde verworvenheden uit het verleden zouden opgeheven worden, waarbij die uitdrukking vooral op verworvenheden in de sociale zekerheid slaat. Welnu, sociale bescherming blijft essentieel en een nieuwe visie moet precies de verworvenheden veilig stellen. Essentieel wordt dat oplossingen die in het verleden altijd algemeen moesten zijn, in de toekomst meer en meer op maat, individueel afgemeten zullen worden. Waarom zou bijvoorbeeld iedereen op dezelfde leeftijd op (brug)pensioen moeten? Waarom zou er geen rekening gehouden kunnen worden met het feit dat iemand heel vroeg is beginnen werken en gedurende jaren zware arbeid verricht heeft? Een socialistische benadering van gelijke kansen wil dus helemaal niet dat iedereen gelijk wordt, maar ze wil meer dan iedereen gelijke startkansen geven. Wie met een ongelijke bagage aan de start staat of wie na de start het parcours met ongelijke middelen moet afleggen, wordt niet rechtvaardig behandeld. Hij komt terecht in een spel waarin met vervalste dobbelspelen gespeeld wordt, zei Patrick Janssens in een interview in Knack.3

Wereldburger

Voor socialisten blijft de betaalde arbeid van heel groot belang. Uit alle onderzoek blijkt dat die arbeid veel meer levert dan een loon om van te leven. Men put er zin uit, hij geeft structuur, hij zorgt voor een sociale inbedding. Daarmee is dan weer niet gezegd dat er naast de arbeid niets zou zijn. Precies een goede afstemming van werk en vrije tijd is uiterst belangrijk om gelukkig door het leven te gaan. Daar ligt trouwens een van de belangrijke problemen van dit ogenblik. Men krijgt de indruk dat mensen zich door het leven moeten slepen, waarbij door de combinatie gezin en arbeid de stress al te vaak onleefbaar wordt. Een vooraanstaand socialist pleit in dit verband heel terecht voor aandacht voor het Bruto Nationaal Geluk. In de actieve welvaartsstaat staat het woord verantwoordelijkheid centraal, verantwoordelijkheid van samenleving en individu. Maar dan moet wel vermeden worden dat alleen wie riskeert uitgesloten te worden verantwoordelijk gesteld wordt. Iedereen moet zijn deel opnemen, ook wie het beter heeft, ook de bedrijven. Het concept duurzaam ondernemen, dat rekening houdt met alle stakeholders, is essentieel. Het kan echter alleen werken als iedereen echt voor zijn verantwoordelijkheid geplaatst wordt en als er ook voldoende instrumenten zijn om die verantwoordelijkheid zo nodig ook af te dwingen. Maar de verantwoordelijkheid stopt niet aan de grenzen. Vandaag krijgt het grootste deel van de wereldbevolking geen gelijke kansen. Deze toestand is niet alleen menselijk onwaardig, ze legt ook een hypotheek op het voortbestaan van de Westerse beschaving. De druk op het milieu is trouwens niet te handhaven, zeker niet als men er zou aan denken om het huidige Westerse consumptieniveau te veralgemenen. En waarom zou de Derde Wereld daar niet mogen aan denken? Men kan er zich niet vanaf maken door op de vrije markt te vertrouwen. Ook in het Westen is er nooit een totaal vrije markt geweest, maar deze werd steeds meer op nationaal niveau gestuurd of gereguleerd. Op dezelfde manier zal de markt op wereldniveau aan regels moeten onderworpen worden. Het kan daarbij niet volstaan om het te houden bij minimumnormen, de Derde Wereld moet de kans krijgen door een algemene emancipatie gelijke kansen te realiseren. De welvaartstaat moet globaal worden, wat niet kan gerealiseerd worden zolang de internationale instellingen als IMF en Wereldbank blindweg de vrije markt willen opdringen. Het blijkt dat de privatiseringen en al te vlugge liberaliseringen die zij opleggen in de praktijk dikwijls het tegenovergestelde realiseren van wat zij pretenderen te doen: niet minder maar meer armoede bijvoorbeeld.4 We zien hier echt de grenzen van het liberalisme, het mag dan al een heel modern kleedje aanhebben. Ook liberalen durven vandaag namelijk pleiten voor een gecorrigeerde vrije markt en zien in de sociaaldemocratie slechts een variante van hun eigen opvattingen.5 Maar een liberale visie beperkt zich op mondiaal niveau tot armoedebestrijding. De overheid heeft de morele plicht om iedereen over een bepaalde drempel te halen, maar daar houdt het ook mee op. Armoedebestrijding wordt soms voorwendsel om sociale bescherming af te bouwen of leidt in elk geval niet tot een beter sociaal beleid.6

De staat dan maar?

Betekent dit dat opnieuw gepleit moet worden voor een staat die alles regelt? Helemaal niet! De overheid is een middel en geen doel. Socialisten hebben in het verleden misschien te veel gedacht dat de staat alle problemen kon oplossen. Vandaag moet het doel primeren en zijn de middelen bijkomstig. Een socialist mag dan ook niet aarzelen staatsstructuren te moderniseren, efficiënter te maken in het bereiken van hun doel. Het is beter het te hebben over gemeenschapsvoorzieningen.7 Die moeten instaan voor de kwaliteit van publieke goederen. Dat zijn producten waar gewoon iedereen moet kunnen van genieten. Denk aan een veilige schoolomgeving, die natuurlijk onmogelijk gereserveerd zou kunnen worden voor enkelen. Maar de gemeenschapsvoorzieningen moeten ook instaan voor een aantal private goederen, voor wie de markt onmogelijk gelijke kansen kan aanbieden. Het gaat dan bijvoorbeeld om onderwijs of gezondheidszorg, die zeker privaat kunnen verschaft worden, maar waarvoor de markt er niet in slaagt om iedereen gelijke kansen te verzekeren. De overheid moet de gemeenschapsvoorzieningen niet noodzakelijk zelf organiseren, maar ze moet in elk geval regels bepalen. De financiering staat daarbij voorop. Men kan het bijvoorbeeld niet aan de markt overlaten om een prijs te bepalen voor bijvoorbeeld de veilige schoolomgeving. In een aantal gevallen is het trouwens absoluut niet aangewezen om de volle prijs te laten betalen. Wanneer men de reële prijs voor de verwerking van een zak afval laat betalen, wordt men sociaal heel onrechtvaardig. In dat geval moet de prijs eerder symbolisch zijn, een waarschuwing dat afvalverwerking echt wel geld kost, te vergelijken met het remgeld in de ziekteverzekering. De rest is veel beter te innen via de progressieve belastingen.

Eerlijk contract

Wie vandaag wil antwoorden op de vraag waarin sp.a zich onderscheidt van de andere partijen komt onvermijdelijk terecht bij de overtuiging dat iedereen gelijke kansen moet krijgen. Gelijke kansen zijn geen middel, maar werkelijk een doel. Of anders uitgedrukt: ze zijn een noodzakelijke voorwaarde, zonder gelijke kansen geen socialisme. Dat moet structureel gegarandeerd worden. Een economie die gelijke kansen respecteert is niet alleen maar een variante op een liberale markteconomie. Het is een andere economie, waarbij de belangen van iedereen echt aan bod moeten komen. Anders uitgedrukt: een economie in dienst van de behoeften van de mens, niet omgekeerd. De politiek speelt hierbij nog altijd een cruciale rol. Alleen mogen politici niet de pretentie hebben dat ze alles kunnen regelen. Een stuk van hun macht en invloed is naar andere plaatsen verschoven. Dat hoeft niet negatief te zijn, op voorwaarde dat er overal transparantie en inspraak ingesteld kunnen worden. De verschuiving van de politieke macht is in dat opzicht vooral een uitdaging om de burger op zoveel mogelijk manieren te betrekken in de besluitvorming. Het mag geen voorwendsel zijn om hem er precies uit te houden. Een verkiezingsprogramma is een contract met de kiezer. Een eerlijk contract geeft duidelijk de grenzen aan. De boodschap van sp.a is eenvoudig en duidelijk. De praktijk van het regeringswerk bewijst dat een partij die zijn inspiratie put uit de wil om gelijke kansen te realiseren het ook nog waar kan maken.

Noten
1. K. Pelleriaux, ‘Een open-sourceprogramma’. In Samenleving en Politiek, 9/6 juni 2002.
2. L. Huyse, Gullivers probleem, essay over de toekomst van de politiek. Uitg. Van Halewijck - Forum 21, Leuven 2002.
3. Knack, 25/04/01.
4. J. Stiglitz, La grande désillusion (Globalisation and its discontents), Fayard, Paris 2002.
5. D. Verhofstadt, Het menselijke liberalisme, een antwoord op het antiglobalisme, Houtekiet, Antwerpen/Amsterdam 2002.
6. F. Mestrum, Globalisering en armoede, over het nut van armoede in de nieuwe wereldorde. Epo, Antwerpen 2002.
7. F. Vandenbroucke, ‘De partij van het politieke goed’. In De Morgen, 21/05/2002.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 7 (september), pagina 4 tot 9